Hoger algemeen voortgezet onderwijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Niveaus in het
voortgezet onderwijs
in Nederland
Praktijkonderwijs

vmbo

lwoo
Basisberoepsgerichte leerweg
Kaderberoepsgerichte leerweg
Gemengde leerweg
Theoretische leerweg (mavo)

havo
vwo

Atheneum
Gymnasium
Portaal  Portaalicoon  Onderwijs

Het hoger algemeen voortgezet onderwijs dat veelal afgekort wordt als havo, is het op één na hoogste niveau binnen het voortgezet onderwijs in het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname. De havo is in principe geen eindonderwijs - het is algemeen vormend (theoretisch) en geen beroepsopleiding (Bildung versus Ausbildung). Het havodiploma is een startkwalificatie. Van alle scholieren in het voortgezet onderwijs in Nederland gaat ongeveer 20 procent naar het hoger algemeen voortgezet onderwijs [bron?]. Ter vergelijking: 60 procent gaat naar het vmbo, 20 procent naar het vwo. [bron?].

Een havo-abituriënt heeft in vergelijking met een 'afgestudeerde' mbo'er in de regel inhoudelijk breder onderwijs genoten. Het taal- en wiskundecurriculum van de havo ligt op een hoger niveau dan dat van het mbo. De landelijke kwaliteitseisen - eindtermen - van het havo-onderwijs zijn bovendien geborgd in een Centraal Examen en bij het mbo-onderwijs niet. De examinandus kan ook voor het havo-staatsexamen kiezen. Het staatsexamendiploma havo heeft dezelfde waarde als een vergelijkbaar havodiploma verkregen via het reguliere schoolexamen.

Deze opleiding duurt vijf jaar. De havo is bedoeld voor leerlingen van 12 tot 17 jaar, en sluit aan op de basisschool, het vmbo-t en tot 1999 het mavo (alle vakken op D-niveau). De havo bereidt leerlingen voor op het hoger beroepsonderwijs (hbo). Met een bewijs dat de eerste drie jaar goed zijn doorlopen, kan een leerling doorstromen naar een vakopleiding of een middenkaderopleiding in het mbo. Het havodiploma geeft toegang tot het vwo en een havo-leerling kan deelnemen aan een versneld mbo-traject. Iemand die op de havo zit heet een havist.

Cognitie: de havist is doorgaans cognitief sterker dan de mbo'er. De havist stroomt op 17-jarige leeftijd al door naar het hbo, terwijl de mbo'er (niveau 4) pas rond zijn 20e de poorten van het hbo binnentreedt.

vwo-advies: 12 + 6 jaar vwo = 18 jaar → universiteit

havo-advies: 12 + 5 jaar havo + 1 jaar hbo (propedeuse) = 18 jaar → universiteit

havo-advies: 12 + 5 jaar havo = 17 jaar → hbo of mbo (mbo versneld)

vmbo-advies: 12 + 4 jaar vmbo(t) + 2 jaar havo = 18 jaar → hbo of mbo (mbo versneld)

vmbo-advies: 12 + 4 jaar vmbo + 4 jaar mbo = 20 jaar → hbo

De invoering van het studiehuis op de havo heeft de aansluiting met het hbo ernstig verslechterd. Opleiders in het hbo zijn van mening dat het havo-curriculum vroeger (oude stijl tot 1998) veel beter was dan het tegenwoordige havo met studiehuis (zie bijvoorbeeld de lemma's opstel en Management en Organisatie)[1].

Profielen[bewerken]

Een havoleerling kiest sinds 1998 voor aanvang van het vierde schooljaar een vakkenpakket aan de hand van een profiel. Er zijn vier profielen:

Een aantal scholen maakt ook gebruik van "combinatieprofielen":

Een profiel bestaat uit een aantal vakken, dat is opgebouwd uit een:

  • gemeenschappelijk deel dat voor alle profielen gelijk is;
  • profieldeel dat elk van de profielen kenmerkt;
  • vrij deel;
  • geheel vrij deel.

De vrije ruimte kunnen leerlingen gebruiken om vakken te volgen uit een ander profieldeel of een vak te kiezen dat in geen van de profielen voorkomt, bijvoorbeeld Management en Organisatie. Het is toegestaan voor scholen om dit vrije deel gedeeltelijk in te vullen voor vakken die bij de school passen. Christelijke scholen stellen soms bijvoorbeeld verplicht dat hun leerlingen een gedeelte van hun vrije deel invullen met het vak godsdienst.

Het doel van de invoering van deze profielen was de leerlingen een samenhangend vakkenpakket aan te bieden, dat een goede inhoudelijke voorbereiding zou bieden op verwante vervolgopleidingen.

Profielkeuze in het Voortgezet Onderwijs (2011-2012)[2]
Havo Vwo

Geschiedenis[bewerken]

De havo is ontstaan met de Wet Voortgezet Onderwijs (WVO), ook wel genoemd de Mammoetwet, die in 1968 is ingevoerd. Op dat moment verdwenen de mulo, de mms en de hbs, die wel als voorlopers van mavo, havo en vwo gezien kunnen worden. Op dat moment ontstond een veel grotere keuzevrijheid van schoolvakken waarin eindexamen gedaan werd. Ook nieuw was de brugklas. Pas na de brugklas werd een keuze gemaakt voor het eindniveau van de leerling.

Havo oude stijl (tot 1998):

verplichte vakken:

keuzevakken:

Met de invoering van de basisvorming in 1993 veranderde de onderbouw van het voortgezet onderwijs van karakter. Voor 15 vakken (waarvan drie nieuwe) werden kerndoelen opgesteld. Later In 1998 veranderde de bovenbouw, aangezien de zogenoemde "tweede fase" werd ingevoerd. In de tweede fase wordt het curriculum bepaald door vier afzonderlijke profielen (N&T, N&G, E&M en C&M). Tegelijkertijd stimuleerde de overheid het (onverplichte) studiehuis, waarin de docent zowel een onderwijzende als een begeleidende rol zou moeten krijgen. Leerlingen krijgen in het (onverplichte) studiehuisconcept een meer actieve en zelfstandige rol. Klassikaal onderwijs zou in de meest voorkomende studiehuisopvatting worden afgewisseld met andere werkvormen, zoals individueel of in groepjes aan een opdracht werken. Ook is er meer nadruk komen te liggen op het aanleren van vaardigheden.

In 2006 werd de basisvorming herzien en in 2007 de tweede fase. Voor de basisvorming krijgen scholen meer vrijheid om het onderwijs in de onderbouw naar eigen inzicht in te richten. Het doel daarbij is meer recht te doen aan de verschillen tussen de leerlingen, zodat zowel vmbo- als vwo-leerlingen op hun eigen niveau aangesproken worden. Nog in 1993 zagen docenten en schoolleiders af van het aanbrengen van dit onderscheid in curriculum of toetsing.

Voor de tweede fase kwamen er met de herziening in 2007 drie profielvakken en bij elk profiel een keuzecluster van vier vakken. De vrije ruimte wordt dus groter, maar de keuzevrijheid daarin beperkter.

Havo nieuwe stijl:

verplichte vakken:

  • Nederlandse taal en letterkunde
  • Nederlandse literatuur (vaak bij Nederlands in)
  • Engelse taal en letterkunde
  • Lichamelijke Opvoeding
  • Culturele en Kunstzinnige Vorming
  • Maatschappijleer

keuzevakken:

  • Duitse taal en letterkunde
  • Franse taal en letterkunde
  • Spaanse taal en letterkunde
  • Economie
  • Natuurkunde
  • Scheikunde
  • Biologie
  • Geschiedenis
  • Wiskunde A
  • Wiskunde B
  • Wiskunde D (beperkt)
  • Informatica
  • Ontwerpen en Onderzoeken (alleen op technasium)
  • Management en Organisatie (M&O)
  • Aardrijkskunde
  • Culturele en Kunstzinnige Vorming 2
  • Maatschappijwetenschappen
  • Filosofie
  • NLT

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Een gedeelte van de tekst op deze pagina is afkomstig van Postbus 51