Internationaal Strafhof

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Internationaal Strafhof.
Internationaal Strafhof.

Internationaal Recht
Logo van het Internationaal Strafhof.

Het Internationaal Strafhof (International Criminal Court/Cour Pénale Internationale, afkorting ICC/CPI) is een permanent hof voor het vervolgen van personen die verdacht worden van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden zoals deze zijn erkend in diverse internationale verdragen. De werktalen zijn Engels en Frans. Het Internationaal Strafhof is in 2002 opgericht en gevestigd in de Binckhorst.

Dit Strafhof dient niet verward te worden met:

  • Het Internationaal Gerechtshof (International Court of Justice/Cour Internationale de Justice) dat gevestigd is in het Vredespaleis in Den Haag. Dit hof behandelt rechtsgeschillen tussen staten.
  • Het Joegoslavië-tribunaal (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia, ICTY) dat eveneens in Den Haag zetelt.

Inhoud

Oprichtingsstatuut[bewerken]

Op 17 juli 1998 werd op voordracht van de Verenigde Naties het Statuut van Rome[1] ondertekend, dat de basis legde voor de oprichting van het Internationaal Strafhof.

Rechtsmacht[bewerken]

Het Statuut van Rome is van kracht geworden op 1 juli 2002. Artikel 11 van dit statuut bepaalt dat het Hof uitsluitend jurisdictie (rechtsmacht) heeft over misdrijven gepleegd na deze datum. Artikel 5 bepaalt welke misdaden binnen de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen. Thans zijn dat bovengenoemde genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, maar vanaf 2017 zal het ook agressie kunnen zijn. De artikelen 6 t/m 8 omschrijven welke daden vallen binnen de definitie van de eerste drie begrippen.

Agressie[bewerken]

Artikel 5 bepaalt verder dat de rechtsmacht over de misdaad agressie pas zal ingaan zodra overeenstemming is bereikt over een definitie van dit begrip en een daartoe strekkend amendement in het statuut is opgenomen. Volgens artikel 123 moet zeven jaar na het van kracht worden van het statuut een eerste "Herzieningsconferentie" bijeengeroepen worden, waar amendementen op het statuut behandeld kunnen worden. Deze Herzieningsconferentie is van 31 mei tot en met 11 juni 2010 gehouden in de Oegandese hoofdstad Kampala.

Op de conferentie is een akkoord bereikt over de definitie van "de misdaad agressie". Het aangenomen amendement bepaalt dat de (zeer uitvoerige) definitie van Resolutie 3314 van de VN-Algemene Vergadering zal gelden. Dit houdt onder meer in dat van agressie sprake is bij door een staat bedreven geweld zonder toestemming van de VN en zonder dat van zelfverdediging sprake is, en waarbij het Handvest van de Verenigde Naties "duidelijk" geschonden wordt.[2] De aanklager kan, mits met machtiging van het Hof, zelf een onderzoek naar agressie instellen, dus zonder besluit van de Veiligheidsraad, maar de Veiligheidsraad heeft de bevoegdheid een dergelijk onderzoek een jaar lang op te schorten, welke termijn telkens met een jaar kan worden verlengd. De nieuwe bevoegdheid zal in 2017 van kracht worden, mits dan opnieuw door de Vergadering van Verdragsstaten goedgekeurd.[3]

Deelnemende staten[bewerken]

Deelnemende staten (april 2014)
Donkergroen: verdragsstaten
Lichtgroen: staten die toegetreden zijn en waarvoor het statuut binnenkort van kracht wordt (momenteel geen)
Oranje: staten die het statuut ondertekend hebben maar tot nu toe geen verdragsstaat zijn geworden

Inmiddels hebben 122 landen, waaronder alle EU-lidstaten, het statuut geratificeerd of zijn anderszins tot het statuut toegetreden, waarmee zij "verdragsstaat" ("state party") van het Hof zijn geworden. België werd verdragsstaat op 28 juni 2000, Nederland op 17 juli 2001, Suriname op 15 juli 2008.[4]

Landen die geen verdragsstaat zijn kunnen niettemin krachtens artikel 12, lid 3 van het Statuut van Rome de rechtsmacht van het Hof aanvaarden door een verklaring hiertoe te deponeren bij de griffier van het Hof. Ivoorkust deed dit in april 2003, maar is in maart 2013 ook als verdragsstaat toegetreden. Ook de Palestijnse Autoriteit heeft een dergelijke verklaring gedeponeerd (januari 2009), maar op 3 april 2012 besloot de aanklager dat deze niet aanvaard kon worden omdat Palestina weliswaar als staat erkend was door meer dan 130 landen, maar als zodanig nog niet door de Verenigde Naties.[5] Op 17 april 2014 is Oekraïne op deze manier tot het Hof toegetreden; het deponeerde een verklaring dat het de rechtsmacht van het Hof erkent voor misdrijven in Oekraïne gepleegd in de woelige periode van 21 februari 2013 tot 22 februari 2014.[6]

Enkele tientallen landen hebben het statuut wel ondertekend maar (nog) niet geratificeerd, waaronder de Verenigde Staten, Rusland, Iran, Israël, Soedan en Zimbabwe. Het verdragsrecht verplicht staten die een verdrag getekend hebben "zich te onthouden van daden die de doelstelling van een verdrag met voeten treden".[7] Drie van deze landen, namelijk de Verenigde Staten, Israël en Soedan, hebben echter hun handtekening onder het statuut herroepen, daarmee te kennen gevend dat zij geen uit het statuut voortvloeiende verplichtingen meer erkennen.

Samenstelling en werkwijze[bewerken]

Het Internationaal Strafhof is een onafhankelijke instelling, het is geen onderdeel van de Verenigde Naties maar heeft met de Verenigde Naties wel een samenwerkingsrelatie.

Verdachten worden ondergebracht in het Penitentiair complex Scheveningen onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties.

De Vergadering van Verdragsstaten[bewerken]

Alle landen die het oprichtingsstatuut hebben geratificeerd of later daartoe zijn toegetreden hebben een vertegenwoordiger en één stem in de Vergadering van Verdragsstaten. Dit is het toezichthoudend en wetgevend orgaan van het Internationaal Strafhof. Ze beslist onder andere over de begroting van het Hof en over de verkiezing van de rechters, de aanklager en de plaatsvervangend aanklager. Krachtens het statuut moet de Vergadering van Verdragsstaten tenminste eens per jaar bijeenkomen, maar kan zij ook bijzondere zittingen houden. Ze kiest een bestuur, dat bestaat uit een president, twee vicepresidenten en 18 andere leden, allen voor een termijn van drie jaar. Sinds december 2011 is Tiina Intelmann, de vertegenwoordiger van Estland, president van deze vergadering.

De rechters[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lijst van rechters van het Internationale Strafhof voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Strafhof heeft achttien rechters, georganiseerd in drie rechterlijke afdelingen:

  • de preliminaire kamers, elk bestaande uit drie rechters
  • de strafkamers, elk bestaande uit drie rechters
  • de kamer van beroep, bestaande uit de president van het Hof en vier andere rechters

De rechters worden gekozen door de Vergadering van Verdragsstaten en zijn afkomstig uit de verdragsstaten. Het Strafhof kende sinds zijn oprichting de volgende rechter-presidenten en -vicepresidenten:

Land Naam Geboren President Vicepresident
Vlag van Canada Canada Philippe Kirsch 1947 2003-2009
Vlag van Ghana Ghana Akua Kuenyehia 1947 2003-2009
Vlag van Bolivia Bolivia René Blattmann 1948 2006-2009
Vlag van Costa Rica Costa Rica Elizabeth Odio Benito 1939 2003-2006
Vlag van Zuid-Korea Zuid-Korea Sang-Hyun Song 1941 2009-2015
Vlag van Duitsland Duitsland Hans-Peter Kaul 1943 2009-2012
Vlag van Mali Mali Fatoumata Diarra 1949 2009-2012
Vlag van Botswana Botswana Sanji Mmasenono Monageng 1950 2012-2015
Vlag van Italië Italië Cuno Tarfusser 1954 2012-2015

De aanklager[bewerken]

De aanklager bij het Hof heeft een ambtstermijn van negen jaar. De eerste aanklager was sinds 2003 de Argentijn Luis Moreno-Ocampo. Sinds 15 juni 2012 wordt deze functie vervuld door Fatou Bensouda uit Gambia, die voordien plaatsvervangend aanklager was, en in december 2011 door de Vergadering van Verdragsstaten tot opvolger van Moreno-Ocampo werd gekozen.

De aanklager kan in drie gevallen een officieel onderzoek openen dat tot vervolging kan leiden:

  • Een verdragsstaat kan zelf een situatie naar het Strafhof verwijzen;
  • De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties kan krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties elke situatie naar de aanklager verwijzen;
  • De aanklager kan op eigen initiatief ("proprio motu"), mits met de goedkeuring van de Preliminaire Kamer van het Strafhof, een onderzoek instellen naar vermeende misdrijven binnen de rechtsmacht van het Hof, gepleegd op het grondgebied van een verdragsstaat of door iemand met de nationaliteit van een verdragsstaat.

Onderzoeken en vervolgingen[bewerken]

Strafrechtelijke onderzoeken[bewerken]

Map of countries where the ICC is currently investigating situations.
Ingestelde onderzoeken
Groen: Officiële strafrechtelijke onderzoeken (zie hiernaast)
Lichtrood: Lopende verkennende onderzoeken (Afghanistan, Colombia, Guinee, Georgië, Honduras, Nigeria en Korea)
Donkerrood: Afgesloten verkennende onderzoeken (Irak, Venezuela en Palestina)

Tot nu toe zijn strafrechtelijke onderzoeken ingesteld naar misdrijven in acht gebieden, alle in Afrika, namelijk:

Met betrekking tot de eerste zeven van deze gebieden zijn inmiddels een of meer verdachten in staat van beschuldiging gesteld (zie hieronder onder "Aangeklaagden").

De regeringen van Oeganda, Congo, de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali hebben zelf situaties in hun landen naar het Internationaal Strafhof verwezen, omdat hun eigen rechtsstelsel niet in staat is de noodzakelijke onderzoeken, vervolging en berechting af te wikkelen.

De situaties in de Soedanese regio Darfur en in Libië zijn naar het Strafhof verwezen door de Veiligheidsraad.

Met betrekking tot Kenia en Ivoorkust heeft de aanklager op eigen initiatief een onderzoek ingesteld.

Verkennende onderzoeken[bewerken]

Behalve de situaties waar formele onderzoeken geopend zijn, zijn nog situaties in een aantal andere landen onderworpen aan "verkennend onderzoek". Deze zijn: Afghanistan, Colombia, Guinee, Georgië, Honduras, Nigeria en Zuid-Korea. Eerder geopende verkennende onderzoeken aangaande Irak en Venezuela zijn op 9 februari 2006 afgesloten met de conclusie dat er geen strafrechtelijk onderzoek geopend zou worden omdat aan de noodzakelijke vereisten niet was voldaan.[8][9]

Palestina[bewerken]

Op 22 januari 2009, kort na het conflict in de Gazastrook 2008-2009, bezocht de Palestijnse minister van Justitie Ali Khashan het Strafhof en deponeerde bij de griffier een formele verklaring namens de Palestijnse Nationale Autoriteit (PNA) waarin deze de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof erkende met betrekking tot op Palestijns gebied gepleegde feiten. De PNA beriep zich hierbij op artikel 12, lid 3 van het Statuut van Rome, dat zegt dat een staat die geen verdragsstaat is door middel van zo`n gedeponeerde verklaring de rechtsmacht van het Hof kan aanvaarden.

Het parket van de aanklager kondigde aan de hiermee samenhangende juridische vragen te zullen onderzoeken. Op 15 en 16 oktober 2009 werd het Hof bezocht door een delegatie van de Arabische Liga, die het standpunt ondersteunde dat de PNA onder de rechtsmacht van het Hof kan vallen. Op welke termijn een beslissing te verwachten is, is niet bekend.[10]

Amnesty International deed op 7 maart 2011 een beroep op de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties om zich uit te spreken voor berechting door het Internationaal Strafhof van de tijdens deze oorlog in Gaza gepleegde misdrijven. Een petitie met 66.850 handtekeningen werd overhandigd. Amnesty verklaarde hierbij dat bij deze oorlog 1400 Palestijnen gedood waren, merendeels burgers, en dertien Israëliërs, onder wie drie burgers; verder dat het door de missie-Goldstone verrichte onderzoek wees op vermoedelijke oorlogsmisdaden gepleegd zowel door Israël als door Hamas, en dat zowel Israël als Hamas in gebreke waren gebleven hiernaar zelf onderzoek in te stellen op een wijze die aan internationale normen beantwoordt.[11]

De aanklager besloot op 3 april 2012 dat de Palestijnse erkenning van het Strafhof nog niet aanvaard kon worden (zie hierboven onder "Deelnemende staten").

Korea[bewerken]

Het verkennend onderzoek aangaande Korea werd aangekondigd op 6 december 2010 en betreft

  • 1 de Granaataanval op Yeonpyeong op 23 november 2010, waarbij vele Zuid-Koreaanse mariniers en burgers werden gedood of verwond, en
  • 2 de torpedo-aanval op een Zuid-Koreaans oorlogsschip op 26 maart 2010, vermoedelijk vanaf een Noord-Koreaanse onderzeeër. Bij deze aanval kwamen 46 mensen om het leven.[12]

Aangeklaagden[bewerken]

Oeganda[bewerken]

In december 2003 werd Oeganda het eerste land dat een situatie naar het Internationaal Strafhof verwees. Het betrof de misdrijven gepleegd door de in Noord-Oeganda actieve guerrilla-organisatie "Verzetsleger van de Heer" (The Lord`s Resistance Army, LRA). Op 29 juli 2004 maakte hoofdaanklager Moreno-Ocampo bekend dat hij een onderzoek zou openen.[13]

Eerste arrestatiebevelen[bewerken]

Nadat het parket van de aanklager meer dan vijftig onderzoeksmissies naar Oeganda had uitgevoerd, werd op 14 oktober 2005 bekendgemaakt dat het hof zijn eerste arrestatiebevelen had uitgevaardigd. Deze golden vijf prominente leden van het Verzetsleger, die allen werden beschuldigd van een groot aantal oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid. Dit waren:

  • Joseph Kony, opperbevelhebber
  • Vincent Otti, plaatsvervangend leider
  • Okot Odhiambo
  • Dominic Ongwen
  • Raska Lukwiya (overleden, aanklacht vervallen)

De vijf arrestatiebevelen waren eerder onder zegel uitgevaardigd door de Tweede Preliminaire Kamer van het Hof.[14]

De aanklacht tegen Raska Lukwiya is in juli 2007 vervallen verklaard, omdat bewezen werd verklaard dat Lukwiya in augustus 2006 overleden is. Volgens mededelingen van het Verzetsleger is sinds 2007 ook Vincent Otti niet meer in leven, maar de aanklacht tegen hem is tot nu toe niet ingetrokken.

In februari 2008 heeft de regering van Oeganda, in een poging tot een einde van de rebellie te komen, deelakkoorden met het Verzetsleger van de Heer gesloten die onder meer inhouden dat in Oeganda een Bijzonder Gerechtshof gevormd zou worden om de tijdens de rebellie gepleegde misdrijven zelf te berechten. Op grond hiervan verzocht Oeganda het Internationaal Strafhof de arrestatiebevelen in te trekken. Tot nu toe heeft de aanklager echter het Hof niet om intrekking van de arrestatiebevelen verzocht.[15]

Congo-Kinshasa[bewerken]

De regering van Congo-Kinshasa (Democratische Republiek Congo) verwees in maart 2004 de situatie in dit land naar het Internationaal Strafhof. Na Oeganda was Congo het tweede land dat deze stap zette.

Thomas Lubanga: eerste aan het Strafhof overgedragen verdachte[bewerken]

Op 17 maart 2006 is voor het eerst een aangeklaagde aan het Internationaal Strafhof overgedragen. Het was de Congolese rebellenleider Thomas Lubanga. Lubanga wordt beschouwd als de oprichter en aanvoerder van de "Unie van Congolese Patriotten" (Union des Patriotes Congolais, UPC), en is voormalig bevelhebber van de militaire vleugel daarvan, de "Patriottische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Congo" (Forces Patriotiques pour la Libération du Congo, FPLC), een militie van de Hema-stam in het district Itoeri in Congo-Kinshasa. Hij wordt beschuldigd van het ronselen en de inzet van kindsoldaten. Lubanga zat al een jaar gevangen in Kinshasa en werd door de Congolese autoriteiten aan het Hof uitgeleverd.[16] (Zie ook hieronder onder "Eerste processen" en "Eerste vonnis".)

Germain Katanga[bewerken]

Op 17 oktober 2007 werd voor de tweede keer een verdachte aan het Strafhof overgedragen. Germain Katanga werd door de Congolese autoriteiten uitgeleverd. Katanga, ook bekend als “Simba”, was commandant van de Congolese rebellengroepering "Patriottische Verzetsmacht in Itoeri" (Force de Résistance Patriotique en Ituri, FRPI). Hij wordt ervan verdacht dat hij een hoofdrol gespeeld heeft in het beramen en uitvoeren van de zeer gewelddadige aanval op het dorp Bogoro in het district Itoeri in februari 2003, waarbij ongeveer 200 burgers vermoord werden. Deze aanval wordt beschouwd als een onderdeel van een "stelselmatige en massale aanval" op de burgerbevolking in delen van Itoeri, voornamelijk van de Hema-stam, uitgevoerd tussen januari en maart 2003.

Katanga is in beschuldiging gesteld wegens zes oorlogsmisdaden en drie misdaden tegen de mensheid. Onder andere moord, vrouwen onderwerpen aan seksuele slavernij, en het inzetten van kinderen bij oorlogshandelingen.[17]

Mathieu Ngudjolo Chui[bewerken]

De derde aangeklaagde is aan het Hof overgedragen op 7 februari 2008. Dit was de Congolese rebellenleider Mathieu Ngudjolo Chui, voormalig leider van het "Nationalistisch en Integrationistisch Front" (Front des Nationalistes et Intégrationnistes, FNI). Dit Front zou met de FRPI van Germain Katanga hebben samengewerkt bij bovengenoemde gewelddadige aanval in februari 2003 op het dorp Bogoro in het district Itoeri, waarbij 200 burgers werden vermoord. Ngudjolo wordt beschuldigd van moord, mishandeling, bedreiging, inzet van kindsoldaten, seksueel geweld en plundering. In Bogoro woonden voornamelijk leden van de Hema-stam.[18]

Bosco Ntaganda[bewerken]

Op 28 april 2008 werd een arrestatiebevel openbaar gemaakt tegen de Congolese Tutsi-rebellenleider, Bosco Ntaganda, ook bekend als "de Terminator". Het arrestatiebevel was al in augustus 2006 uitgevaardigd, maar werd aanvankelijk onder zegel gehouden. Ntaganda was enige tijd plaatsvervangend bevelhebber van de door Thomas Lubanga opgerichte "Patriottische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Congo" (FPLC), maar hij werd later stafchef van het "Nationaal Congres voor de Verdediging van het Volk" (Congrès National pour la Défense du Peuple, CNDP). Dit CNDP was een uit Tutsi bestaande militie in de provincie Noord-Kivoe, geleid door de Tutsi-krijgsheer Laurent Nkunda. Ntaganda werd beschuldigd van drie oorlogsmisdaden: de werving, de inlijving en de inzet van kindsoldaten.[19]

Op 23 maart 2009, nadat CNDP-leider Nkunda in Rwanda gearresteerd was, sloot de Congolese regering een akkoord met het CNDP. Deze groepering werd opgenomen in het Congolese leger, en Ntaganda werd in dit leger generaal, ondanks het arrestatiebevel door het Strafhof. De Congolese president Joseph Kabila motiveerde dit met: "Wij willen nu vrede. In Congo moet vrede vóór berechting gaan."[20]

In het voorjaar van 2012 kwam het weer tot een breuk. Met de rebellengroep M23-beweging kwam Ntaganda weer in opstand tegen de regering. Congo, de VN en Human Rights Watch beschuldigden Rwanda ervan deze muiterij te steunen. Op 11 april 2012 gelastte president Kabila Ntaganda`s arrestatie. De Tweede Preliminaire Kamer van het Hof bracht op 13 juli 2012 een tweede arrestatiebevel tegen hem uit; hij werd nu ook beschuldigd van drie misdaden tegen de menselijkheid: moord, verkrachting en seksuele slavernij, en vervolging.

Binnen M23 braken weldra interne conflicten uit. De verblijfplaats van Ntaganda was geruime tijd onduidelijk, maar op 18 maart 2013 bleek hij in Rwanda te zijn. Daar meldde hij zich bij de ambassade van de Verenigde Staten en deed zelf het verzoek overgedragen te worden aan het Internationaal Strafhof.[21] Met medewerking van de regering van Rwanda werd hij naar Den Haag overgebracht, waar hij arriveerde in de nacht van 22 op 23 maart 2013.

Callixte Mbarushimana[bewerken]

In Parijs is op 11 oktober 2010 de Rwandese Hutu-rebellenleider Callixte Mbarushimana gearresteerd, een leider van de "Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda" (Forces Démocratiques de Libération du Rwanda, FDLR). Op 28 september had het Hof een verzegeld arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd. De FDLR is een groepering van Rwandese Hutu die na de Rwandese genocide van 1994 naar Congo vluchtten, en van daaruit zowel het Rwandese als het Congolese leger bevechten. Volgens de aanklager heeft de FDLR zich daarbij schuldig gemaakt aan "gruwelijke misdaden tegen de burgerbevolking".

Callixte Mbarushimana werd door de aanklager medeverantwoordelijk gehouden voor een plan om door aanvallen op de burgerbevolking in de provincies Noord-Kivoe en Zuid-Kivoe "een humanitaire ramp" te veroorzaken om aldus politieke concessies af te dwingen. Alleen al in 2009 werden meer dan 15.000 gevallen van seksueel geweld gemeld. Mbarushimana werd onder meer beschuldigd van moord, marteling, verkrachting, aanvallen op burgers en vernieling van eigendom.[22] Zijn arrestatie was de vrucht van bijna twee jaar onderzoek in onderlinge samenwerking van Frankrijk, Duitsland, Congo, Rwanda en het Strafhof. Zelfs Rwanda, dat vijandig staat tegenover het Strafhof, omdat het meent dat dit hof eenzijdig arme Afrikaanse landen aanpakt, feliciteerde het Strafhof met deze arrestatie en zegde medewerking toe voor de berechting van Mbarushimana.[23]

Ook verdacht van betrokkenheid bij genocide 1994[bewerken]

Tijdens de Rwandese genocide van 1994 werkte Mbarushimana bij een VN-kantoor in de Rwandese hoofdstad Kigali. Overlevenden beschuldigden hem van betrokkenheid bij de moord op tientallen Tutsi, onder wie VN-collega`s. De aanklager van het Rwanda-tribunaal vervolgde hem hiervoor niet, maar de justitie van Rwanda klaagde hem wel aan. Nadat Mbarushimana zich in Frankrijk gevestigd had, begon een daar gevestigde organisatie van Rwandese vluchtelingen in 2008 een procedure om hem in Frankrijk vervolgd te krijgen.[24][25]

Op 3 november 2010 keurde een Hof van Beroep in Parijs de uitlevering aan het Strafhof goed, met als voorwaarde dat Mbarushimana nooit uitgeleverd zou worden aan Rwanda, waar hij vreesde geen eerlijk proces te krijgen.[26] Op 21 december 2010 stelde een Franse rechter-commissaris echter Mbarushimana alsnog in beschuldiging voor zijn aandeel in de genocide.[27] Het Internationaal Strafhof kan deze daden niet berechten, aangezien zijn rechtsmacht beperkt is tot feiten gepleegd na 1 juli 2002.

Op 4 januari 2011 bepaalde de hoogste gerechtelijke instantie in Frankrijk dat Mbarushimana uitgeleverd kon worden aan het Internationaal Strafhof.[28] Hij is op 25 januari 2011 naar Den Haag overgebracht, waar hij de vijfde gedetineerde aangeklaagde werd, en de eerste niet-Congolees.[29] Aanklager Moreno-Ocampo verklaarde dat de door Mbarushimana geleide FDLR de oorlogen in Congo ontketend heeft en jarenlang terreur heeft uitgeoefend in Oost-Congo, en dat bijna een generatie lang vele vrouwen het slachtoffer waren van meedogenloos seksueel geweld.[30]

Aanklachten niet bevestigd, in vrijheid gesteld[bewerken]

Met een meerderheid van twee tegen één weigerde de Eerste Preliminaire Kamer op 16 december 2011 de aanklachten tegen Mbarushimana te bevestigen. De Kamer achtte aannemelijk dat er in Noord- en Zuid-Kivoe oorlogsmisdaden zijn gepleegd door de FDLR, maar twee van de drie rechters achtten onvoldoende bewijs aanwezig dat Mbarushimana tot deze misdrijven bijgedragen heeft. De Kamer gelastte zijn vrijlating.[31] Het beroep van de aanklager tegen de onmiddellijke vrijlating werd afgewezen, en op 23 december 2011 werd Mbarushimana in vrijheid gesteld. Op zijn verzoek gebeurde dit op Frans grondgebied.[32] Het was de eerste keer dat een door het Hof gedetineerde vrijgelaten werd. De Kamer van Beroep verwierp op op 30 mei 2012 ook het beroep van de aanklager tegen de beslissing om Mbarushimana niet verder te vervolgen.[33]

Sylvestre Mudacumura[bewerken]

De Tweede Preliminaire Kamer gaf op 13 juli 2012 een arrestatiebevel uit tegen de Rwandese Hutu-rebellenleider Sylvestre Mudacumura, een militaire commandant van de in Congo opererende Hutu-militie FDLR (zie ook hierboven bij Mbarushimana). De kamer sprak uit dat Mudacumura werd verdacht van negen categorieën oorlogsmisdaden: aanvallen op burgers, moord, verminking, wrede behandeling, verkrachting, marteling, vernieling van eigendom, plundering en vergrijpen tegen de persoonlijke waardigheid. De misdrijven zouden gepleegd zijn in 2009 en 2010 in de Congolese provincies Noord- en Zuid-Kivoe.[34] Eerder was een op 14 mei 2012 door de aanklager ingediend verzoek om een arrestatiebevel afgewezen door het Hof. Een beter onderbouwd en meer gedetailleerd nieuw verzoek werd nu ingewilligd.[35]

Centraal-Afrikaanse Republiek[bewerken]

In januari 2005 werd de Centraal-Afrikaanse Republiek het derde land dat op zijn grondgebied gepleegde misdrijven naar het Internationaal Strafhof verwees. Dit betreft voornamelijk een golf van geweld en misdaad tijdens gewapende conflicten tussen regering en rebellen in 2002 en 2003. Hierbij was sprake van moord op burgers en plundering, maar vooral van vele honderden gevallen van verkrachting. Op 22 mei 2007 maakte de hoofdaanklager bekend dat hij een onderzoek naar in dit land gepleegde misdrijven opende. Het Hof van Cassatie van de Centraal-Afrikaanse Republiek had inmiddels bevestigd dat het rechtsstelsel van dit land niet in staat is alle misdrijven zelf te onderzoeken en te berechten.[36]

Bemba[bewerken]

Jean-Pierre Bemba (2006)

Op 3 juli 2008 is de eerste verdachte aan het Strafhof overgedragen die beschuldigd wordt van in dit land gepleegde misdrijven. Het is de vroegere Congolese vicepresident Jean-Pierre Bemba, die ervan verdacht wordt misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden gepleegd te hebben toen hij in 2002 met de door hem geleide "Congolese Bevrijdingsbeweging" (Mouvement de Libération du Congo, MLC) intervenieerde in een burgeroorlog in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Volgens de aanklager gebruikten zijn strijders daarbij massale verkrachtingen als strijdmiddel. Bemba was Congo later ontvlucht en werd in België gearresteerd op 24 mei 2008 nadat het Strafhof de dag daarvoor een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd had.[37]

Op 15 juni 2009 sprak het Hof uit dat er "substantiële redenen" waren voor een proces tegen Bemba. Op 14 augustus werd besloten dat Bemba in afwachting van zijn berechting in vrijheid zou moeten worden gesteld, tegen welk besluit aanklager Moreno-Ocampo echter onmiddellijk beroep aantekende.[38] De Kamer van Beroep van het Hof maakte vervolgens op 2 december 2009 het besluit tot zijn vrijlating ongedaan, gezien het risico dat hij zich aan berechting zou onttrekken.[39]

Soedan[bewerken]

Op 31 maart 2005 nam de Veiligheidsraad resolutie 1593 aan, waarin werd besloten ernstige schendingen van de rechten van de mens in de Soedanese regio Darfur naar het Internationaal Strafhof te verwijzen. De Verenigde Staten stemden, ondanks hun bezwaren tegen het Strafhof, niet tegen, maar onthielden zich van stemming, in ruil voor garanties dat geen in Darfur werkende Amerikanen vervolgd zouden kunnen worden.[40] Op 5 april 2005 zond VN-secretaris-generaal Kofi Annan het Strafhof een verzegelde lijst met de namen van 51 verdachten van in Darfur gepleegde oorlogsmisdaden, welke lijst was opgesteld door een onafhankelijke commissie die sinds 2004 op last van de Veiligheidsraad de in Darfur gepleegde misdrijven onderzocht had.[41]

Haroen en Abd-Al-Rahman[bewerken]

Op 27 februari 2007 maakte de hoofdaanklager de namen bekend van de eerste twee verdachten die hij wilde vervolgen wegens in Darfur gepleegde misdrijven. Het betrof:

  • Ahmad Muhammad Haroen, voormalig staatssecretaris van Binnenlandse Zaken;
  • Ali Muhammad Ali Abd-Al-Rahman (ook bekend als Ali Kushayb), een leider van de Janjaweed-militie.

Beiden zouden met steun van het Soedanese leger etnische zuivering in Darfur bedreven hebben. De aanklager beschuldigde beiden van minstens twintig misdaden tegen de menselijkheid en meer dan twintig oorlogsmisdaden. Op 27 april 2007 heeft de Eerste Preliminaire Kamer van het Hof arrestatiebevelen tegen hen uitgevaardigd.[42]

President al-Bashir aangeklaagd[bewerken]

Omar al-Bashir

Op 14 juli 2008 diende de hoofdaanklager een aanklacht in tegen de president van Soedan, generaal Omar al-Bashir. Volgens deze aanklacht was al-Bashir verantwoordelijk voor genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid, gepleegd in Darfur door Arabische milities met steun van het Soedanese leger. Op 4 maart 2009 volgde een arrestatiebevel tegen hem, uitgevaardigd door de Eerste Preliminaire Kamer. Deze Kamer sprak hierin uit dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat al-Bashir strafrechtelijk verantwoordelijk is voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid. De Kamer wees echter de aanvraag van de aanklager af voor wat betreft het misdrijf genocide.

De regering van Soedan reageerde furieus op het arrestatiebevel en wees onmiddellijk tien buitenlandse hulporganisaties uit, die voornamelijk in Darfur werkzaam waren.[43] Soedan erkent het Strafhof niet en veroordeelt de aanklacht. De Afrikaanse Unie wees de aanklacht af en ook veel Afrikaanse lidstaten die het Hof erkennen weigerden Bashir te boycotten of aan te houden.

Tweede arrestatiebevel: ook genocide[bewerken]

Op 6 juli 2009 diende de aanklager een beroep in tegen de weigering om genocide in het arrestatiebevel op te nemen. De Kamer van Beroep stelde op 3 februari 2010 de aanklager hierbij in het gelijk, en droeg de Preliminaire Kamer op de zaak opnieuw te bezien, en daarbij een andere bewijsnorm te hanteren. Op 12 juli 2010 gaf de Eerste Preliminaire Kamer hieraan gevolg, en vaardigde een tweede arrestatiebevel tegen al-Bashir uit. Hierin wordt al-Bashir alsnog beschuldigd van genocide bedreven jegens drie etnische groepen in Darfur.[44]

Op 28 mei 2010 heeft het Strafhof bij de Veiligheidsraad aangifte gedaan dat Soedan weigert de in beschuldiging gestelden te arresteren en hun in plaats daarvan bescherming biedt. Deze formele aangifte wordt gezien als een poging om de internationale druk op Soedan op te voeren.[45]

Rebellenleiders melden zich vrijwillig[bewerken]

Aboe Garda[bewerken]

Op 17 mei 2009 meldde voor het eerst een verdachte zich vrijwillig bij het Internationaal Strafhof. Het was Bahr Idriss Aboe Garda, leider van het "Verenigd Verzetsfront" (United Resistance Front, URF) een rebellengroep in Darfur. Hij wordt onder meer beschuldigd van medeverantwoordelijkheid voor de aanval op de vredesmissie van de Afrikaanse Unie in Haskanita (Noord-Darfur) op 29 september 2007. Hierbij werden twaalf militairen gedood en acht gewond. Aboe Garda ontkende de beschuldiging, maar meldde zich vrijwillig, met als motivering dat "iedere leider moet meewerken met de justitie en zich aan de wet moet houden". Er was een dagvaarding tegen hem uitgebracht, maar geen arrestatiebevel. Hij mocht het verdere verloop in vrijheid afwachten.[46]

Niet in vervolging gesteld[bewerken]

Op 8 februari 2010 besliste echter de Eerste Preliminaire Kamer Aboe Garda niet in vervolging te stellen, omdat er onvoldoende bewijs aanwezig werd geacht dat Aboe Garda aan de aanval in Haskanita deelgenomen heeft.[47] Op 23 april 2010 wees de Eerste Preliminaire Kamer ook het verzoek van de aanklager af om tegen deze beslissing in beroep te mogen gaan. Volgens het Statuut van Rome is voor een dergelijke gang naar de Kamer van Beroep het fiat van de Preliminaire Kamer nodig. Alleen als de aanklager meer bewijsmateriaal over kon leggen zou hij opnieuw om vervolging kunnen vragen.[48]

Banda en Jerbo[bewerken]

Op 16 juni 2010 meldden zich nog twee rebellenleiders vrijwillig om voor het Hof te verschijnen:

  • Abdallah Banda Abakaer Nourain (Banda);
  • Saleh Mohammed Jerbo Jamus (Jerbo).

Deze twee leiders van splintergroeperingen werden door de aanklager ervan verdacht ook verantwoordelijkheid te dragen voor bovengenoemde aanval op de vredesmissie van de Afrikaanse Unie in Haskanita op 29 september 2007. Aanklager Moreno-Ocampo verklaarde dat dit de bekroning was van maandenlange inspanningen om hun medewerking te verkrijgen.[49] Op 17 juni verschenen zij voor de Eerste Preliminaire Kamer, die besliste dat er redelijke gronden voor strafvervolging waren. Dezelfde Kamer nam op 7 maart 2011 de beslissing de aanklachten tegen Banda en Jerbo te bevestigen en hen naar een terechtzitting te verwijzen. Uitgesproken werd dat zij terecht moesten staan voor drie oorlogsmisdaden: geweld tegen het leven gericht, aanvallen op medewerkers en materieel van een vredesmissie en plundering.[50]

Minister van Defensie Hoessein[bewerken]

De aanklager verzocht op 2 december 2011 om een arrestatiebevel tegen de Soedanese minister van Defensie Abdelrahim Mohamed Hoessein. De aanklager stelde dat Hoessein in 2007, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was, behoorde tot hen die de zwaarste stafrechtelijke verantwoordelijkheid droegen voor dezelfde misdaden waarvoor al in 2007 bovengenoemde Ahmad Haroen en Ali Abd-Al-Rahman zijn aangeklaagd. Volgens de aanklager werkte staatssecretaris Haroen onder de verantwoordelijkheid van minister Hoessein, en speelde Hoessein een centrale rol bij het coördineren van de misdrijven in Darfur. Hierbij werden bevolkingscentra door de luchtmacht gebombardeerd, en de Janjaweed-militie pleegde massale moorden, verkrachtingen en plunderingen, waarbij 4 miljoen inwoners ontheemd raakten. Volgens de aanklager was de arrestatie van minister Hoessein noodzakelijk om hem te beletten zijn misdrijven voort te zetten.[51] De Eerste Preliminaire Kamer vaardigde op 1 maart 2012 het arrestatiebevel uit. De Kamer sprak uit dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat minister Hoessein strafrechtelijk verantwoordelijk is voor 20 misdaden tegen de menselijkheid en 21 oorlogsmisdaden.[52]

Kenia[bewerken]

Aanklager Moreno-Ocampo wees op 30 september 2009 Kenia aan als het eerste land met betrekking waartoe hij een onderzoek op eigen initiatief wilde instellen. Doel hiervan was te komen tot vervolging van de hoofdverantwoordelijken voor het verkiezingsgeweld van begin 2008 in dit land. Bij dit wekenlange geweld, in hoge mate een stammenstrijd, kwamen naar schatting 1300 tot 1500 mensen om het leven, van wie een derde door politiekogels. Honderdduizenden raakten ontheemd. Voormalig VN-secretaris-generaal Kofi Annan, die vergeefs getracht had Kenia te bewegen de schuldigen zelf te vervolgen, overhandigde in juli 2009 een verzegelde lijst met de namen van een aantal hoofdverdachten aan de aanklager.[53] Op 31 maart 2010 machtigde de Tweede Preliminaire Kamer van het Hof de aanklager inderdaad tot dit onderzoek over te gaan. In de beslissing werd uitgesproken dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat in Kenia misdaden tegen de menselijkheid zijn gepleegd.[54]

Zes verdachten aangewezen[bewerken]

Op 15 december 2010 verzocht de hoofdaanklager het Strafhof dagvaardingen uit te brengen tegen zes verdachten, onder wie vier ministers. Het betrof drie vooraanstaande personen uit de aanhang van president Mwai Kibaki en drie prominente medestanders van minister-president Raila Odinga, die bij de presidentsverkiezingen van december 2007 tegenkandidaat was tegen Kibaki. De drie door de aanklager aangewezen partijgenoten van premier Odinga (later aangeduid als "Zaak 1") waren:

  • de (wegens verdenking van corruptie geschorste) minister van Onderwijs William Ruto;
  • de minister van Industrialisatie Henry Kosgey (op 4 januari 2011 afgetreden wegens verdenking van corruptie)[55];
  • radiojournalist Joshua Arap Sang.

De als verdachten aangewezen medestanders van president Kibaki (later aangeduid als "Zaak 2") waren:

  • Kenia's vicepremier en minister van Financiën Uhuru Kenyatta;
  • de secretaris van het kabinet, Francis Muthaura;
  • het voormalige hoofd van de politie Mohamed Hussein Ali.

De aanklager beschuldigde al deze verdachten van misdaden tegen de menselijkheid, bestaande uit moord, deportatie, vervolging, marteling en verkrachting.[56]

Volgens opiniepeilingen in Kenia juichte een grote meerderheid van de bevolking berechting door het Internationaal Strafhof toe, aangezien de rechtspraak in het eigen land niet vertrouwd wordt.[57] In de Keniase politiek was de bezorgdheid over de vervolgingen echter zo groot dat het parlement op 22 december 2010 een motie aannam voor opzegging van de samenwerking met het Strafhof en voor berechting in Kenia zelf van de gewelddaden. Parlementariërs noemden het Strafhof "koloniaal", omdat het alleen mensen uit voormalige Afrikaanse koloniën vervolgt. Minister van Justitie Mutula Kilonzo noemde deze motie "zeer ongelukkig" voor Kenia`s reputatie. Zelfs als de regering de motie zou uitvoeren kan dat overigens de vervolging door het Strafhof niet beëindigen.[58]

Regering vraagt opschorting en niet-ontvankelijkheid[bewerken]

De regering van Kenia verzocht op 8 februari 2011 de Veiligheidsraad om de vervolging van de Keniaanse verdachten op te schorten. Het argument was dat Kenia doende was de rechterlijke macht voldoende te hervormen om berechting in Kenia mogelijk te maken. Artikel 16 van het Statuut van Rome geeft de Veiligheidsraad de bevoegdheid onderzoeken en vervolgingen een jaar op te schorten, welke termijn telkens met een jaar kan worden verlengd.[59] Dit verzoek werd door de Veiligheidsraad afgewezen.[60] Op 29 maart 2011 diende Kenia met een soortgelijke motivering een verzoek bij het strafhof in de zaken tegen de zes verdachten niet-ontvankelijk te verklaren. Dit verzoek werd op 30 mei 2011 door de Tweede Preliminaire Kamer van het Hof verworpen. De Kamer overwoog hierbij onder meer dat Kenia geen concreet bewijs overgelegd had dat er procedures bij nationale gerechten gaande waren, en dat er nog steeds een situatie van inactiviteit was.[61] De Kamer van Beroep verwierp op 30 augustus 2011 het door Kenia tegen de beslissing ingestelde beroep.

Alle verdachten gedagvaard[bewerken]

De Tweede Preliminaire Kamer van het Hof besloot op 8 maart 2011 de zes door de aanklager aangewezen verdachten allen te dagvaarden om in april 2011 voor het Strafhof te verschijnen. Aangaande de drie partijgenoten van president Kibaki (Zaak 2) sprak het Hof uit dat er redelijke gronden waren om aan te nemen dat vicepremier Kenyatta en kabinetssecretaris Muthaura indirecte mededaders zijn van moord, deportatie, verkrachting, vervolging en andere onmenselijke daden. Voor voormalig politiechef Ali gold dat volgens de beslissing niet, maar wel werd aannemelijk geacht dat hij op andere wijze heeft bijgedragen aan de misdrijven.

Aangaande de drie medestanders van premier Odinga (Zaak 1) besliste het Hof dat minister van Onderwijs Ruto en voormalig minister van Industrialisatie Kosgey op redelijke gronden beschouwd konden worden als indirecte mededaders van moord, deportatie en vervolging. Radiojournalist Sang werd niet beschouwd als indirecte mededader maar, net als Ali, als iemand die anderszins aan de genoemde misdrijven bijgedragen heeft.[62]

Vicepremier Kenyatta plaatste op 9 maart een verklaring op Facebook waarin hij alle schuld ontkende, maar tegelijkertijd de dagvaarding verwelkomde als een gelegenheid om zijn onschuld aan te tonen. Hij zegde zijn "standvastige medewerking" aan het Strafhof toe.[63]

Aanklachten bevestigd tegen vier verdachten; Kosgey en Ali gaan vrijuit[bewerken]

De Tweede Preliminaire Kamer maakte op 23 januari 2012 bekend de aanklachten te bevestigen tegen vier van de zes verdachten. In Zaak 1 (de medestanders van premier Odinga) waren dit minister William Ruto en radiojournalist Joshua Arap Sang, in Zaak 2 (de medestanders van president Kibaki) betrof het vicepremier Uhuru Kenyatta en kabinetssecretaris Francis Muthaura. De Kamer oordeelde dat de aanklager voldoende bewijsmateriaal overgelegd had om deze vier verdachten naar een strafzitting te verwijzen. Met betrekking tot oud-minister Henry Kosgey (Zaak 1) en voormalig politiechef Mohamed Hussein Ali (Zaak 2) sprak de Kamer uit dat de overgelegde bewijzen onvoldoende waren. Zij waren dus niet langer verdachten, al behield de aanklager altijd de mogelijkheid nieuw bewijsmateriaal over te leggen.[64] Tegen de vier aangeklaagden werd geen arrestatiebevel uitgevaardigd, zij bleven dus op vrije voeten. Kenia`s minister van Justitie Kilonzo verklaarde dat de vier verdachten zich moesten terugtrekken uit de politiek en op non-actief moesten worden gesteld.[65]

Libië[bewerken]

Toen in februari 2011 de opstand in Libië tegen het bewind van Moammar al-Qadhafi tot veel bloedvergieten geleid had, besloot de Veiligheidsraad op 26 februari 2011 in resolutie 1970 unaniem om de gebeurtenissen in Libië vanaf 15 februari naar het Strafhof te verwijzen. Dit was (na Soedan) de tweede keer dat de Veiligheidsraad de situatie in een bepaald land naar het Strafhof verwees, en de eerste keer dat dit unaniem gebeurde.[66]

Reeds op 2 maart maakte aanklager Moreno-Ocampo bekend dat hij inderdaad een onderzoek aangaande Libië zou openen. Daarbij zou hij samenwerking zoeken met onder meer de Afrikaanse Unie, de Arabische Liga en Interpol.[67] De volgende dag liet de aanklager op een persconferentie weten dat het onderzoek betrekking zou hebben op Moammar al-Qadhafi, enkele van zijn zoons en enkele andere Libische politici en militairen.[68] Weer een dag later, op 4 maart 2011, wees de president van het Strafhof de situatie in Libië toe aan de Eerste Preliminaire Kamer van het Hof.[69]

Arrestatiebevelen tegen Qadhafi en twee familieleden[bewerken]

Moammar al-Qadhafi

Op 4 mei 2011 bracht de aanklager een eerste verslag uit aan de Veiligheidsraad. Hij deelde mee dat hij "binnen enkele weken" het Hof zou vragen arrestatiebevelen uit te vaardigen tegen drie personen die de grootste verantwoordlijkheid dragen voor de gepleegde misdaden. De Veiligheidsraad zou volgens hem moeten bezien hoe de arrestaties uitgevoerd konden worden. Hij wees er verder op dat hij zich onpartijdig opstelde en dat mogelijk door opstandige Libiërs gepleegde misdrijven tegen vermeende Afrikaanse huurlingen ook in het onderzoek betrokken werden.[70]

De aanklager maakte op 16 mei 2011 bekend dat de drie mensen voor wie hij een arrestatiebevel vroeg waren:

Volgens de aanklager was er voldoende bewijs dat deze drie verantwoordelijk zijn voor aanvallen op burgers in hun huizen, werving van huurlingen en aanslagen op betogers.[71] Op 27 juni 2011 vaardigde de Eerste Preliminaire Kamer de gevraagde arrestatiebevelen tegen deze drie verdachten uit. De Kamer stelde vast dat er redelijke gronden waren om aan te nemen dat zij de genoemde misdaden inderdaad gepleegd hebben.[72]

Moammar al-Qadhafi[bewerken]

Toen in augustus 2011 het hoofdkwartier van Moammar al-Qadhafi in Tripoli door opstandelingen werd ingenomen, bleek Qadhafi te zijn gevlucht. Op 20 oktober 2011 werd zijn geboortestad Sirte ingenomen, waar hij werd aangetroffen en gedood. Op verzoek van de aanklager besloot de Eerste Preliminaire Kamer op 22 november 2011 de zaak tegen hem te beëindigen omdat zijn overlijden was vastgesteld en een overlijdensakte overgelegd was.[73]

Saif al-Islam al-Qadhafi[bewerken]

Op 19 november 2011 werd bekend dat Saif al-Islam al-Qadhafi in Libië gearresteerd was. Het Hof liet op 23 november weten dat Libië krachtens Veiligheidsraadsresolutie 1970 nog steeds verplicht was volledige medewerking aan het Hof te geven, en dat, mocht Libië deze verdachte zelf willen berechten, het een verzoek moest indienen zijn zaak bij het Strafhof niet ontvankelijk te verklaren.[74] Op 1 mei 2012 diende Libië dit verzoek voor niet-ontvankelijkheid van deze zaak inderdaad bij het Hof in. De Eerste Preliminaire Kamer besloot op 1 juni 2012 dat Libië Saif al-Qadhafi niet hoefde uit te leveren zolang het hof geen definitieve beslissing over de ontvankelijkheid van de zaak genomen had.[75]

Abdoellah al-Senoessi[bewerken]

Abdoellah al-Senoessi is op 17 maart 2012 gearresteerd in Mauretanië, waarheen hij gevlucht was. Dezelfde dag verzocht het Strafhof om zijn overlevering, maar zijn uitlevering werd ook gevraagd door Libië en door Frankrijk. In Frankrijk is al-Senoessi in 1999 bij verstek tot levenslang veroordeeld wegens zijn verantwoordelijkheid voor een aanslag op een Frans vliegtuig in 1989, waarbij 170 doden vielen.[76] Op 21 mei 2012 werd bekend dat Mauretanië al-Senoessi in staat van beschuldiging gesteld had wegens illegale binnenkomst van het land.[77]

Ivoorkust[bewerken]

De burgeroorlog die in september 2002 in Ivoorkust uitbrak was aanleiding tot een verkennend onderzoek in dit land. Ivoorkust was toen nog geen verdragsstaat, maar had al de rechtsmacht van het Hof aanvaard door middel van een bij de griffier van het Hof gedeponeerde verklaring.

Als gevolg van controversiële presidentsverkiezingen op 28 november 2010 brak een nieuwe gewelddadige crisis in het land uit. Naar aanleiding hiervan gaf de aanklager op 21 december 2010 een verklaring uit waarin hij waarschuwde dat bij ernstige misdrijven de verantwoordelijken vervolgd zullen worden. In de verklaring werd met name aangekondigd dat Charles Blé Goudé, naaste medewerker van de bij de verkiezingen verslagen president Laurent Gbagbo, kan worden vervolgd indien als gevolg van zijn toespraken massaal geweld zou uitbreken. De aanklager wees erop dat strijdkrachten van Afrikaanse staten kunnen helpen de verantwoordelijken te arresteren. "Die leiders die geweld beramen zullen in Den Haag terechtkomen."[78]

Op 6 april 2011 kondigde de aanklager aan dat hij wegens de berichten over recente wijdverbreide massale moordpartijen in Ivoorkust op eigen initiatief het Strafhof machtiging vroeg een strafrechtelijk onderzoek te openen.[79][80] De Derde Preliminaire Kamer van het Hof besloot op 3 oktober 2011 dit verzoek van de aanklager toe te wijzen.[81]

Voormalig president Laurent Gbagbo

Voormalig president Gbagbo[bewerken]

De vroegere president van Ivoorkust Laurent Gbagbo, in april 2011 gearresteerd nadat de burgeroorlog was beslecht in het voordeel van president Alassane Ouattara, is op 30 november 2011 aan het Strafhof uitgeleverd. Pas toen werd bekend dat het Hof op 23 november een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd had. Volgens het Hof was er reden om aan te nemen dat Gbagbo, samen met anderen, in de gewelddadige periode tussen 16 december 2010 en 2 april 2011 verantwoordelijkheid droeg voor vier misdaden tegen de menselijkheid, namelijk moord, verkrachting, vervolging en andere inhumane daden.[82] De verdediging van Gbagbo vocht de bevoegdheid van het Hof aan op grond van de stelling dat Ivoorkust de rechtsmacht van het Hof slechts aanvaard zou hebben voor in 2002 en 2003 gepleegde daden. Dit verweer werd zowel door de Eerste Preliminaire Kamer als door de Kamer van Beroep verworpen.

Simone Gbagbo[bewerken]

Op 22 november 2012 werd bekend dat het Strafhof al in februari 2012 ook een arrestatiebevel uitgevaardigd had tegen Simone Gbagbo, de vrouw van Laurent Gbagbo. Voor haar gold dezelfde beschuldiging: verantwoordelijkheid voor moord, verkrachting, vervolging en andere inhumane daden. Simone Gbagbo was samen met haar man al in april 2011 in Ivoorkust gearresteerd. Volgens het arrestatiebevel stond zij "ideologisch en beroepsmatig erg dicht bij haar echtgenoot" en was zij aanwezig bij alle vergaderingen in de periode waarin de misdrijven werden beraamd en bedreven.[83]

Eerste processen[bewerken]

Op 26 januari 2009 is het eerste proces van het Internationaal Strafhof begonnen. Dit betreft het proces tegen de Congolese rebellenleider Thomas Lubanga, verdacht van het ronselen en inzetten van kindsoldaten.[84]

Op 24 november 2009 ving vervolgens het proces aan tegen twee andere gedetineerde Congolese militieleiders, Germain Katanga en Mathieu Ngudjolo Chui.[85]

Het proces tegen Jean-Pierre Bemba is begonnen op 22 november 2010. Dit is de eerste keer dat voor het Strafhof verkrachting centraal staat als misdaad tegen de menselijkheid.[86]

Eerste vonnis[bewerken]

Het Strafhof kwam tot zijn eerste vonnis op 14 maart 2012. Thomas Lubanga werd door de Eerste Strafkamer schuldig bevonden aan medepleging van het werven en inzetten van kindsoldaten. Het proces, begonnen in januari 2009, had veel moeilijkheden gekend. Twee maal had het hof de zaak stilgelegd en de vrijlating van Lubanga gelast wegens vormfouten door de aanklager. Dit betrof het gebruik van vertrouwelijke documenten en gegevens over tussenpersonen die volgens de regels van het Hof ter inzage aan de verdediging hadden moeten worden gegeven. De aanklager had dit geweigerd om het leven van de betrokkenen niet in gevaar te brengen. Beide keren werd de zaak in hoger beroep opgelost.[87] Op 13 juni 2012 sprak aanklager Moreno-Ocampo zijn eis voor de straf uit: hij verzocht het Hof Lubanga 30 jaar gevangenisstraf op te leggen.[88] De strafoplegging volgde op 10 juli 2012. Het Hof legde Lubanga 14 jaar gevangenisstraf op, aanzienlijk minder dan de 30 jaar die de aanklager had gevraagd. Als motief hiervoor gaf het Hof dat Lubanga goed meegewerkt had en een respectvolle proceshouding getoond had. Een van de drie rechters van de strafkamer, Elizabeth Odio Benito, sprak in een minderheidsstandpunt uit dat 15 jaar opgelegd had moeten worden.[89]

Het Strafhof en de Verenigde Staten[bewerken]

Eind 2000 heeft president Bill Clinton ondanks Amerikaanse bezwaren namens de Verenigde Staten het statuut voor dit Strafhof ondertekend. Zijn opvolger, George W. Bush weigerde echter de ratificatieprocedure voort te zetten, met als belangrijkste argument dat het risico te groot was dat Amerikaanse politici of militairen voorwerp van politiek gemotiveerde vervolging zouden worden. Tijdens de regering-Bush hebben de Verenigde Staten veel actie ondernomen tegen het Internationaal Strafhof, onder andere via de American Servicemembers' Protection Act. Met een groot aantal landen sloten de VS overeenkomsten waarin deze landen op aandringen van de regering-Bush toezegden geen Amerikaanse staatsburgers aan het Strafhof uit te leveren.

In 2002 hebben de Verenigde Staten de Veiligheidsraad bewogen om uit te spreken dat het Internationaal Strafhof geen personeel dient te vervolgen van een VN-vredesmacht afkomstig uit landen die geen partij bij het Hof zijn. Resolutie 1422 die dit uitsprak gold één jaar, welke termijn in 2003 met een jaar verlengd werd door middel van resolutie 1487. In 2004 strandde echter een Amerikaanse poging om tot verdere verlenging te komen. In de Veiligheidsraad rezen te veel bezwaren als gevolg van het bekend worden van marteling van Iraakse gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis. De Verenigde Staten zagen vervolgens van verdere verlenging af. Het feit dat de Verenigde Staten zich in maart 2005 niet ertegen verzetten dat de Veiligheidsraad de situatie in Darfur, Soedan naar het Hof verwees (zie boven) markeerde een verdere verschuiving in de opstelling van dit land.

Regering-Obama[bewerken]

Onder de regering van president Barack Obama is dit nog veel markanter geworden. Vanaf november 2009 zijn de Verenigde Staten als waarnemer aanwezig bij de Vergadering van Verdragsstaten, het toezichthoudend orgaan van het Strafhof. De Amerikaanse bijzondere gezant voor oorlogsmisdaden, Stephen Rapp, verklaarde hierover: "Onze regering heeft besloten de banden met het Strafhof weer aan te halen." Hij zei verder dat zijn land zal onderzoeken hoe het met het Hof kan samenwerken "om er voor te zorgen dat het een effectief instrument is om mensen voor de rechter te brengen in gebieden waar daarvoor geen andere manieren bestaan". Rapp verklaarde overigens ook dat het nog vele jaren kan duren voordat de Amerikaanse regering het initiatief zal nemen om steun in het Congres te werven voor aansluiting bij het Hof door ratificatie van het statuut.[90]

In december 2010, toen het Hof dagvaardingen uitgebracht had tegen zes prominente figuren in Kenia, riep Obama in een verklaring alle Keniaanse leiders en het volk van Kenia op om volledige medewerking te geven aan het onderzoek van het Hof.[91] En toen de Veiligheidsraad op 26 februari 2011 besloot de situatie in Libië naar het Strafhof te verwijzen (zie boven), stemden de Verenigde Staten evenals alle veertien andere lidstaten vóór deze resolutie. Dit markeerde een nieuwe toenadering tussen dit land en het Hof.

Huisvesting[bewerken]

Het Internationaal Strafhof is voorlopig gevestigd in de Binckhorst in Den Haag, in een voormalig KPN-gebouw langs snelweg A12. Nederland betaalt de huur voor het gebouw, zo'n 6 miljoen euro per jaar.

Een eigen gebouw voor het Strafhof verrijst momenteel in Scheveningen op het terrein van de Alexanderkazerne aan de Van Alkemadelaan, waar op 16 april 2013 de ceremoniële eerste spaden de grond ingingen. In 2015 moet het IC het kunnen betrekken.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. ROME STATUTE OF THE INTERNATIONAL CRIMINAL COURT Het Statuut van het Internationaal Strafhof
  2. "Review Conference of the Rome Statute concludes in Kampala" persbericht Internationaal Strafhof, 12 juni 2010
  3. Strafhof mag 'agressors' vervolgen, NRC Handelsblad, 14 juni 2010
  4. The States Parties to the Rome Statute website Internationaal Strafhof
  5. Situation in Palestine website Internationaal Strafhof, 3 april 2012
  6. Ukraine accepts ICC jurisdiction over alleged crimes committed between 21 November 2013 and 22 February 2014 website Internationaal Strafhof, 17 april 2014
  7. Conventie van Wenen m.b.t het Verdragsrecht PDF, (artikel 18), website UN International Law Commission
  8. OTP response to communications received concerning Iraq website Internationaal Strafhof, 9 februari 2006
  9. OTP response to communications received concerning Venezuela website Internationaal Strafhof, 9 februari 2006
  10. Palestine website Internationaal Strafhof
  11. Petition urges Human Rights Council to act for international justice for Gaza conflict victims verklaring Amnesty International, 7 maart 2011
  12. ICC Prosecutor: alleged war crimes in the territory of the Republic of Korea under preliminary examination persbericht Internationaal Strafhof, 6 december 2010
  13. Prosecutor of the ICC opens an investigation into Northern Uganda Internationaal Strafhof, 29 juli 2004
  14. Statement by the Chief Prosecutor on the Uganda Arrest Warrants Internationaal Strafhof, 14 oktober 2005
  15. Internationale Strafhof houdt voet bij stuk, NRC Handelsblad, 5 maart 2008
  16. First arrest for the International Criminal Court, persbericht Internationaal Strafhof, 17 maart 2006.
  17. Second arrest: Germain Katanga transferred into the custody of the ICC, persbericht Internationaal Strafhof, 18 oktober 2007.
  18. Derde Congolees bij Strafhof, NRC Handelsblad, 7 februari 2008
  19. Warrant of arrest against Bosco Ntaganda unsealed, persbericht Internationaal Strafhof, 29 april 2008
  20. Congo conflict: 'The Terminator' lives in luxury while peacekeepers look on, theguardian, 5 februari 2010.
  21. Beruchte Congolese generaal Ntaganda geeft zich over nrc.nl. 18 maart 2013
  22. Callixte Mbarushimana arrested in France persbericht Internationaal Strafhof, 11 oktober 2010
  23. Rwanda offers rare praise to ICC over arrest of war crimes suspect Sudan Times (Soedan), 11 oktober 2010
  24. Mbarushimana before French courts Radio Netherlands Worldwide, International Justice Tribune, 2 november 2010
  25. The wider Implications of the Arrest of Callixte Mbarushimana in Paris ICCnow, 12 oktober 2010
  26. French Court approves Mbarushimana extradition The Hague Justice Portal, 3 november 2010
  27. Rwanda: France Charges Fdlr Leader With Genocide The New Times (Rwanda), 23 december 2010
  28. Rwandees moet naar Strafhof voor oorlogsmisdaden, NRC Handelsblad, 5 januari 2011
  29. Hutu Mbarushimana opgesloten in cel ICC De Telegraaf, 25 januari 2011
  30. Statement by ICC Prosecutor on transfer of Callixte Mbarushimana to the Hague persbericht Internationaal Strafhof, 25 januari 2011
  31. Pre-Trial Chamber I declines to confirm the charges against Callixte Mbarushimana and orders his release persbericht Internationaal Strafhof, 16 december 2011
  32. Callixte Mbarushimana is released from the ICC custody, persbericht Internationaal Strafhof, 23 December 2011
  33. Mbarushimana case: ICC Appeals Chamber rejects the Prosecution’s appeal persbericht Internationaal Strafhof, 30 mei 2012
  34. DRC situation: ICC issues an arrest warrant for Sylvestre Mudacumura persbericht Internationaal Strafhof, 13 juli 2012
  35. Internationaal Strafhof eist arrestatie Mudacumura in Congo nrc.nl 13 juli 2012
  36. Prosecutor opens investigation in the Central African Republic persbericht Internationaal Strafhof, 22 mei 2007
  37. Surrender of Jean-Pierre Bemba to the International Criminal Court persbericht Internationaal Strafhof, 3 juli 2008
  38. Beroep tegen vrijlating Bemba, NRC Handelsblad. 15 augustus 2009
  39. Bemba niet vrij op voorlopige basis, NRC Handelsblad, 2 december 2009
  40. V-raad: verdachten Darfur naar Strafhof, NRC Handelsblad, 1 april 2009
  41. Lijst van 51 Darfur-verdachten bij Strafhof, NRC Handelsblad, 6 april 2005
  42. Warrants of Arrest Internationaal Strafhof
  43. Soedan zet ngo`s uit na aanklacht, NRC Handelsblad 5 maart 2009
  44. Pre-Trial Chamber I issues a second warrant of arrest against Omar Al Bashir for counts of genocide persbericht Internationaal Strafhof, 12 juli 2010
  45. ICC reports Sudan to UN Security Council Radio Netherlands Worldwide, International Justice Tribune, 2 juni 2010
  46. Bahr Idriss Abu Garda arrives at the premises of the Court Internationaal Strafhof, 17 mei 2009
  47. Strafhof wil rebel uit Darfur niet vervolgen, NRC Handelsblad, 9 februari 2010
  48. Pre-Trial Chamber I rejects the Prosecutor’s application to appeal persbericht Internationaal Strafhof, 26 april 2010
  49. As Darfur rebel commanders surrender to the Court persbericht Internationaal Strafhof, 16 juni 2010
  50. Strafhof begint eerste proces om 'Darfur', NRC Handelsblad, 9 maart 2011
  51. Aanklager Strafhof wil Soedanese minister, NRC Handelsblad 3 december 2011
  52. The ICC issues a warrant of arrest for the Sudanese Minister Abdel Raheem Muhammad Hussein persbericht Internationaal Strafhof, 1 maart 2012
  53. Strafhof gaat zaak Kenia beginnen, NRC Handelsblad, 1 oktober 2009
  54. ICC judges grant the Prosecutor’s request to launch an investigation on crimes against humanity with regard to the situation in Kenya persbericht Internationaal Strafhof, 31 maart 2010
  55. Kenia: minister weg om corruptie, NRC Handelsblad, 4 januari 201i
  56. Kenya’s post election violence: ICC Prosecutor presents cases against six individuals for crimes against humanity persbericht Internationaal Strafhof, 15 december 2010
  57. Strafhof zet Keniaanse politiek onder grote druk, NRC Handelsblad, 15 december 2010
  58. Parlement Kenia: Strafhof koloniaal, NRC Handelsblad, 23 december 2010
  59. Kenya petitions UN organ to delay trials Daily Nation (Kenia) 10 februari 2011
  60. UN Security Council rejects Kenya's ICC deferral bid Africa Review (Kenia) 19 maart 2011
  61. Pre-Trial Chamber II confirms the admissibility of the two cases in the Kenyan situation persbericht Internationaal Strafhof, 30 mei 2011
  62. Pre-Trial Chamber II delivers six summonses to appear in the Situation in the Republic of Kenya persbericht Internationaal Strafhof, 9 maart 2011
  63. Statement on ICC Summons Verklaring van Uhuru Kenyatta op "Facebook", 9 maart 2011
  64. Summary of decision in the two Kenya cases website Internationaal Strafhof, 23 januari 2012
  65. Strafhof vervolgt vier hoge Kenianen, NRC Handelsblad, 23 januari 2012
  66. UN orders Libya sanctions Aljazeera, 27 februari 2011
  67. ICC Prosecutor to open an investigation in Libya verklaring aanklager 2 maart 2011
  68. Ocampo klaagt Gaddafi aan, NRC Handelsblad 3 maart 2011
  69. Situation in the Libyan Arab Jamahiriya assigned to Pre-trial Chamber I persbericht Internationaal Strafhof, 7 maart 2011
  70. Aanklager ICC wil arrestatiebevelen Libiërs Nu.nl, 4 mei 2011
  71. Aanklager Strafhof vraagt om arrestatiebevel tegen Gaddafi nrc.nl 16 mei 2011
  72. Pre-Trial Chamber I issues three warrants of arrest for Muammar Gaddafi, Saif Al-Islam Gaddafi and Abdualla Al-Senussi persbericht Internationaal Strafhof, 27 juni 2011
  73. Pre-Trial Chamber I orders the termination of the case against Muammar Gaddafi persbericht Internationaal Strafhof, 22 november 2011
  74. Course of action before the ICC following the arrest of the suspect Saif Al Islam Gaddafi in Libya persbericht Internationaal Strafhof, 23 november 2011
  75. Postponement of the execution of the request for surrender of Saif Al-Islam Gaddafi to the ICC persbericht Internationaal Strafhof, 1 juni 2012
  76. Strijd om berechting steunpilaar Gaddafi, NRC Handelsblad, 19 maart 2012
  77. Ex-Gaddafi spy chief al-Senussi 'charged' in Mauritania BBC News, 21 mei 2012
  78. Statement by ICC Prosecutor Luis Moreno-Ocampo on the situation in Côte d’Ivoire persbericht Internationaal Strafhof, 21 december 2010
  79. Widespread or systematic killings in Cote d’Ivoire may trigger OTP investigation verklaring aanklager 6 april 2011
  80. Aanklager Strafhof wil onderzoek bloedbad Ivoorkust de Gelderlander, 5 april 2011
  81. ICC Pre-Trial Chamber III authorises the Prosecutor to launch an investigation in Côte d’Ivoire persbericht Internationaal Strafhof, 3 oktober 2011
  82. Ivoorkust levert Gbagbo uit aan Strafhof, NRC Handelsblad, 30 november 2011
  83. Internationaal Strafhof wil ook vrouw Gbagbo, NRC Handelsblad, 24 november 2012
  84. Start strafhof mijlpaal voor het recht, de Volkskrant, 26 januari 2009
  85. Tweede proces bij Strafhof, NRC Handelsblad, 24 november 2009
  86. Verkrachting wordt oorlogsmisdaad, NRC Handelsblad, 22 november 2010
  87. Strafhof toont voor het eerst zijn tanden, NRC Handelsblad, 14 maart 2012
  88. ICC Prosecutor’s address on the sentencing of Thomas Lubanga persbericht Internationaal Strafhof, 13 juni 2012
  89. Thomas Lubanga Dyilo sentenced to 14 years of imprisonment persbericht Internationaal Strafhof, 10 juli 2012
  90. VS zullen zitting Strafhof bijwonen, NRC Handelsblad, 17 november 2009
  91. Statement by President Obama on the International Criminal Court announcement website Witte Huis, 15 december 2010