Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Staten die het verdrag hebben ondertekend (lidstaten van de Raad van Europa).

Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is een Europees verdrag waarin mensen- en burgerrechten voor alle inwoners van de verdragsluitende staten zijn geregeld. Het verdrag is opgesteld in 1950 in navolging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Sindsdien is het uitgebreid met 14 protocollen. Het EVRM verbiedt onder andere het opleggen van de doodstraf (althans, in het zesde Protocol). Het toezicht op de naleving van het EVRM ligt bij de Raad van Europa.

Met name de invoering van het elfde protocol in 1998 was ingrijpend. Tot 1998 was het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alleen geldig in landen die het verdrag hadden geratificeerd. Sinds 1998 is het verdrag bindend voor alle lidstaten van de Raad van Europa. Ratificatie van de EVRM geldt als noodzakelijke voorwaarde om lid te kunnen worden van de Raad van Europa en overigens ook om lid te kunnen worden van de Europese Unie.

Directe werking[bewerken]

In Nederland, België en Frankrijk heeft het verdrag directe werking: de desbetreffende rechterlijke macht moet alle wetgeving en bestuur direct aan het EVRM toetsen (Art. 94 Grondwet, NL; Art. 34 Grondwet en het Smeerkaasarrest, BE; Art. 55 Const., FR). In andere lidstaten kan dit anders liggen. Duitsland kent bijvoorbeeld geen directe werking toe aan internationaal recht, zodat dit alvorens het in de Duitse rechtsorde in werking kan treden, eerst moet worden omgezet door middel van een Bondswet (Bundesgesetz). Het EVRM is in Duitsland omgezet bij Bondswet van 7 augustus 1952.[1] Omdat het EVRM in Duitsland gelding heeft als (gewone) Bondswet heeft bijvoorbeeld het Duitse Grundgesetz altijd voorrang. Wanneer dit niet overeenstemt met het EVRM dan is de Duitse staat in gebreke. In Nederland heeft het EVRM een belangrijker functie, omdat het hier niet is toegestaan om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet. Als in Nederland een wet bijvoorbeeld in strijd is met het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting, dan is geen beroep op art. 7 van de Nederlandse Grondwet mogelijk, maar wel een beroep op art. 10 EVRM. Het EVRM is ook moderner van opzet, in die zin dat de Nederlandse grondwet elke uitzondering "bij wet" toestaat, terwijl het EVRM precies vermeldt in welke gevallen uitzonderingen mogen worden gemaakt (want grondrechten zijn maar zelden absoluut).

Die directe werking in Nederland brengt met zich mee dat personen in Nederland bij de rechter tegen beslissingen van de overheid ook bepalingen uit het EVRM kunnen inroepen, zoals een vreemdeling bij een dreigende uitzetting kan wijzen op artikel 3 EVRM indien het een land betreft waar voor diegene gevaar dreigt of geen menswaardig bestaan te verwachten valt, of op artikel 8 EVRM indien een "gescheiden uitzetting" dreigt, dat wil zeggen van iemand met gezinsleden in Nederland die niet met hem of haar zouden kunnen meereizen.

Voorbeeld van een geval waarin met succes een dergelijk beroep werd gedaan, is het vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam in een vreemdelingenzaak d.d. 17 juni 2008 (LJN: BD7253). Daarin werd de uitzetting van een wegens (drugs-)criminaliteit ongewenst verklaarde Marokkaan belet, doordat zijn Nederlandse echtgenote en dochter niet in Marokko zouden kunnen aarden indien zij hem zouden moeten volgen. De rechtbank was van oordeel dat er in dit geval sprake is van onoverkomelijke dan wel significante belemmeringen om het gezinsleven in eisers land van herkomst uit te oefenen. Afweging van al deze belangen leidde tot de conclusie dat het besluit tot ongewenstverklaring was genomen in strijd met artikel 8 van het EVRM. Overigens werd betreffende uitspraak gedaan nadat de eiser al in oktober 2007 was uitgezet naar Marokko.

De arresten van het EHRM inzake Boultif vs. Zwitserland (JV 2001/254) en Üner vs. Nederland (JV 2005/305) m.b.t. art. 8 EVRM bieden in zulke gevallen aanknopingspunten voor die belangenafweging.

In de zaak Boultif heeft het EHRM een aantal guiding principles geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het onderzoek naar de vraag of een maatregel van uitzetting noodzakelijk is in een democratische samenleving.

In de zaak Üner heeft het EHRM toegevoegd de belangen en het welzijn van de kinderen, met name de ernst van de moeilijkheden die de kinderen in het land van herkomst tegemoet gaan.

Beroep op Europees Hof[bewerken]

Indien burgers menen dat hun rechten voortkomend uit het EVRM door hun overheid worden geschaad, kunnen ze ook eventueel een procedure aanspannen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarvan de statuten ook in het EVRM zijn vastgelegd. Het hof zetelt in Straatsburg en hanteert als officiële talen alleen Engels en Frans. Het moet niet worden verward met het Europees Hof van Justitie in Luxemburg.

De nationale rechtsmiddelen moeten echter uitgeput zijn voordat men zich tot Straatsburg wendt, want er moet eerst tot aan de hoogst mogelijke rechterlijke instantie zijn geprocedeerd zonder resultaat. Dit komt echter nauwelijks voor. De burger kan immers een beroep doen op het EVRM, aangezien het algemeen verbindende rechtsbepalingen zijn, zodat de rechter het beroep op het EVRM zal accepteren en toepassen.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet regelmatig ophefmakende uitspraken. Voor België kan men bijvoorbeeld het arrest-Taxquet vermelden.

Inhoud[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens op Wikisource