Hoge Raad der Nederlanden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gebouw van de Hoge Raad aan het Lange Voorhout in Den Haag

De Hoge Raad der Nederlanden (kortweg: Hoge Raad), van 1811 tot 1838 Hooggerechtshof der Verenigde Nederlanden genoemd, is de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op civielrechtelijk, strafrechtelijk en belastingrechtelijk gebied. De Hoge Raad zetelt in Den Haag en is belast met het toezicht op de rechtseenheid en rechtsontwikkeling van het Nederlandse recht. Een rechter van de Hoge Raad wordt, ongeacht of het nu gaat om een man of vrouw, een raadsheer genoemd.

Taken[bewerken]

De wettelijke opdracht aan de Hoge Raad is het beantwoorden van vragen in het belang van de ontwikkeling en de eenheid van het recht. Daarnaast doet de Hoge Raad aan rechtsbescherming door in te grijpen als lagere rechters fouten maken of hun oordelen niet voldoende motiveren. De Hoge Raad der Nederlanden is de hoogste rechter in Nederland voor het civiele recht, het strafrecht en het belastingrecht. De civiele kamer van de Hoge Raad behandelt ook wel zaken, die in de rechtswetenschap eerder tot het staatsrecht of het bestuursrecht worden gerekend bijvoorbeeld op het gebied van ruimtelijke ordening, onteigening of gedwongen opnames. Voor het civiele recht en het strafrecht is de Hoge Raad eveneens de hoogste rechter in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De Hoge Raad is geen herkansing voor wie geen gelijk heeft gekregen bij de lagere rechters. De Hoge Raad kan alleen vragen beantwoorden die relevant zijn voor de ontwikkeling en de eenheid van het recht of ingrijpen bij een onbegrijpelijk oordeel van de rechter. Lagere rechters richten zich naar de uitspraken van de Hoge Raad. Vooral als de wetgever 'open normen' gebruikt, zijn de uitspraken van de Hoge Raad daarom bepalend voor de vormgeving van het recht.

Het parket bij de Hoge Raad geeft rechtsgeleerde adviezen (conclusies) aan de Hoge Raad. In de conclusies wordt relevante rechtspraak, literatuur en wetsgeschiedenis uitgebreid belicht. De conclusie eindigt met een voorstel aan de Hoge Raad. De conclusie wordt doorgaans gevolgd. Het parket is onafhankelijk en wordt geleid door de procureur-generaal. De conclusies worden door de advocaten-generaal (AG’s) namens de procureur-generaal genomen. De raadsheren van de Hoge Raad en de advocaten-generaal (AG's) van het parket bij de Hoge Raad worden in hun werkzaamheden ondersteund door het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad. De ondersteuning door het wetenschappelijk bureau (WB) bestaat uit het analyseren van dossiers, verzamelen van relevante literatuur en jurisprudentie en het voorbereiden van concepten. Raadsheren, AG's en wetenschappelijk medewerkers van de Hoge Raad moeten aan zeer hoge kwaliteitseisen voldoen.

Cassatie[bewerken]

Partijen die het niet eens zijn met een uitspraak van de rechtbank kunnen hoger beroep aantekenen bij het gerechtshof. Wanneer vervolgens de uitspraak in hoger beroep niet bevredigend is, kan men in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad neemt kennis van uitspraken van lagere rechters die betrekking hebben op het civiele recht (Eerste kamer), het strafrecht (Tweede kamer) en het belastingrecht (Derde kamer). De lagere rechters (gerechtshof en rechtbank) houden zich in beginsel aan de door de Hoge Raad gegeven interpretatie van een wettelijke bepaling. Het is in het Nederlandse stelsel mogelijk dat de Hoge Raad terugkomt van een eerder gegeven beslissing. De Hoge Raad zal echter nimmer lichtvaardig "omgaan", want zijn uitspraken dienen er nu juist bij uitstek voor om de rechtseenheid te bevorderen. In sommige gevallen is het echter (vrijwel) onvermijdelijk dat de Hoge Raad zijn oordeel aan gewijzigde maatschappelijke omstandigheden en opvattingen aanpast. De Hoge Raad kan, afgezien van de mogelijkheid een eiser niet-ontvankelijk te verklaren, in zijn uitspraken (arresten en beschikkingen) het beroep verwerpen of de bestreden uitspraak vernietigen. In het laatste geval wordt de zaak terugverwezen naar een lagere rechter (als regel een gerechtshof, meestal een ander dan dat welke de zaak eerder heeft behandeld) die de zaak opnieuw moet behandelen en beslissen. De Hoge Raad kan bij vernietiging soms ook zelf de zaak afdoen. Bij verwerping van het beroep houdt de Hoge Raad het vonnis van de lagere rechter in stand.

Prejudiciële vragen[bewerken]

Rechters kunnen sinds 1 juli 2012 prejudiciële vragen stellen aan de civiele kamer van de Hoge Raad. Dit zijn vragen van een rechter aan de Hoge Raad over de uitleg van een rechtsregel. Daaraan kan bijvoorbeeld behoefte bestaan als de Hoge Raad over die vraag niet eerder heeft beslist. Het gaat om vragen die zich voordoen in een concrete zaak die in behandeling is. Het antwoord op de vraag moet nodig zijn voor het nemen van een beslissing in een zaak en dezelfde vraag moet aan de orde zijn in een groot aantal samenhangende zaken; bijvoorbeeld een massavordering. Doel van deze nieuwe mogelijkheid is dat zaken sneller definitief worden afgedaan. Een prejudiciële vraag wordt gesteld in een vonnis dat gepubliceerd wordt op rechtspraak.nl.

Cassatie in het belang der wet[bewerken]

De Hoge Raad kan in het belang der wet beslissen op cassatie ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Cassatie in het belang der wet is mogelijk wanneer partijen niet zelf tegen een uitspraak in cassatie gaan, maar de procureur-generaal de aan de orde zijnde rechtsvraag belangrijk genoeg vindt om daarover een uitspraak van de Hoge Raad te krijgen. Cassatie in het belang der wet wordt ingesteld als het gaat om actuele rechtsvragen of rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid. Een arrest van de Hoge Raad waarin een uitspraak van de lagere rechter in het belang der wet wordt gecasseerd, heeft geen gevolgen voor partijen, die bij de uitspraak waren betrokken.

Eerste aanleg[bewerken]

De Hoge Raad is het college waarvoor de leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen moeten terechtstaan wegens ambtsmisdrijven - misdrijven in hun hoge betrekkingen - die zij hebben gepleegd. Ook na hun aftreden kunnen deze hoge ambtsdragers voor de Hoge Raad ter verantwoording worden geroepen. Strafrechtelijke vervolging voor deze ambtsmisdrijven is slechts mogelijk als de Tweede Kamer (bij meerderheid) of de regering hiertoe besluit, waarna de procureur-generaal bij de Hoge Raad vervolging instelt. Hij is verplicht deze vervolging in te stellen: het opportuniteitsbeginsel geldt hier niet. Overigens is een dergelijke procedure wegens ambtsmisdrijven in Nederland nog nooit voorgekomen. De vierde kamer van de Hoge Raad beslist ook in eerste aanleg over de vraag of een rechter moet worden geschorst of ontslagen. Alle rechters worden in Nederland voor het leven benoemd. Deze regel is opgenomen in artikel 117 van de Grondwet en waarborgt de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De regel zorgt ervoor dat de rechter onafhankelijk zijn werk kan doen zonder het risico te lopen door regering of parlement te worden ontslagen. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalt echter dat rechters niet ouder mogen zijn dan 70. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan bovendien een vordering indienen tot schorsing of ontslag indienen bij de Hoge Raad (art. 111 Wet op de rechterlijke organisatie). Een rechter kan door de Hoge Raad worden ontslagen wanneer hij lichamelijk of geestelijk niet meer in staat is zijn werk te doen, voor een misdrijf is veroordeeld of ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen. Een rechter kan ook worden ontslagen vanwege ongeschiktheid. Dit is zeer uitzonderlijk. In 2009 werd echter een vrouwelijke rechter door de Hoge Raad ontslagen vanwege een gebrek aan besluitvaardigheid, veelvuldige afwezigheid, onzekerheid bij zittingen, werktempo en problemen in de privésfeer, die haar functioneren als rechter in de weg stonden. De Hoge Raad overwoog echter dat de inhoud of kwaliteit van de uitspraken, die deze rechter had gedaan, geen rol had gespeeld bij het ontslag.

Samenstelling[bewerken]

Leden van de Hoge Raad worden benoemd bij Koninklijk Besluit uit een voordracht van drie personen (artikel 117, eerste lid, Grondwet). Bij de benoeming van een Raadsheer in de Hoge Raad geldt de volgende procedure. De Hoge Raad stelt ten behoeve van de Tweede Kamer een aanbevelingslijst samen van zes personen (artikel 1e lid 4 van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Ambtenaren). Op basis van deze aanbevelingslijst maakt de Tweede Kamer een lijst met drie kandidaten op die geldt als een bindende voordracht voor de regering (artikel 118 Grondwet). De voorgedragen personen staan op de door de Tweede Kamer opgemaakte lijst in volgorde van voorkeur.

In het verleden, met name in de negentiende eeuw kwam het met enige regelmaat voor dat de Tweede Kamer afweek van de door de Hoge Raad voorgestelde lijst. In de recente geschiedenis werd in het parlement nauwelijks aandacht aan de benoemingen besteed. De benoeming van Buruma in 2012 leidde echter tot bezwaren van de PVV en de voordracht van Aben werd zelfs ingetrokken nu verschillende politieke partijen zorgen hadden geuit over zijn stellingname rondom de wraking in het proces Wilders. De regering benoemt in de praktijk echter meestal simpelweg de eerstvoorgedragene door de Tweede Kamer. De benoeming bij de Hoge Raad vindt in feite daarom plaats door middel van coöptatie. Dat wil zeggen dat de reeds benoemde leden van de Hoge Raad bepalen wie voor de benoeming in aanmerking komt. Een raadsheer in de Hoge Raad wordt benoemd voor het leven. Op eigen verzoek of uiterlijk na het bereiken van de leeftijd van 70 jaar zal een raadsheer defungeren.

De Hoge Raad bestaat uit:

  • 1 president
  • ten hoogste 7 vicepresidenten
  • ten hoogste 30 raadsheren
  • ten hoogste 15 raadsheren in buitengewone dienst

De leden van de Hoge Raad zijn verdeeld naar rechtsgebied, over vier kamers.

Sinds 1 november 2008 is Geert Corstens de president van de Hoge Raad.

De samenstelling van de Hoge Raad is als volgt: (bijgewerkt tot januari 2013)[1]

Eerste of civiele kamer:

mr. E.J. Numann, vicepresident mr. F.B. Bakels, vicepresident mw. mr. A.M.J. van Buchem-Spapens mr. C.A. Streefkerk mr. A.H.T. Heisterkamp mr. M.A. Loth mr. C.E. Drion mr. G. Snijders mr. M.V. Polak mw. mr. G. de Groot

Tweede of strafkamer:

mr. W.A.M. van Schendel, vicepresident mr. A.J.A. van Dorst, vicepresident mr. G.J.M. Corstens, president Hoge Raad jhr. mr. B.C. de Savornin Lohman mr. J. de Hullu mw. mr. H.A.G. Splinter-Van Kan mw. mr. W.F. Groos mr. Y. Buruma mr. J. Wortel mr. N. Jörg mr. V. van den Brink mr. J.P. Balkema (in buitengewone dienst) mr. J.W. Ilsink (in buitengewone dienst)

Derde of belastingkamer:

mr. J.W. van den Berge, vicepresident mr. J.A.C.A. Overgaauw, vicepresident mr. D.G. van Vliet mr. C.B. Bavinck mw. mr. E.N. Punt mr. C. Schaap mr. M.W.C. Feteris mr. C.H.W.M. Sterk mr. P.M.F. van Loon mr. M.A. Fierstra mr. R.J. Koopman mr. Th. Groeneveld mw. mr. A.E.M. van der Putt-Lauwers (in buitengewone dienst) mr. P. Lourens (in buitengewone dienst)

Vierde of ombudskamer:

De bezetting van deze kamer wordt samengesteld uit leden van de eerste, tweede en derde kamer, waarbij de president van de Hoge Raad als voorzitter optreedt.

Griffier[bewerken]

De Hoge Raad heeft altijd een griffier. De griffier treedt op als secretaris voor het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur. Vanaf het feitelijke begin in 1883 tot het aantreden van de huidige griffier (mr. J. Storm) heeft de Hoge Raad 13 griffiers gekend. Jhr mr W.J.C.M. van Nispen tot Sevenaer, vervulde die functie ruim twintig jaren (van 1981 tot 2002).

Parket[bewerken]

Het parket bij de Hoge Raad der Nederlanden wordt gevormd door de procureur-generaal en de advocaten-generaal (niet te verwarren met het parket-generaal bij het Openbaar Ministerie). De procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad behoren niet tot het Openbaar Ministerie.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad is hoofd van het Parket dat onafhankelijk advies geeft aan de Hoge Raad. Hij wordt als enig lid van de staande magistratuur voor het leven (tot 70 jaar) aangesteld, omdat hij mede belast is met de vervolging van ambtsmisdrijven. Het parket bestaat uit advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren door middel van conclusies. Dit zijn onafhankelijke adviezen over bij de Hoge Raad aanhangige procedures in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Een conclusie van een advocaat-generaal, wordt genomen voordat de Hoge Raad zich in een arrest over de zaak uitlaat. In civiele en strafzaken wordt altijd een conclusie genomen. In belastingzaken wordt uitsluitend geconcludeerd indien een advocaat-generaal de Hoge Raad te kennen heeft gegeven dat hij wil worden gehoord.

Wetenschappelijk Bureau[bewerken]

De raadsheren in de Hoge Raad en de advocaten-generaal (AG's) van het parket bij de Hoge Raad worden ondersteund door het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad. De ondersteuning door het wetenschappelijk bureau (WB) bestaat uit het analyseren van dossiers & het verzamelen van relevante literatuur en -jurisprudentie en het maken van concepten. Medewerkers voor de raad mogen bij de beraadslagingen over de door hen voorbereide zaken aanwezig zijn.

Verhouding met de wetgever[bewerken]

De Nederlandse wetgever gaat regelmatig over tot het overnemen van regels, die zijn ontwikkeld door de Hoge Raad. Men spreekt dan van codificatie van rechtspraak. Ingewikkelde leerstukken zoals de onrechtmatige daad zijn ontwikkeld in de arresten van de Hoge Raad en vervolgens neergelegd in de wet. Dit is een bijzondere manier van rechtsvorming. Naast complexe leerstukken zijn ook bijzondere normen zoals de straffeloze toepassing van euthanasie door artsen ontwikkeld door de Hoge Raad en vervolgens opgenomen in wetgeving. Het komt ook voor dat de Hoge Raad overweegt dat hem gevraagd wordt om uitspraken te doen, die zijn rechtsvormende taak te buiten zou gaan. De Hoge Raad kan bijvoorbeeld niet afwijken van de Nederlandse wet. Wel moet de Hoge Raad grondrechten toepassen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of andere internationale verdragen, die in bijzondere gevallen meebrengen dat gevolgen van Nederlandse wetten door de rechter beperkt moeten worden. Het komt weinig voor dat de wetgever juist kiest om wetten te maken, die afwijken van de rechtspraak van de Hoge Raad. In 2011 is echter een wet aangenomen, die direct inging tegen een uitspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad had toen overwogen dat er volgens de wet geen belasting mag worden geheven op documenten, die de Staat verplicht stelt. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat de identiteitskaart verplicht is en daarom gratis moet worden verstrekt. Kort na deze uitspraak werd een noodwet aangenomen om te zorgen dat de Staat toch geld kon blijven vragen voor de kaart.

De Hoge Raad der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de Duitse bezetting bleef de Hoge Raad in functie. In november 1940 schorste de bezetter de voorzitter, mr. L.E. Visser, wegens zijn Joodse afkomst, maar Vissers collega's protesteerden niet; hij werd door de rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart per 1 maart 1941 ontslagen en vervangen door Johannes van Loon (1888–1975). De achterblijvende leden tekenden ook de veroordeelde ariërverklaring, waarmee zij voor de gehele rechterlijke macht een negatief uitwerkend voorbeeld van compromittering stelden.

Na de bevrijding verweet men de raad een slappe en legalistische houding. De raad wenste vooral de continuïteit van de rechtspraak en de rechtsvorming te garanderen en zich politiek niet te profileren. De kansen die er waren om zich principieel op te stellen tegenover de Duitsers werden grotendeels gemist. Men vergat een moreel voorbeeld te zijn of was er niet toe in staat.[2] Dat kwam mede door het zogenaamde 'Toetsingsarrest' (HR 12 januari 1942, NJ 1942/271), waarin de Hoge Raad besliste dat de Nederlandse rechter de verordeningen van de bezetter niet mocht toetsen aan internationaal recht, met name niet aan het landoorlogreglement van 1907. Hierbij volgde de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal mr. A. Rombach. Het arrest betrof een zaak waarin een man wegens een "economisch delict" (kopen van varkensvlees zonder geldige bonnen) door de economische strafrechter veroordeeld was. De raadsman van de verdachte, de advocaat mr. P. Groeneboom, betoogde in zijn pleidooi voor de Hoge Raad op 27 oktober 1941 dat de rechter de bevoegdheid heeft verordeningen van de bezetter te toetsen aan het Landoorlogreglement, het decreet van de Führer en de eerste verordening van de rijkscommissaris. Met de ontkenning door de Hoge Raad (in het arrest van 12 januari 1942) van de mogelijkheid om de regels die uitgevaardigd worden door de nationaal-socialistische overheerser te toetsen, sloot Nederland aan bij wat ook in Duitsland en Italië de regel was. Hitler had op basis van twee noodmaatregelen de bevoegdheid onaantastbare wetten uit te vaardigen en de rechterlijke macht erkende zijn eigen onbevoegdheid om ‘politieke’ maatregelen te toetsen, waarbij ‘politiek’ datgene was wat de politieke instanties als politiek beschouwen. In Italië erkende het Hof van Cassatie de vrije verordenende bevoegdheid van Mussolini en de onbevoegdheid van de rechter die te controleren.[3] Meihuizen zegt hierover in [4], p. 85: "Een uitspraak met verstrekkende gevolgen, omdat hiermee de advocatuur de pas werd afgesneden om de vraag naar geldigheid van wetgeving die door of vanwege de bezetter was uitgevaardigd, aan de rechter voor te leggen.".

De Hoge Raad verdedigde deze uitspraak naderhand door te stellen dat de Duitsers toetsing nooit zouden accepteren en mogelijk vergaand zouden hebben ingegrepen in de rechterlijke macht, waardoor de rechtsbescherming van de burgers nog verder achteruit zou zijn gegaan. Deze verdediging klinkt echter niet erg overtuigend, zie [2]

De zetel van de Hoge Raad is in 1943 tijdelijk verplaatst van Den Haag naar Nijmegen. Bij de bevrijding van Nijmegen in september 1944 leverde dit de frappante situatie op dat de zetel zich weliswaar in bevrijd gebied bevond, maar dat de meeste raadsheren zich nog in bezet gebied bevonden. Van een zuivering kwam niet veel terecht, juristen die met de bezetter hadden gecollaboreerd behielden in het algemeen hun functie of kregen belangrijke andere functies. Een cruciale rol in de behandeling van deze kwesties werd gespeeld door mr. Donner, die in 1946 voorzitter van de Hoge Raad werd.[2]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. www.rechtspraak.nl Samenstelling van de Hoge Raad
  2. a b c Corjo Jansen en Derk Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Boom, Amsterdam, 2011.
  3. Derk Venema, Rechters in oorlogstijd: De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal socialisme en bezetting, Boom, Amsterdam, 2007.
  4. Joggli Meihuizen, Smalle Marges. De Nederlandse advocatuur in de Tweede Wereldoorlog, Boom, Amsterdam, 2010.
Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Categorie:Arrest van de Hoge Raad der Nederlanden op de Nederlandstalige Wikisource.