Legaliteitsbeginsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het legaliteitsbeginsel of nulla poena-beginsel houdt in dat een persoon alleen gehouden kan worden aan wetsbepalingen die al bestonden op het moment dat die persoon datgene doet waarop die wet betrekking heeft. Het voorkomt dat de wetgever met terugwerkende kracht regels kan opleggen. Het beginsel wordt beschouwd als een essentieel onderdeel van de rechtsstaat.

Het beginsel (in strafrechtelijke zin) wordt aan de Duitse strafrechtgeleerde P.J. Anselm von Feuerbach (1755–1833) toegeschreven. Hij omschreef het 1801 voor het eerst in het Latijn als nullum crimen, nulla poena sine praevia lege poenali (geen delict, geen straf, zonder voorafgaande strafbepaling). De korte versie ervan luidt "nulla poena sine lege" (geen straf zonder wet).

De Nederlandse Wet algemene bepalingen bepaalt in artikel 4:

De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geen terugwerkende kracht.

Aspecten van het legaliteitsbeginsel[bewerken]

Er zijn een aantal aspecten aan het legaliteitsbeginsel te onderscheiden. Naast de noodzaak van een vooraf bekende strafbepaling is hierboven al behandeld onder nulla poena sine lege praevia. Daarnaast is volgens sommigen omwille van de rechtszekerheid geboden dat de strafbepaling ook op schrift staat: nulla poena sine lege scripta (geen straf zonder geschreven wet). Daarnaast acht men het van belang dat de strafbepaling door de wetgever voldoende precies wordt vastgesteld: nulla poena sine lege certa (geen straf zonder zekere wet). Dit lex certa-principe, dat in het Duits ook wel Bestimmtheitsgebot wordt genoemd, is met name in het strafrecht van groot belang. Ook pleit men voor een strakke interpretatie van strafbepalingen door de rechter: nulla poena sine lege stricta (geen straf zonder strikte wet). Dit houdt in dat het niet toegestaan is straf op te leggen naar analogie: bijvoorbeeld de strafmaat van moord hanteren voor iets dat geen moord is, maar wel minstens zo erg als moord. En tenslotte het beginsel dat uit nulla poena zelf voortvloeit, namelijk dat de strafmaat en de strafsoort niet mag uitstijgen boven hetgeen de wet toestaat. Voor de interpretatie van het begrip "prescribed by law" hanteert het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het criterium van "foreseeability and accessibility". Ook hierin zijn twee aspecten van het legaliteitsbeginsel vervat.

Reikwijdte van het legaliteitsbeginsel[bewerken]

In meer algemene zin wordt in het staatsrecht aan het legaliteitsbeginsel de betekenis toegeschreven dat overheidshandelen ten gevolge waarvan een of meerdere burgers zichzelf rechtens of feitelijk in hun vrijheid of eigendomsrecht beperkt zien, op een (grond)wettelijke grondslag dient te berusten. Discussie bestaat over de vraag of ook puur presterend overheidsoptreden, dat wil zeggen optreden dat burgers niet direct in hun vrijheid of eigendom beperkt, op een dergelijke grondslag moet berusten. Het legaliteitsbeginsel speelt een rol in alle rechtsgebieden, maar vooral in het strafrecht.

Strafrecht[bewerken]

In het strafrecht betekent het legaliteitsbeginsel (hier ook wel nulla poena beginsel genoemd), dat een gedraging alleen strafbaar kan zijn als er op het moment van plegen een wet bestond die de gedraging strafbaar stelde. Met andere woorden, een daad kan niet met terugwerkende kracht strafbaar gemaakt worden.

Voor het strafprocesrecht geldt een voor dat rechtsgebied gedifferentieerd legaliteitsbeginsel. Art. 1 WvSv bepaalt dat "Strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien". "Bij de wet voorzien" moet heel strikt worden geïnterpreteerd. In het Muilkorf-arrest is bepaald dat alleen in formele wetten (wetten genomen door Staten-Generaal en regering tezamen) strafvorderlijke bevoegdheden mogen worden geschapen (attributie). In het materiële strafrecht kunnen strafbepalingen zich ook in lagere wetgeving "bevinden". Een voorbeeld zijn APV's afkomstig van de gemeenteraad, die met ten hoogste 3 maanden hechtenis kunnen worden bedreigd. (Art. 154 Gemeentewet) Alleen de straf zelf dient in een formele wet te zijn geformuleerd.

Nederlands Wetboek van Strafrecht: Artikel 1.

  • Lid 1: "Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling".
  • Lid 2: "Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast".

Dit beginsel voorkomt dat een rechter bijvoorbeeld zou zeggen "Wat de verdachte heeft gedaan, is even erg als moord, daarom veroordeel ik hem voor moord, ook al komt het niet letterlijk overeen met wat er in de wet staat". Ook in een situatie waarin de publieke opinie geschokt is (omdat iemand bijvoorbeeld op televisie zegt dat hij een politieke tegenstander dood wenst) kan men niet achteraf een wet aannemen die dat strafbaar stelt, en de dader dan alsnog berechten.

Het omgekeerde is wel mogelijk. Als de strafbaarheid van een delict is opgeheven of verlaagd tussen het moment van plegen en het moment waarop iemand voor die daad vervolgd wordt, moet de verdachte ongestraft blijven, respectievelijk de lagere straf worden opgelegd.

In België bepaalt artikel 2 van het Strafwetboek dat geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren bepaald voordat het misdrijf werd gepleegd. De Belgische Grondwet bepaalt in artikel 14 dat geen straf kan worden ingevoerd dan krachtens een wet.

In Nederland is dit beginsel zoals gezegd vastgelegd in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 16 van de Grondwet.

Het beginsel is ook vastgelegd in artikel 7 van het E.V.R.M., en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

Vermeldenswaard is ook het tweede lid van art 7 van het E.V.R.M. dat op het eerste gezicht in tegenspraak is met het legaliteitsbeginsel: "dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde van het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend." In plaats van een wettelijke bepaling stelt artikel 7 dat ook een voorafgaand rechtsbeginsel rechtsgrond kan zijn voor het opleggen van straf. Dit maakt het mogelijk dat oorlogsmisdadigers berecht kunnen worden, zelfs zonder dat er een uitdrukkelijke wettekst bestaat die oorlogsmisdaden bestraft.

Dit beginsel is eigenlijk een onderdeel van de idee dat een bestraffing alleen gerechtvaardigd kan zijn, als iemand wist of had kunnen weten dat wat hij of zij deed verkeerd was en die persoon de keuze had het wel of niet te doen. Iemand kan niet weten, wat er in de toekomst voor regels worden gesteld.

Voorbeelden waarin het beginsel speelt zijn onder andere:

  • Het Elektriciteit-arrest, gewezen in een tijd waarin discussie heerste of aftappen van elektriciteit diefstal was; in dit arrest wordt onder meer overwogen dat een handeling die 'evident strafwaardig' is, onder bepaalde voorwaarden ook zonder expliciet wettelijk verbod bestraft mag worden.
  • De processen van Neurenberg. De verdachten werden vervolgd voor handelingen waar het nationale en internationale recht toentertijd nog geen sancties aan verbonden. Zij deden, volgens hun advocaten, slechts wat hen van hogerhand was opgedragen; dit verweer baatte hen niet.
  • Stalking was vóór 2000 niet strafbaar, omdat er geen wet was die dit bepaalde. Wie gestalkt werd kon hier dus bijna niets tegen ondernemen.
  • In 2004 ontstond enige opschudding nadat een man die was betrapt op het hebben van seks met een pony werd vrijgelaten omdat er geen wettelijke bepaling was die seks met dieren verbood. Slechts wanneer het dier schade van de handeling ondervond, kon een zoöseksueel wegens dierenmishandeling worden vervolgd.

Fiscaal recht[bewerken]

De Belgische Grondwet vermeldt in artikel 170 dat geen belasting kan worden ingevoerd dan door een wet. Merk op dat de term "door" (gebruikt in artikel 170 wat betreft belastingen) niet gelijk is aan "krachtens" (gebruikt in artikel 14 wat betreft bestraffing). De term krachtens wijst er namelijk op dat de wetgever (Parlement) de bevoegdheid ook kan delegeren aan de uitvoerende macht (door middel van Koninklijk Besluit). Een belasting die niet door de wet (of overeenstemmend besluit van een wetgevende macht (gemeenteraadsbesluit, provincieraadsbesluit, decreet)) zelf wordt ingevoerd is absoluut nietig.

Dit criterium geldt voor alle mogelijke belastingen (Inkomstenbelasting, Belasting over de Toegevoegde Waarde, Successierechten, Registratierechten,...). Een belasting wordt in die zin omschreven als een eenzijdig door de overheid opgelegde eis, waarvan geen afstand kan worden gedaan en waarvan de opbrengsten dienen tot het financieren van de algemene dienstverlening. Echter, ook de verhaalbelastingen (belastingen die worden geheven van hen die voordeel hebben uit de dienstverlening (zoals een belasting om een aanleg van een riool te financieren) vallen onder deze term.

Een retributie, een bijdrage voor een dienst waarvan men vrijwillig kan kiezen om er al dan niet gebruik van te maken (toegang tot zwembad, parking,...), is geen belasting en kan dus wel door een uitvoerende macht worden opgelegd.

In Nederland is het beginsel ook nadrukkelijk aanwezig in het belastingrecht, dat valt onder het bestuursrecht.

Het fiscale legaliteitsbeginsel is neergelegd in artikel 104 van de Grondwet: "Belastingen worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld."

Civiel recht[bewerken]

In handelsrecht en verbintenissenrecht speelt het beginsel een zeer bescheiden rol. De verklaring hierachter is dat voor een soepel handelsverkeer een flexibel recht noodzakelijk is. Een overdaad aan regels zou hier de economie schade toebrengen. In het Weens Koopverdrag speelt het beginsel echter wel een grote rol.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]