Bismarck (slagschip)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nazivlag
Bismarck (slagschip)
Bismarck
Bismarck
Geschiedenis
Besteld 16 november 1935
Kiellegging 1 juli 1936
Tewaterlating 14 februari 1939
In dienst 20 augustus 1940
Status Gezonken 27 mei 1941,
ongeveer 650 km ten westen van Brest
Algemene kenmerken
Deplacement 41.700 long ton (leeg); 50.900 long ton (volgeladen)
Lengte 241,6 meter ll, 251 meter oa
Breedte 36 meter
Diepgang 8,7 meter (standaard), 10,2 meter (volgeladen)
Voortstuwing en vermogen 12 Wagner ketels;

3 Brown-Boveri stoomturbines;
150.170 pk (110 MW)
Drie 3-bladige schroeven met een diameter van 4,85 m

Snelheid 30,1 knopen
Bereik 9280 zeemijlen (17.200 km) bij een snelheid van 16 knopen
Bemanning 2092 waarvan 103 officieren
Bewapening 8 x 380 mm (4×2)

12 x 150 mm (6×2)
16 x 105 mm (8×2)
16 x 37 mm (8×2)
12 x 20 mm (12 x 1)

Vliegtuigen en faciliteiten 4; 1 katapult
Portaal  Portaalicoon   Maritiem
De door de schepen afgelegde routes, mei 1941
De Bismarck in 1940
Achtersteven, 1939
Achtersteven, 1941
1940
1940
1940
1940
1940
1940
1940
1940
mei 1941
juni 1941
Redding van de overlevenden door de Dorsetshire

De Bismarck was een Duits slagschip dat in 1939 te water werd gelaten en in de Tweede Wereldoorlog werd ingezet. Samen met zijn zusterschip de Tirpitz maakte het slagschip deel uit van admiraal Erich Raeders Z-Plan, de blauwdruk voor de herbouw van de Duitse Kriegsmarine. Het derde zusterschip, de Hindenburg, werd nooit voltooid.[bron?] De Bismarck was vernoemd naar de vroegere kanselier Otto von Bismarck.

Bouw[bewerken]

Het vredesverdrag van Versailles bepaalde dat Duitsland geen (moderne) slagschepen mocht bezitten en limiteerde de tonnage van nieuwe schepen tot 10 000 long ton. Ondanks deze beperkingen bouwden de Duitsers tot 1935 pantserschepen van de Deutschland-klasse. Door de toepassing van allerlei gewichtsbesparende maatregelen konden deze schepen toch nog 28 cm-kanonnen voeren, waardoor ze Duitsland het prestige gaven van een (klein) slagschip. Conform het Brits-Duitse vlootverdrag van 18 juni 1935 mocht Duitsland enkele slagschepen bouwen. Er werd prompt begonnen met de bouw van de Scharnhorst en de Gneisenau die waren gebaseerd op een sterk vergroot ontwerp van de Deutschland-klasse, en die eveneens waren bewapend met 28 cm-kanonnen. Kort daarna volgde een nieuw ontwerp voor twee grotere slagschepen met 38 cm-kanonnen, de Bismarck en de Tirpitz. Hoewel de limiet conform het Verdrag van Washington[1] was bepaald op 35 000 ton, bleek na de Tweede Wereldoorlog dat die ruim overschreden was. Zo had de Bismarck bijvoorbeeld een deplacement (waterverplaatsing) van meer dan 48 000 ton, en mat zij volgeladen circa 51 000 ton.

Het ontwerp van de Bismarck begon in 1934, op 1 juli 1936 werd bij Blohm + Voss in Hamburg de kiel gelegd en op 14 februari 1939 werd het schip te water gelaten. De eerste commandant Ernst Lindemann ging voor de opwerking naar de Oostzee, waar schip en bemanning tot een goed op elkaar afgestemd geheel werden gevormd. In tegenstelling tot de Britten slaagden de Duitsers er niet in een kanon te ontwikkelen dat zowel tegen lucht- als zeedoelen gebruikt kon worden. De Bismarck voerde daarom een uitgebreide dubbele secundaire bewapening van 15 cm en van 10,5 cm, en had daarvoor dus ook extra bemanning nodig. Het schip was bewapend met acht zware kanonnen van 38 cm en 12 middelzware van 15 cm. Het luchtafweergeschut bestond uit 16 kanonnen van 10,5 cm, 16 mitrailleurs van 3,7 cm en 12 mitrailleurs van 2 cm. Daarnaast beschikte de Bismarck over 4 Arado Ar 196 watervliegtuigen. De snelheid van het (destijds) grootste slagschip ter wereld bedroeg 30 knopen. Met zijn lengte van 250,5 meter en breedte van 36 meter was het iets korter en iets breder dan de Titanic. De bepantsering vertoonde enkele tekortkomingen: diverse vitale leidingen waren niet door het hoofdpantserdek beschermd, waardoor er in de uiteindelijke confrontatie met de Britten al snel geen communicatie meer mogelijk was tussen de brug en de (hoofd)geschuttorens. Mede door een vergaande compartimentering was het een robuust schip. Tijdens het laatste gevecht schakelden de Britse slagschepen en kruisers het schip weliswaar vrij snel uit maar het duurde lang voordat het zonk. Het laag liggende pantserdek en de kimkiel zorgden bovendien voor een goede stabiliteit, waardoor het een goed geschutplatform was. Deze kenmerken en zijn spectaculaire ondergang maken de Bismarck tot een van de bekendste slagschepen uit de geschiedenis.

Inzet[bewerken]

Vanwege de Britse suprematie ter zee besloot de Duitse admiraliteit een directe confrontatie op zee uit de weg te gaan en zich te richten op het tot zinken brengen van geallieerde koopvaardijschepen om zo de bevoorrading van Groot-Brittannië te bemoeilijken. De kleinere slagschepen Scharnhorst en Gneisenau brachten begin 1941 aanzienlijke schade toe aan de Britse koopvaardijvloot en binnen enkele weken werd circa 156 000 ton aan scheepsruimte tot zinken gebracht. De machtige Bismarck zou de aanvoer van oorlogsgoederen naar Groot-Brittannië de nekslag kunnen toebrengen.

Begin mei 1941 waren de Verenigde Staten nog niet betrokken bij de strijd tegen nazi-Duitsland en mede door de aanvallen van Duitse U-boten op Britse, Russische en Canadese konvooien die Groot-Brittannië bevoorraadden waren de Britse grondstoffen om oorlog te blijven voeren ernstig aan het opraken. Het was er de Britse geheime dienst dan ook alles aan gelegen te achterhalen wanneer de grootste Duitse oorlogsbodem zou uitvaren. Spionnen volgden daarom nauwlettend de werkzaamheden op de werf, de oefeningen en de doortocht naar de oceaan.

Op 18 mei 1941 vertrok de Bismarck voor zijn eerste en tevens laatste reis. Hij werd vergezeld door de zware kruiser Prinz Eugen. Het kleine eskader stond onder commando van viceadmiraal Günther Lütjens. De Britse marine ontdekte al snel dat de Bismarck tussen Denemarken en Noorwegen stoomde en drie dagen later zag een vlieger van een geallieerd Spitfire-verkenningsvliegtuig dat de Bismarck aan het bunkeren was in een Noorse fjord nabij Bergen.

Op 23 mei zagen de Britse kruisers HMS Norfolk en Suffolk om 19.20 uur de Bismarck en de Prinz Eugen ten noorden van IJsland in de "Straat Denemarken" opdoemen uit de mist. Ogenblikkelijk opende de Bismarck onder een scherpe hoek het vuur op de HMS Norfolk, maar door de enorme druk van zijn eigen kanonnen raakte zijn voorste radar onbruikbaar. Hierdoor moest de Prinz Eugen voorop gaan varen. Na dit eerste salvo namen de Norfolk en de Suffolk afstand onder een rookgordijn. Admiral Lütjens op de Bismarck wist dat hij was ontdekt en door de twee Britse kruisers werd gevolgd. Meteen gealarmeerd en onderweg naar IJsland waren de Britse slagkruiser HMS Hood en het nieuwe slagschip HMS Prince of Wales, die in de ochtend van 24 mei het gevecht aangingen met de twee Duitse schepen.

Het verlies van de HMS Hood[bewerken]

De in 1918 te water gelaten slagkruiser Hood, had een waterverplaatsing van 48.360 long ton en was de trots van de Britse marine. Het schip was eigenlijk verouderd, maar door zijn diplomatieke missies als vlaggenschip was er steeds geen gelegenheid geweest het schip te moderniseren, vooral op het gebied van horizontale pantsering. Dit zogeheten type slagkruisers waren gebouwd met het doel een hoge snelheid te behalen en toch grote kanonnen te kunnen dragen. Hiertoe moesten deze schepen inleveren op dekpantsering. Admiraal Lancelot Holland op de Hood was zich hiervan bewust en wilde daarom de afstand tot de Bismarck zo snel mogelijk verkleinen om granaten, die over lange afstand onder een veel steilere hoek zouden inslaan, te ontwijken. Echter, door recht op de Bismarck af te varen, konden tijdens de aanval slechts de voorste geschuttorens op de Hood worden ingezet.

Op 24 mei werd om 05.50 uur door de Hood en Prince of Wales vanaf een afstand van circa 28 kilometer het vuur op de Duitsers geopend. Aanvankelijk vergisten de Britse kanonniers zich en zagen ze de Prinz Eugen aan voor de Bismarck. De goed getrainde kanonniers van de Bismarck slaagden er echter vrij snel in dekkend te vuren op de Hood. Het bleek een ongelijke strijd tegen de moderne en beter horizontaal bepantserde Bismarck. De Hood werd uiteindelijk fataal getroffen door het vijfde salvo van de Bismarck. Een granaat raakte vermoedelijk het munitiemagazijn onder toren X en er ontstond een steekvlam op het achterdek, gevolgd door een enorme explosie. Het schip brak in tweeën en zonk snel. Slechts drie van de 1418 opvarenden overleefden het drama.

De Prince of Wales was genoodzaakt zijn koers te wijzigen om het zinkende wrak van de Hood te ontwijken en moest tijdelijk vast vuren. Door deze ontwijkende manoeuvre verkleinde echter de afstand tussen de Britten en de Duitsers en hierdoor kwam het Britse schip al gauw onder geconcentreerd vuur van beide Duitse schepen te liggen.

De Prince of Wales werd vier keer door de Bismarck geraakt en drie keer door de Prinz Eugen. Een van deze treffers raakte de brug waar met uitzondering van kapitein John Leach en een officier iedereen werd gedood. Het Britse slagschip had bovendien al vanaf het begin van het gevecht te kampen met mechanische problemen. Het was uitgevaren met werfarbeiders aan boord en al na het eerste salvo haperden enkele kanonnen. Desondanks wist de Prince of Wales drie treffers op de Bismarck te plaatsen waarbij een brandstofbunker werd geraakt. Toen nagenoeg al het hoofdgeschut uitgeschakeld was moest het schip echter de strijd staken. De Prince of Wales kon ontkomen door het leggen van een rookgordijn. Admiraal Lütjens besloot het duel met de Prince of Wales af te breken om zijn strategische missie niet in gevaar te brengen (deze beslissing werd later bekritiseerd omdat Lütjens op die manier een unieke kans liet liggen om met de torpedo's van de Prinz Eugen een modern slagschip tot zinken te brengen). De rol van de Prince of Wales bleek nog niet te zijn uitgespeeld want hij kon met de onbeschadigde moderne langeafstandradar de Bismarck blijven schaduwen en diens positie doorgeven aan de Britse Admiraliteit. Het dramatische nieuws over de ondergang van de Hood veroorzaakte een schok in Groot-Brittannië. De Britten hadden alles verwacht, maar de vernietiging van de Hood, hun machtigste en grootste slagkruiser, het symbool van de Britse suprematie over de wereldzeeën, waarvan zelfs het uitspreken van de naam de Duitsers angst inboezemde, werd niet voor mogelijk gehouden. Veel Britse marineofficieren hadden op het schip gediend en veel bemanningsleden waren familie van vooraanstaande Britse marineofficieren.

Kort na het verlies van de Hood werd een onderzoekscommissie ingesteld die verschillende theorieën opperde in een poging de ondergang van de Hood te verklaren. De nationale schok, alsmede het gevaar dat de geduchte Bismarck de aanvoer van oorlogsmiddelen zou afsnijden, was voor Churchill reden het beroemde bevel te geven "Sink the Bismarck!".

Het einde van de Bismarck[bewerken]

De Bismarck zette voor reparaties koers richting het bezette Frankrijk. Door de drie treffers van de Prince Of Wales was er 2000 ton water in het voorschip terechtgekomen. De tweede treffer had ook averij onder de waterlijn veroorzaakt, waardoor de boeg dieper lag dan normaal en het schip aan bakboord licht slagzij maakte. Het binnendringende water had bovendien de brandstofvoorraad aangetast waardoor de Bismarck vaart moest minderen tot twintig knopen om olie te besparen. Achteraf verweet Hitler Lütjens dat hij de Prince of Wales niet tot zinken had gebracht. Volgens veel kenners zou dit wel mogelijk zijn geweest omdat de Prince of Wales nog slechts drie kanonnen kon gebruiken en de Norfolk en de Suffolk zich volkomen afzijdig hielden. De Bismarck en de Prinz Eugen hadden de Prince of Wales inderdaad kunnen bedelven onder een dodelijke regen van granaten maar dan zou de Bismarck het grootste deel van de pantserdoorborende granaten hebben verschoten, waardoor een veilige terugkeer naar Noorwegen of Frankrijk uitgesloten zou zijn. Het slagschip werd namelijk voortdurend geschaduwd en het was daarom vrijwel zeker dat de Bismarck zich een weg naar huis zou moeten vechten en daarvoor nog elke granaat nodig zou hebben.

De Britten waren vastbesloten de ondergang van de Hood te vergelden. De Bismarck werd met behulp van radar geschaduwd en niet alleen door die van de Norfolk, de Suffolk en de Prince of Wales; steeds meer schepen volgden de Bismarck. De volgende Britse troef was dan ook het vliegkampschip Victorious dat was uitgerust met oude maar zeer doeltreffende Fairey Swordfish-torpedovliegtuigen. Het Duitse zware luchtdoelgeschut (vier dubbelloops geschuttorens) bleek de aanval niet te kunnen afslaan. De achterste richttoestellen waren nog niet voorzien van gyrostabilisatie en de voorste richttoestellen en vizieren waren niet afgesteld op de langzaam vliegende Swordfish-vliegtuigen. Deze vliegtuigen waren ook nog eens slecht zichtbaar tegen de donkere avondhemel en door de grote afstand waarop ze kwamen aanvliegen. De Britten wisten echter slechts een enkele treffer op de zware pantsergordel te plaatsen. Afgezien van de dood van een Duitse matroos werd er bitter weinig averij berokkend. De Bismarck wist de Norfolk met de nodige salvo's op afstand te houden, zodat de Prinz Eugen in zuidwestelijke richting van de Bismarck kon wegvaren. Na een slimme koerswijziging verdween de Bismarck geheel van de radar en terwijl de Norfolk, de Suffolk en de Prince of Wales driftig in zuidelijke richting bleven zoeken was Lütjens al in een grote boog achter hen langs gevaren om zo naar Frankrijk te ontsnappen.

Twee dagen lang werd tevergeefs naar het schip gezocht maar toen maakte Lütjens de fatale fout om radioberichten naar huis te sturen waardoor zijn locatie kon worden gepeild. Het schip was toen al een eind gevorderd in de richting van Brest. Verschillende luisterposten in Engeland gaven de coördinaten van het schip door aan de Britse schepen. De Britten interpreteerden de peilingen echter totaal verkeerd en de Britse slagvloot onder commando van admiraal Tovey stoomde op naar het noordoosten in plaats van het zuidoosten in de veronderstelling dat de Bismarck via de Faeröer-eilanden terug naar Duitsland zou varen. De Britse brandstofvoorraden waren inmiddels dusdanig geslonken dat sommige schepen zich niet in de strijd hadden kunnen mengen of na korte tijd de aanval hadden moeten staken. De kans was dan ook groot dat de langzaamvarende Bismarck alsnog aan de wraakzuchtige Britten zou ontsnappen.

Op de ochtend van 26 mei ontdekte een Catalina-verkenningsvliegtuig de Bismarck. Lütjens had juist die dag het bevel gegeven om de canvaszeilen te verwijderen van de swastika's op het dek en van de zes middelzware geschuttorens. De Bismarck was nu weer binnen het bereik van de Luftwaffe en zo kon het schip vanuit de lucht als Duits worden herkend.

Het vliegkampschip Ark Royal, dat vanuit Gibraltar op topsnelheid naar het noorden stoomde, was het enige schip van de Royal Navy dat nog iets tegen de Bismarck kon uitrichten. De Swordfish-vliegtuigen van de Ark Royal vielen per ongeluk de Sheffield aan, maar de gebruikte torpedo's hadden gelukkig verkeerde ontstekers en de treffers explodeerden niet. Bovendien ontdekten de Britten nu dat de nieuwe en experimentele magnetische ladingen niet goed werkten. Als ze deze gebrekkige ladingen tegen de Bismarck hadden ingezet dan had Lütjens hoogstwaarschijnlijk de veilige marinebasis van St-Nazaire (Frankrijk) kunnen bereiken. In dat geval had hij misschien met de Scharnhorst en de Gneisenau een vrijwel onoverwinnelijke vloot gevormd om zo de bevoorrading van Groot-Brittannië ernstig te bemoeilijken. De Swordfish-vliegtuigen konden vanwege het slechte weer pas tegen de avond van 26 mei hun aanval op de Bismarck inzetten. De Duitse luchtafweer moest het weer afleggen tegen de langzaam vliegende Swordfish vliegtuigen. Een treffer tegen de pantsergordel boekte wederom geen resultaat maar een enkele torpedo - nu met de goede ontsteker - raakte het roer waardoor de Bismarck onbestuurbaar werd en alleen nog met een vaart van 14 knopen in een grote boog kon blijven varen. De zware 45,7 cm-torpedo's van de Swordfish-vliegtuigen hadden de Bismarck overal mogen raken, behalve bij het roer.

Met alleen zijn schroeven kon de Bismarck niet manoeuvreren en dit zou verregaande gevolgen hebben. Aan boord van het slagschip werd overwogen om het vastgeklemde roer uit de romp te blazen, maar de zware zee en storm- en wateraverij aan het roercompartiment maakten dit onmogelijk. Misschien was ook het tweede roer door de treffer beschadigd. Later werd tijdens onderwaterexpedities ontdekt dat het stuurboordroer dusdanig dwars stond dat ook de middelste schroefas volledig geblokkeerd was, maar of dit door de torpedotreffer kwam of door het neerkomen van het wrak op de zeebodem blijft onduidelijk. Ooggetuigen die de schroeven van de Bismarck zagen ronddraaien voordat het schip zonk, verklaarden geen enkele averij aan de roeren of de schroeven te hebben gezien. Door averij aan de katapultinstallatie konden de Arado-vliegtuigen niet worden gekatapulteerd om het scheepsjournaal in veiligheid te brengen. Om überhaupt nog te kunnen manoeuvreren werd de boeg van het schip in de wind gelegd: op een koers naar het noordwesten, recht op de Britten af.

's Nachts werd de Bismarck onder torpedovuur genomen door de Cossack, de Maori, de Piorun (Pools), de Sikh en de Zulu. De bemanning van de Bismarck werd hierdoor wakker gehouden om haar zo veel mogelijk uit te putten voor de definitieve slag. Ondanks de slingerende koers van de Bismarck wist ze de torpedobootjagers op afstand te houden en de torpedo's te ontwijken. Vanwege de beperkte mogelijkheden om van koers te veranderen was dit geen geringe prestatie. Door een navigatiefout kwam de Norfolk vlak bij de Bismarck. De Bismarck had de Norfolk nu kunnen uitschakelen, maar deed dit niet om granaten voor de verwachte eindstrijd te sparen.

In de vroege ochtend van 27 mei 1941 volgde de eindslag met de slagschepen King George V en HMS Rodney en de kruisers Norfolk en Dorsetshire. Zij wisten de Bismarck uit het westen te naderen waardoor de Bismarck scherp tegen de horizon afstak. De Britten openden om 08.47 uur vanaf een afstand van 22 kilometer het vuur, maar de Bismarck schoot pas om 8.49 uur terug. Statistisch gezien hadden de Britten de grootste kans de langzaam varende (8-10 knopen) en traag schietende Bismarck het eerst te raken. Admiraal Tovey was zich daar terdege van bewust maar hij kon natuurlijk niet uitsluiten dat de goed getrainde bemanning van de Bismarck als eerste zou toeslaan.

De Bismarck nam de Rodney onder vuur maar door het Britse overwicht werd het Duitse slagschip fataal getroffen: een 20,3 cm-granaat schakelde de voorste centrale vuurleidingspost uit en een zware 40,6 cm-granaat trof de bovenste rand van de barbette van toren Bruno die vervolgens vastliep. Mogelijk trof tegelijkertijd een tweede granaat toren Anton want die toren zou pas veel later nog slechts één salvo afvuren. De vuurkracht van de Bismarck was gehalveerd en door de uitschakeling van het richttoestel en als gevolg van de slingerende koers waren de kansen voor de Bismarck nu vrijwel verkeken. Vlak hierna sloegen zware granaten in bij de commandocentrale en op de brug, waardoor de meeste hogere officieren en Adalbert Schneider, de artillerieofficier, sneuvelden. Ook de admiraalsbrug iets hoger in de gevechtsmast werd zwaar getroffen. Men gaat er van uit dat hier ook kapitein Ernst Lindemann en viceadmiraal Gunther Lütjens sneuvelden, maar er waren ooggetuigen onder de overlevenden die beweren Lindemann nog te hebben gezien bij de boeg vlak voordat het schip kapseisde en zonk.

De Britten verkleinden snel de afstand tot de Bismarck en daarna volgden de treffers op de Bismarck elkaar in hoog tempo op: bijna iedere seconde werd het schip getroffen. De tweede artillerieofficier, Von Müllenheim-Rechberg, slaagde er met behulp van het achterste richttoestel in nog te vuren met de beide achterste hoofdgeschuttorens. Ondanks de geringe snelheid van 3 knopen was het vuur op de King George V toch nog dekkend. Toen het achterste richttoestel ook getroffen werd nam de nauwkeurigheid echter snel af. Toen om 09.31 uur de hoofdgeschuttorens Cesar en Dora waren uitgeschakeld, was de Bismarck lamgeslagen. Ook de 15 cm-torens en de acht dubbelloops luchtafweerkanonnen waren toen door enkele 15,2 cm- of 20,3 cm-granaten tot zwijgen gebracht. De Bismarck was nu volkomen weerloos, maar het zou voor de Britten niet gemakkelijk zijn hem tot zinken te brengen. De Bismarck moest nog langdurig onder vuur worden gehouden waardoor veel bemanningsleden nodeloos zouden sneuvelen. De trefzekerheid werd ook sterk beïnvloed door de straffe wind en de hoge golven. Het schip voer in bochten en stampte en slingerde. Wellicht had de Bismarck aan het begin van de strijd een lagere snelheid kunnen aanhouden om zo het zware geschut beter te kunnen gebruiken. De Britten hadden overigens ook last van het slechte weer: ongeveer 60% van hun afgevuurde granaten miste het doel.

James Cameron inspecteerde tijdens zijn expeditie de romp en kwam tot de conclusie dat 40 granaten de pantsergordel hadden doorboord, waarvan 38 de bovenste en 2 de zware hoofdpantsergordel. De ongepantserde scheepshuid van het voor- en achterschip was op meerdere plaatsen doorboord. Om de vele branden te blussen, vooral die bij munitiemagazijnen, werd veel water in het schip gepompt en daardoor zonk de Bismarck dieper in de golven weg. Een half uur lang werd de Bismarck meedogenloos bestookt en er vielen veel slachtoffers; de meeste hadden bescherming gezocht in het "veilige" binnenste van het schip, de ruimtes achter het citadelpantser en onder het pantserdek. De Britten hadden de afstand tot een paar kilometer verkleind en vuurden de ene na de andere granaat point blank af op de bovenbouw en de romp. De hoofdpantsergordel werd op een of twee plaatsen doorboord, waardoor veel slachtoffers vielen. Een zware 40,6 cm-granaat van de Rodney trof rond 10.00 uur de cafetaria benedendeks ter hoogte van de brug en doodde honderden bemanningsleden. Lütjens had vlak voor zijn dood bevel gegeven het schip tot zinken te brengen en de waterdichte deuren te openen. Overal op de bovenbouw braken branden uit en op het dek lagen de zwaar verminkte en verbrande gewonden op het einde te wachten, te midden van afgerukte ledematen, lijken en een enorme ravage. Even na 10.00 uur stopte de beschieting en kreeg de Dorsetshire bevel de Bismarck met torpedo's tot zinken te brengen. Iets na 10.30 uur raakte de Dorsetshire het schip met drie torpedo's toen het al langzaam kapseisde. Een van de torpedo's sloeg een groot gat in het bovendek ter hoogte van de katapult aan bakboordzijde. Uit het stervende schip wisten de overgebleven bemanningsleden naar het bovendek te klimmen. Sommige gewonden werden naar boven gedragen en circa 800 tot 1000 man verlieten nu het schip. De Rodney en King George V hadden hun voorraad van 719 zware granaten op de Bismarck verschoten. De Rodney had zelfs inwendige averij opgelopen door de terugslag van het eigen geschutvuur. De Bismarck werd geraakt door ongeveer 700 van de 2800 afgevuurde granaten, waarvan 170 van de Rodney en King George V en in totaal zes tot zeven torpedo's. Zoals reeds gezegd troffen de zware granaten de grote geschuttorens; enkele raakten het dek en er waren veel inslagen in de bovenbouw en de commandobrug. Sommige granaten drongen via de bovenbouw door in het binnenste van het schip maar slechts enkele raakten het gordelpantser.

Meer dan 800 opvarenden wisten het brandende schip te verlaten en sprongen met hun reddingsvesten in zee. Rond 10.40 uur op de ochtend van 27 mei 1941 kapseisde de Bismarck en zonk. Terwijl de Britse schepen de Duitse drenkelingen uit het water visten bereikte de Britten het gerucht dat er Duitse onderzeeërs waren waargenomen. Daarom werd de reddingsoperatie gestaakt en slechts 118 van de meer dan 800 drenkelingen werden uit het ijskoude water gered. 2091 Duitse bemanningsleden vonden de dood.

Burkard Baron von Müllenheim-Rechberg, de hoogst overlevende officier van de Bismarck, heeft altijd ontkend dat er Duitse onderzeeboten in de buurt waren. Opvallend detail in deze discussie is dat de Bismarck om 07.10 uur een laatste radiobericht uitzond naar Groep West met de mededeling Zend een U-boot om het oorlogsjournaal veilig te stellen!. Vermoedelijk werd dit bericht door de Britten onderschept en werd daarom de redding van drenkelingen gestaakt. Een opmerkelijke gebeurtenis was de begrafenis van een Duitse zeeman. Hij kreeg een zeemansgraf op de Dorsetshire. Terwijl het lijk aan de golven werd toevertrouwd, speelde een Duitse matroos 'Ich hatt' einen Kameraden'. Diverse Britse matrozen stonden er naar verluidt bij met tranen in hun ogen, wat nog eens de broederschap onder zeelieden benadrukt.

Ontdekking van het wrak[bewerken]

Het wrak van de Bismarck werd op 8 juni 1989 gevonden door de Amerikaanse diepzeeonderzoeker dr. Robert Ballard. Deze had in 1985 ook al de Titanic gevonden. De Bismarck ligt op een diepte van ongeveer 4700 meter, zo'n 650 kilometer ten westen van Brest op de rand van een onderzeese vulkaan.

Uit onderzoek blijkt dat de romp, het dek en de bovenbouw op veel plekken waren beschadigd door een groot aantal granaat- en torpedo-inslagen. In de scheepshuid zaten enorme gaten die alleen door torpedo-inslagen veroorzaakt kunnen zijn. De brug en de hoofdbewapening in de grote geschuttorens waren verdwenen. Het hoofdpantserdek had echter relatief weinig averij opgelopen. De bovenbouw en zware geschuttorens zijn tijdens het kapseizen van de romp losgeraakt en naar de oceaanbodem gezonken. Ze werden niet ver van de romp in de zandbedding aangetroffen.

Toen de Bismarck op de zeebodem belandde is hij van de oude vulkaanhelling afgegleden en heeft daarbij een diepe geul van een kilometer lengte in de bodem achtergelaten. Het schip ligt rechtstandig half in de bodem begraven.

Over het zinken van de Bismarck bestonden verschillende theorieën: de Duitsers beweerden dat zij het schip zelf tot zinken brachten met explosieven en door het opendraaien van de afsluiters. De Britten beweerden daarentegen dat de Bismarck door de Britse schepen tot zinken werd gebracht.

De bestudering van het wrak door Ballard toont aan dat de Duitsers gelijk hadden. Volgens zijn onderzoek had de Bismarck nog ruim een dag kunnen blijven drijven met de opgelopen averij. Dit wordt onderschreven door de geschiedkundige Ludovic Kennedy. Als het schip niet vol was gelopen door het openzetten van de afsluiters dan hadden er implosies plaatsgevonden en had het schip de afdaling nooit overleefd. Uiteindelijk zonk het schip en is het onder water gekapseisd. Hierdoor verloor het schip de brug en de zware hoofdbewapening. Tijdens zijn reis naar de bodem kantelde het schip weer zodat het verder rechtstandig met de kiel omlaag zonk. De theorie dat het schip door Britse torpedo's tot zinken was gebracht werd daarmee volkomen ontkracht.

James Cameron heeft tijdens een expeditie voor National Geographic Channel, voor de eerste keer met op afstand bestuurde mini-onderzeeboten het schip van binnen bestudeerd. Zijn conclusie was dat Ballard gelijk had. De torpedo's hadden het schip wel geraakt maar ze hadden de bepantsering niet doorboord en nauwelijks lekkages veroorzaakt. "Het pantser heeft geholpen" aldus Cameron. Het schip had volgens Cameron nog enkele dagen kunnen blijven drijven.

Externe link[bewerken]

Voetnoot
  1. Duitsland was geen partner bij het verdrag van Washington (tenslotte waren de strikte beperkingen van de Vrede van Versailles toen nog van kracht), maar door het latere Britse-Duitse vlootverdrag waren de beperkingen ten aanzien van slagschepen naderhand toch van toepassing.