Otto von Bismarck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Otto von Bismarck
Otto von Bismarck (Franz von Lenbach, 1890)
Otto von Bismarck (Franz von Lenbach, 1890)
Volledige naam Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen
Geboren 1 april 1815
Overleden 30 juli 1898
Land Flag of Prussia 1892-1918.svg Koninkrijk Pruisen
Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Partij (stroming) Conservatisme
Religie Lutheranisme
Functies
1862-1890 Minister-president van Pruisen
1867-1871 Bondskanselier van de Noord Duitse Bond
1871-1890 Rijkskanselier van het Duitse Keizerrijk
Handtekening Handtekening
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen (Schönhausen, 1 april 1815Friedrichsruh, 30 juli 1898), vanaf 1865 Graaf, vanaf 1871 Fürst von Bismarck, vanaf 1890 Hertog von Lauenburg, was een Duits 19e-eeuws staatsman en een dominant figuur in de wereldgeschiedenis.

Als minister-president Pruisen van 1862 tot 1890, hield hij toezicht op de Duitse eenwording. In 1867 werd hij Bondskanselier van de Noord-Duitse Bond. Hij was de ontwerper van het Duitse Keizerrijk in 1871, werd er de eerste rijkskanselier van en domineerde de staatszaken tot hij in 1890 opzij werd gezet door de nieuwe keizer, Wilhelm II van Duitsland. Zijn diplomatie van Realpolitik en krachtige heerschappij leverden hem de bijnaam de "IJzeren Kanselier" op. Zoals Henry Kissinger heeft opgemerkt, schreef "De man van bloed en ijzer" proza van een buitengewone directheid en helderheid, vergelijkbaar in vermogen met Churchills gebruik van de Engelse taal.

Vooral na zijn dood werden honderden Bismarckmonumenten opgericht die het symbool van krachtig persoonlijk leiderschap verheerlijken. Historici prezen hem als een staatsman van gematigdheid en evenwicht, die in de eerste plaats verantwoordelijk was voor de eenmaking van de Duitse staten in één natiestaat. Hij gebruikte machtsevenwichtige diplomatie om Europa vreedzaam te houden in de jaren 1870 en 1880. Hij schiep een nieuwe natie met een progressief sociaal beleid, een resultaat dat verder ging dan zijn oorspronkelijke doelen als een beoefenaar van de machtspolitiek in Pruisen. Bismarck was een vrome lutheraan die trouw was aan zijn koning (die op zijn beurt Bismarck volledige ondersteuning gaf) en hij promootte de regering door een sterke, goed getrainde bureaucratie. Hoewel ultra-conservatief rond 1850, werd hij pragmatischer en werkte vooral met de nationaal-liberalen en de gematigde conservatieven samen. Als zijn voornaamste tegenstanders zag hij de sociaal-democraten en tijdens het grotere deel van de jaren 70 de katholieke partij.

Vroege loopbaan[bewerken]

Bismarck in 1836

Otto von Bismarck stamde uit een voorname Pruisische adellijke familie, die relaties onderhield met de Hohenzollern, het koninklijk huis van Pruisen. Hij studeerde rechten in Göttingen en Berlijn en vanaf de tweede helft van de jaren '40 was hij lid van de Pruisische landdag, een soort parlement van Pruisen maar met geringe bevoegdheden. Gedurende de jaren '50 was hij de Pruisische vertegenwoordiger bij de Duitse Bond in Frankfurt. In deze tijd keerde hij zich meer en meer tegen de oude verbondenheid van Pruisen met de andere conservatieve macht, Oostenrijk.

Nationalisme[bewerken]

Bismarck moest altijd behoedzaam navigeren tussen de nationalistische en conservatieve stromingen die destijds in Pruisen en de andere Duitse landen leefden. De nationale beweging stond voor een liberaal Duitsland, om pragmatische redenen onder leiding van Pruisen. De conservatieven kwamen meestal uit de aristocratie en landadel die aan de bestaande toestand wilden vasthouden waarbij Oostenrijk zijn leidende rol in de Duitse politiek mocht houden. Alhoewel Bismarck oorspronkelijk geen Duitse nationalist was zag hij het Pruisisch belang van een op Duitsland gerichte politiek in.

Hij hechtte belang aan een militair sterk Pruisen maar had ook oog voor de economische belangen van het land, en meende dat deze belangen het beste gediend konden worden met versterking van de eenheid tussen de verschillende Duitse staten. Een statenbond kwam daarbij aan beide stromingen tegemoet. Tevens streefde hij bij deze versterking naar een tegenwicht voor de macht van Oostenrijk. Dat land hoorde naar zijn mening niet tot de Duitse statenfamilie en hij meende dat de andere leden van de Duitse Bond zich los moesten maken van de Oostenrijkse voogdij over allerlei Duitse aangelegenheden.

Gezant[bewerken]

Zijn anti-Oostenrijkse houding in Frankfurt werd door zijn regering niet erg gewaardeerd, zodat hij een andere functie kreeg: de koning benoemde hem tot Pruisisch gezant in Sint-Petersburg. Enkele jaren later werd hij - eveneens als gezant - overgeplaatst naar Parijs. Gedurende zijn Russische en Franse jaren deed hij veel belangrijke contacten op met machthebbers in Rusland en Frankrijk. Hij won door zijn houding en optreden de achting en de genegenheid van zowel Alexander II van Rusland als van de Franse keizer Napoleon III.

Ministerschap en Duitse eenwording[bewerken]

Bismarck als de IJzeren Kanselier, met een Pickelhaube op het hoofd (1880)

In 1862 werd hij door koning Wilhelm I naar Berlijn gehaald, wegens een conflict over de legerhervormingen tussen de kamer en de regering. Bismarck werd benoemd tot minister-president van Pruisen en loste het probleem op. Dat deed hij overigens niet met overleg, maar met intimidatie en juridische goochelarij. In dat conflict was hij erin geslaagd om aan het regeringsstandpunt vrijwel geen concessies te doen. Al snel na dit succes overheerste Bismarck de Pruisische koning geheel en wist steeds zijn zin door te drukken. In naam was de koning de machthebber maar achter de schermen trok Bismarck aan de touwtjes. Gedurende de jaren die volgden, ging hij zich geheel toeleggen op de vorming van een nieuwe Duitse Bond: een federatie zónder Oostenrijk. Dit doel bereikte hij door middel van een drietal korte oorlogen:

Duits-Deense Oorlog[bewerken]

De eerste was de Duits-Deense Oorlog om de hertogdommen Sleeswijk en Holstein in 1864. Na een succesvolle beëindiging van deze oorlog brak er onenigheid uit tussen Pruisen en Oostenrijk over het bestuur van deze gebieden.

Duitse Oorlog[bewerken]

Dit conflict, plus de Pruisische weigering om Oostenrijk toe te laten tot de tolunie, leidde uiteindelijk in 1866 tot oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk de zogenaamde Duitse Oorlog. Gedurende deze oorlog drong het Pruisische leger diep door in Oostenrijks gebied en na zes weken vroeg de Oostenrijkse regering om een wapenstilstand. Bismarck honoreerde dit verzoek onmiddellijk en spoedig werd de vrede getekend in Praag, met als vrijwel enige bepaling dat de Duitse Bond werd opgeheven.

Bismarck ging nu over tot de formatie van een nieuwe Duitse Bond, zonder Oostenrijk. Deze nieuwe federatie moest nu geen 'statenbond' meer zijn, maar een 'bondsstaat'. De grondwet die Bismarck nu liet invoeren is nog in grote lijnen dezelfde als die van de tegenwoordige Duitse Bondsrepubliek. Vanaf 1867 was er een Noord-Duitse Bond (Beieren en enkele kleinere Zuid-Duitse staten deden nog niet mee), waarvan de Pruisische koning president was en de Pruisische minister-president de functie kreeg van Bondskanselier. Het gezantencollege in Frankfurt werd opgeheven en er kwam een Bondsregering voor in de plaats die zetelde in Berlijn, de hoofdstad van Pruisen. Als parlement kwamen er een Bondsdag (afgevaardigden van de bevolking) en een Bondsraad (afgevaardigden van de deelstaten). De staten in Zuid-Duitsland bleven onafhankelijk maar Bismarck zocht ondertussen naar een manier om de zuidelijke staten, uiteraard zonder Oostenrijk, alsnog aan te sluiten bij zijn Noord-Duitse bond. Al snel kreeg hij een gelegenheid hiervoor als op een presenteerblaadje aangeboden.

Frans-Duitse Oorlog[bewerken]

In Frankrijk was er enige ongerustheid ontstaan over deze enorme Pruisische machtstoename. Een nationalistische regering die in 1868 in Parijs aantrad nam iedere gelegenheid te baat om zich tegenover het nieuwe Pruisen te profileren. Een uitgelezen mogelijkheid daartoe was een troonopvolgingskwestie in Spanje: daar was de laatste telg van het heersende koningshuis, Isabella II van Spanje, verdreven van de troon. Er was een nieuwe dynastie nodig en verschillende koningshuizen van Europa meenden rechten op de Spaanse troon te hebben en stelden kandidaten voor. Ook een familielid van de Pruisische koning had zich kandidaat gesteld voor de vacante Spaanse troon. De Franse regering eiste echter dat deze kandidatuur ingetrokken zou worden en verzocht in een telegram aan koning Wilhelm I van Pruisen dat hij nooit meer zijn goedkeuring zou geven over een dergelijke kandidatuur. Bismarck zag onmiddellijk de mogelijkheden in van deze situatie om alle Duitse staten achter zich te krijgen: hij bracht dit telegram, later bekend als het Emser Depesche, naar buiten als een provocatie aan alle Duitse staten en stuurde het in iets aangedikte vorm naar de krant. De rest ging vanzelf: de publieke opinie, in die tijden zeer nationalistisch, gistte van verontwaardiging en in beide landen, Frankrijk en Duitsland ontstond een gevaarlijke oorlogsstemming, die uiteindelijk uitliep op de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871. Tijdens deze oorlog sloten, zoals Bismarck had gehoopt, de Zuid-Duitse staten zich inderdaad aan bij de Noord-Duitse Bond .

Anton von Werner: Proclamatie van keizer Wilhelm I (Oprichting van het Duitse Rijk) op 18 januari 1871 met Bismarck als centraal figuur in een wit uniform in de Spiegelzaal van Versailles. In werkelijkheid was Bismarck die dag onopvallend gekleed.

Bismarck wist dat hij zijn doel bereikt had en nu restte nog de laatste stap die nog maar een formaliteit was: op 18 januari 1871 werd feestelijk het nieuwe Duitse Keizerrijk uitgeroepen in de spiegelzaal van het paleis van Versailles, het prestigieuze huis van de al zo goed als verslagen vijand. De Noord-Duitse grondwet werd in wezen bijgehouden, howel sommige benamingen veranderden (bijvoorbeeld Präsidium werd Keizer en Bondskanselier werd Rijkskanselier).

Rijkskanselier en Duitse Keizerrijk[bewerken]

Het was Bismarck gelukt de Duitse staten te verenigen. Het Duitse Rijk was een feit, zonder dat Bismarck te veel compromissen moest sluiten met de nationalisten. Hij had heel veel macht en zijn positie was onaantastbaar binnen het Rijk, alleen de koning kon hem ontslaan. Frankrijk was verslagen en moest enorme sommen geld betalen. Het Rijk kende veel tegenstellingen: buiten de eerdergenoemde problemen met de staatsinrichting, die maakte dat het accent bleef liggen bij de bondstaten en daarmee in het bijzonder Pruisen, waren er ook religieuze conflicten tussen het protestantse noorden en het katholieke zuiden, de tegenstelling tussen de opkomende nieuwe elite en de arbeidsklasse, tussen het feodale platteland en de industriemagnaten, tussen de principes van de Verlichting en de conservatieve adel. Bismarck zelf versperde met zijn politiek ook het ontstaan van eenheid binnen zijn staat én acceptatie van de staat door de verschillende groepen burgers. Als eerste waren het de conservatieven en de nationaalliberalen die de staat van Bismarck accepteerden als de juiste staatsvorm. Zij hadden door steun aan het Rijk te verlenen een plekje bemachtigd. De conservatieven konden rekenen op een beperkte volksvertegenwoordiging en een zeker behoud van privileges. De nationaalliberalen konden zich vinden met het burgerschap, vrijemarkteconomie en natuurlijk de Duitse staat. Daarna kwamen de katholieken en de middenklasse. De katholieken accepteerden de staat nadat de ‘Kulturkampf’ afgelopen was. De katholieke middenklasse profiteerde van de sterke Duitse economie en de industrialisering, wat hen de Duitse staat liet accepteren. Als laatste, na de periode Bismarck, accepteerden ook de arbeiders (het proletariaat) de Duitse staat, maar pas toen in 1890 de economie weer wat aantrok en het nationalisme onder Wilhelm II extreme vormen aannam.

Bismarcks agressieve houding tegenover de katholieken en sociaaldemocraten zorgde voor spanning binnen het Rijk. De katholieken vormden een gevaar voor de Duitse staat vanwege hun loyaliteit aan het Vaticaan. De sociaaldemocraten ontkenden het belang van een staat in het algemeen en streefden naar een staten- en klasseloze maatschappij. Dit zou bereikt moeten worden door een gewelddadige revolutie tegen de status-quo en dus tegen het regiem van Bismarck. Daarnaast streefde Bismarck doelbewust naar een Klein-Duitse oplossing, zonder Oostenrijk waardoor miljoenen Oostenrijkse Duitsers uitgesloten waren van de nieuwe Duitse staat. In het oosten van het Duitse Rijk leefde een grote Poolse minderheid die niet dezelfde burgerrechten bezat als de Duitsers. Het Rijk dat Bismarck geschapen had, was dus incompleet. Een staat die nog niet af was. Dit is volgens sommige historici een van de oorzaken van het extreem Duits nationalisme vlak voor beide wereldoorlogen. Het Rijk zou moeten worden uitgebreid waardoor het alle Duitsers zou omvatten. Naar buiten toe was de politiek die Bismarck bedreef voor de volksontwikkeling al evenmin bevorderlijk. Door zijn terughoudendheid en diplomatieke oplossingen tegenover de andere Europese grootmachten, kon het nationalisme binnen het Duitse Rijk niet groeien, omdat er simpelweg niets was om ‘trots’ op te zijn.

Het was echter niet alleen de politiek van Bismarck en de sociale verschillen die de ontwikkeling tot een eenheidsstaat in de weg stonden, de economische situatie in het Duitse Rijk zag er ook niet rooskleurig uit. Door de problemen die de economische mindergang met zich meebracht (werkloosheid, inflatie, lage vraag), verzwakte de opkomende Duitse industrie en daarmee het aanzien van de Duitse economie, waardoor de Duitse bevolking, buiten de sociale verschillen en ‘falende’ buitenlandse politiek, nog minder had om trots op te zijn.

De aanpak van Bismarck was niet zo zeer heel slecht, de kanselier wist namelijk dat de nieuwe Duitse staat tussen Europese en koloniale grootmachten lag ingesloten en dat de staat bij haar buren, en dan vooral Frankrijk, niet populair was. De door Bismarck bedreven politiek waarborgde de Duitse staat. De kanselier beschermde de nationalistische bevolking tegen zichzelf. Daarnaast is het deze Pruisische jonker gelukt om voor het eerst in de geschiedenis een Duitse staat te smeden. Alle voorgaande Duitse staatsvormen hadden een los en federatief karakter, terwijl het Duitse Rijk de eerste Duitse staat was. In zekere zin was het doel van de nationale vereniging bereikt.

Bismarcks heerschappij[bewerken]

De periode tussen 1871-1890 is de eerste bestaansperiode van het Duitse Rijk. Deze periode werd de periode-Bismarck genoemd, omdat Otto von Bismarck het ambt van rijkskanselier bekleedde. Normaal gesproken is het niet een persoon die de maatschappij verandert, maar progressieve denkbeelden. Soms weet een man een maatschappij naar zijn hand te vormen. Bismarck was zo'n man, hij wist in de veranderende maatschappij van de 19e eeuw een Rijk te stichten, gebaseerd op de ‘achterhaalde’ manier van regeren: veel macht voor de koning en een zwak parlement, waarin alleen de vooraanstaande burgers vertegenwoordigd waren. Van een Duitse natie was in deze periode dan ook geen sprake, een 'Groot-Pruisen' zou een betere benaming zijn geweest, omdat Pruisen de hegemonie voerde binnen het Duitse Rijk. De eerder genoemde sociale verschillen werden tijdens deze periode niet opgelost. Pas toen Wilhelm II keizer van het Duitse Rijk werd en de nadruk begon te leggen op de ‘superioriteit’ van het Duitse volk werden deze problemen onzichtbaarder en vervangen door een nationale euforie.

Bismarck heeft het liberale principe - vrijheid en eenheid - opengebroken en er een keuze van gemaakt, een fout van de nationale beweging die pas na de Eerste Wereldoorlog hersteld werd. Bismarck wist de nationalisten te verleiden met het vooruitzicht van een eenheidsstaat. Dat deze staat autoritair geleid zou worden onder de koningen van Pruisen namen zij maar op de koop toe. Daar zou altijd later in de bestaansgeschiedenis van het Rijk nog naar toe gewerkt kunnen worden, was de beredenering van de nationaalliberalen. De verschillende lagen in de bevolking zouden voor het Rijk gewonnen worden, langzaam maar geleidelijk. Maar het Duitse Rijk stond van het begin af aan al een-nul achter. Omdat de grootste groepen in de maatschappij, de katholieken en sociaaldemocraten, ondervertegenwoordigd waren.

Kulturkampf[bewerken]

Paus Pius IX had verklaard dat de pauselijke macht boven de macht van de staten lag en onfeilbaar was. Bismarck zag deze poging van de paus om zijn macht te herstellen als een directe aanval op de staat. ‘Priesterheerschappij’ naast de heerschap van de koning tolereerde de kanselier niet. De loyaliteit van de Duitsers zou bij de staat moeten liggen en niet bij de paus. Daarnaast ging het ook om het principe van de scheiding van kerk en staat. Deze periode in de Duitse geschiedenis heet de Kulturkampf. Bismarcks strijd richtte zich binnen het Duitse Rijk tegen de Centrumpartij (‘Das Zentrum’). Deze partij had namelijk verklaard dat alle confessionele instanties binnen het Rijk gewaarborgd en gerespecteerd moesten worden.

“Die christliche Religion ist sowohl im Reiche als in den einzelnen Staaten bei allen Einrichtungen, welche mit der Religionsübung im Zusammenhang stehen, unbeschadet der Religionsfreiheit, zugrunde zu legen. Damit Verbunden Freiheit des höheren, des mittlerer und des niederen Unterrichtes, unter gesetzlich geregelter Staatsaufsicht, und Einrichtung der Staatschule nicht nach der Willkür der Staatsbehörden, sondern nach realen, geistigen und sittlichen Verhältnissen des Volkes.“

De strijd van Bismarck tegen het Centrum had buiten de loyaliteitskwestie en het Secularisme nog een reden, namelijk een politieke. Het Centrum had namelijk nog twee programmapunten die Bismarck staken.

“Festes nationales Bündnis mit Österreich, dem deutschen Ost-Reiche. En: Redliche Anerkennung der Selbständigkeit der zum Deutschen Reich gehörigen Einzelländer, soweit es die notwendige Einheit des Reiches zulässt nach Maßgabe der Reichsgesetze“.

In deze twee programmapunten kwamen drie aspecten naar voren, het eerste aspect was een “nationales Bündnis mit Österreich”, dus eigenlijk het afkeuren van de Klein-Duitse oplossing en het streven naar een algemene Duitse staat inclusief Oostenrijk. Het tweede aspect was de nadruk die Het Centrum legde op de deelstaten. Deze moesten namelijk veel eigen zeggenschap behouden, wat natuurlijk de Rijksregering van Bismarck ondergroef. Het laatste aspect was dat het Centrum zich niet richtte op een bepaalde stand, maar op alle standen. De partij was stand-overstijgend en probeerde onderlinge verschillen binnen de partij op te lossen. Dat betekende dus, dat zowel arbeiders als kapitalisten in de partij vertegenwoordigd waren, verenigd onder het katholicisme. Het principe van een stand-overstijgende partij was de kanselier vreemd. Een stand moest zich met zijn eigen zaken en belangen bemoeien. Bismarck vond samenwerken tussen de standen geen probleem, maar opgaan in een partij was voor hem ondenkbaar. Hij vreesde dat hierdoor een staat binnen een staat zou ontstaan. Het Centrum zou namelijk dezelfde hiërarchie van standen krijgen als het Duitse Rijk zelf. Daarnaast speelde ook nog mee, dat Pruisen overwegend protestants was. De Kulturkampf begon al in 1871, vlak na de eerste nationale verkiezingen. Het Centrum werd in een klap de tweede partij. Bismarck vreesde dat in de toekomst het Centrum misschien wel een meerderheid zou kunnen behalen. De kanselier handelde daarom meteen: al in juli van dat jaar werden de katholieke afdelingen van het Pruisische cultuurministerie opgeheven. In december van dat jaar werden naar Italiaans voorbeeld de zogeheten “Kanzlerparagraphen” als Rijkswetten uitgeschreven. Deze bepaalden dat het verboden werd voor geestelijken zaken van de staat te bespreken op een manier, die de openbare orde in gevaar zou kunnen brengen. Het jaar daarop werden de christelijke scholen door ‘staatscholen’ vervangen. In 1873 greep Bismarck met “Mai-Gesetzen” direct in in het leven van de Pruisische katholieken. De opleiding en aanstelling van geestelijken werd door de staat gecontroleerd. Het katholieke vermogensbeheer moest voortaan worden uitgevoerd door gekozen beambten. Ten slotte werd in 1875 besloten dat men moest trouwen voor de staat en dat het kerkelijke huwelijk niet meer was dan een ceremoniële aangelegenheid. Men mocht ook niet eerst trouwen voor de kerk en dan pas voor de staat. Al deze maatregelen waren gericht tegen de onafhankelijkheid van kerk of probeerden in ieder geval zijn invloed te verminderen. Van geloofsvervolging in het Duitse Rijk, zoals Paus Pius IX beweerde, viel evenwel niet te spreken. De maatregelen richtten zich namelijk niet tegen de individuele gelovigen, die werden ongemoeid gelaten, maar tegen de macht van de kerk als instituut. Deze macht zou gebroken moeten worden en ondergeschikt moeten zijn aan de staatsmacht.

De pogingen van Bismarck om de macht van de katholieke kerk in te perken hebben niet gewerkt, in tegendeel zelfs. Niet alleen de katholieken waren verontwaardigd over de maatregelen, maar ook veel protestanten. De invoering van de staatsscholen en het staatshuwelijk werden behalve door het Centrum ook door de conservatieven afgekeurd. Naar mate de Kulturkampf voortduurde, kwamen de grondrechten in gevaar, waardoor zelfs de liberalen – toen nog bondgenoten van Bismarck - de ontwikkelingen zorgwekkend begonnen te vinden. De liberalen steunden in eerste instantie de Kulturkampf vanwege het principe van het secularisme en de vrijheid van cultuur en humanisme. Maar het werkte gewoon niet. Het achterliggende doel van Bismarck om het Centrum uit de politiek te drijven, had gefaald. De centrum partij steeg zelfs in zetelaantal tussen 1871 tot en met 1878 van 63 naar 84 zetels.

Arbeiderbeweging[bewerken]

Tijdens de eerste Rijksdagverkiezingen haalden de sociaaldemocraten 2 vertegenwoordigers van de 382. De organisatie van de arbeidersbeweging was slecht. De sociaaldemocratie kon in dit stadium niet serieus genomen worden. Maar Bismarck zag dit anders. De kanselier wist namelijk dat met de industrialisatie van de maatschappij de arbeidsklasse steeds groter zou worden. Hij vond dan ook dat de sociale kwestie van de arbeiders niet partijgebonden was, maar een staatsaangelegenheid. Al in 1863 had Bismarck geprobeerd de arbeiders aan de staat te binden door vergaande sociale wetgeving en zelfs stemrecht. Bismarck wist dat de arbeiderspartij enorm zou groeien en probeerde die groei te stagneren, of in ieder geval af te remmen door sociale wetgeving. Toch blijft het de vraag waarom Bismarck een ongeorganiseerde, kleine ‘bende’ arbeiders bestempelde als ‘Reichsfeinde’. Per slot van rekening hadden de Duits-Conservatieven en de Vrij-Conservatieven ongeveer even veel stemmen behaald tijdens de verkiezingen. circa 300 duizend. Alleen wisten de Duits-Conservatieven 22 zetels te halen en de Vrij-Conservatieven zelfs 33 zetels. De reden van Bismarcks vijandigheid jegens de Arbeiderspartij was niet het streven naar het verbeteren van de sociale positie van de arbeider, maar op welke manier dit plaats moest vinden. De staat zou omvergeworpen moeten worden en het kapitaal zou eerlijk onder de bevolking verdeeld moeten worden. Daarnaast was de arbeiderspartij niet nationaal georiënteerd maar mondiaal.

“In der heutigen Gesellschaft sind die Arbeitsmittel Monopol der Kapitalistenklasse; die hierdurch bedingte Abhängigkeit der Arbeiterklasse ist die Ursache des Elends und der Knechtschaft in allen Formen. Die Befreiung der Arbeit erfordert die Verwandlung der Arbeitsmittel in Gemeingut der Gesellschaft und die genossenschaftliche Regelung der Gesamtarbeit mit gemeinnütziger Verwendung und gerechter Verteilung des Arbeitsvertrages“.

Door hun revolutionaire ideeën werden zij niet alleen door Bismarck als staatsvijand gezien, maar wantrouwden de andere politieke partijen en standen hen ook. De sociaaldemocraten waren de enige die de staat omver wilden werpen. Zelfs Het Centrum, ook door Bismarck verketterd, stond vijandig tegenover de sociaaldemocraten.

In 1878 vond er een aanslag plaats op het leven van de Duitse keizer Wilhelm I. De keizer kwam hier zonder kleerscheuren vanaf, maar ondernam wel actie. Een wetsvoorstel was in de maak, het zogeheten “Ausnahmegesetz”, voor bescherming tegen sociaaldemocratie. Nadat de eerste poging strandde door het ontbreken van de liberalen, lukte de tweede poging wel. Op 21 oktober 1878 trad de wet in werking. Het hield in dat de grondrechten voor de sociaaldemocraten werd ingeperkt.

“Druckschriften, in welchen sozialdemokratische, soziale oder kommunistische, auf den Umsturz der bestehenden Staats- oder Gesellschaftsordnung gerichtete Bestrebungen in einer der öffentlichen Frieden, Insbesondere die Eintracht der Bevölkerungsklassen gefährdenden Weise zu Tage treten, sind zu verbieten.“ En: “Wer für einen verbotenen Verein oder für eine verbotene Versammlung Räumlichkeiten hergibt, wird mit Gefängnis von einem Monat bis zu einem Jahre bestraft.“

De wetgeving verlamde de arbeiderspartij. De partijbladen werden grotendeels verboden, de lokale afdeling moesten opgeheven worden en lidmaatschap was niet toegestaan. De partij werd in de illegaliteit gedrukt. Aan de ene kant hadden de maatregelen weinig effect. De Arbeiderspartij bleef als politieke macht bestaan, weliswaar verzwakt. In het jaar van Bismarcks aftreden, 1890, was de Arbeiderspartij de grootste partij van het Duitse Rijk, het Centrum en de nationaalliberalen achter zich latend. Maar toch was de arbeiderspartij een beetje het gepeste jongetje van de klas in de politiek. Iedere andere partij was haar vijandig. Zo vijandig zelfs, dat ook het door Bismarck verketterde Centrum voor de “Ausnahmegesetz” stemde. Bismarck was erop uit de sociaaldemocraten te vernietigen. Dit leidde ertoe dat de arbeiders, omdat ze eigenlijk niet mee mochten doen met de staat, overal buiten vielen en op zichzelf aangewezen waren. Ze ontwikkelden zich redelijk afgezonderd van conservatieven, liberalen, katholieken en protestanten. Eigen verenigingen, ontmoetingsplaatsen en cafés werden opgericht, speciaal voor de arbeider. Dit fenomeen zou wel een beetje met de verzuiling vergeleken kunnen worden.

Zowel de arbeiders als de katholieken, de grootste groepen binnen het Duitse Rijk, vielen buiten de boot. Ze werden door Bismarck vervolgd en uitgesloten. Dit leidde ertoe dat beide groepen zich buitengesloten voelden en dat stond de ontwikkeling van het nationalisme en de acceptatie van de staat van Bismarck in de weg. Het Rijk van Bismarck moest de zege van veel bevolkingsgroepen winnen. Dit omdat het Rijk eigenlijk een soort compromis was tussen de nationalisten en de conservatieven, gesteund door de democraten en de katholieken die tijdens de Frans-Duitse oorlog door nationalisme en haat tegen Frankrijk in het kamp van Bismarck waren gedreven. De acceptatie van de staat vorderde langzaam. Ze kwam eigenlijk nooit echt goed uit de verf en ontstond pas na afloop van de Kulturkampf. Na de dood van paus Pius IX zocht Bismarck weer toenadering met de katholieken en verminderde de onderdrukking van de Arbeiderspartij. Ook begon de sociale wetgeving haar werk te doen. De effecten van Bismarcks politiek waren feitelijk verdwenen toen Wilhelm II keizer werd.

Economie onder Bismarck[bewerken]

Bismarck thuis in Friedrichsruh (1892), getekend door C.W. Allers

Na jaren van economische hoogconjunctuur stortten in 1873 de beurzen in. Het effect had niet alleen gevolgen voor het Duitse Rijk, maar voor heel Europa en de Verenigde Staten. De crisis begon in Wenen toen eerst de zilverprijs instortte, nadat deze astronomische hoogten had bereikt. De industrie liep terug omdat de vraag afnam, hierdoor verloren arbeiders hun baan. De euforie die de overwinning op de Fransen met zich mee had gebracht deed de Duitse economie nu de das om. Het idee van vrijhandel en eeuwige groei liep met deze crisis een enorme deuk op en leidde tot protectionisme. Bismarck trachtte de Duitse economie te beschermen met de “Schutzzollpolitik”. De nationaalliberalen werden voor ‘hun’ vrijhandelsprincipe afgestraft tijdens de Rijksdagverkiezingen. De liberalen hielden van 33% slechts 12% over. Een sociaal effect was dat het verschil tussen de kapitalisten en de arbeiders nog groter werd. De onderlaag trok uit armoede naar de steden, die het onder de mensendruk bijna begaven. Mensen leefden onder verschrikkelijke omstandigheden (Dit was ook al zo tijdens de hoogconjunctuur, het was nu alleen nog erger, wat de afgunst tegen de kapitalisten deed groeien.) De kapitalisten voelden zich bedreigd en werden vijandiger. De sociale kwestie trad naar de voorgrond en arbeiders verenigden zich om hun belangen te behartigen, net als de kapitalisten en de middenklasse. Deze splitsing in de maatschappij stond de ontwikkeling van nationalisme in de weg, omdat men zich niet deel voelde van de staat maar van zijn eigen groep. De arbeider voelde zich bijvoorbeeld alleen betrokken bij de arbeidersvereniging maar kon het bloed van zijn mede-Duitser, die dan toevallig kapitalist was, wel drinken. Het was een maatschappij waar de kansen niet eerlijk verdeeld waren. De arbeiders leefden onder erbarmelijke omstandigheden op het gebied van huisvesting en hygiëne.

De prominente sociaal-democraat August Bebel beweerde dat de oorzaken van de sociale kwestie niet in de eerste plaats aan de economische ongelijkheid van de arbeider te wijten waren, maar aan zijn onvermogen de verandering van de maatschappij bij te benen en het ontbreken van een eenduidige visie op de oplossing ervan.

Bismarck, bang voor arbeidersopstanden en de Arbeiderspartij, besloot sociale wetgeving te maken om de positie van de arbeiders te verbeteren. Dit was natuurlijk uit politiek oogpunt een geniale actie. Ten eerste bond het de arbeider aan de staat en remde het de Arbeiderspartij af. De stappen die Bismarck nam bevorderden indirect dus de ontwikkeling van het nationalisme en de acceptatie van de staat. Bismarck wist ook, dat het ‘ombouwen’ van de staat naar een verzorgingsstaat jaren zou duren en dat het effect niet meteen merkbaar zou zijn.

“Seit dem Sozialistengesetz ist immer an mich die Mahnung herangetreten von amtlicher, hochstehender Seite und aus dem Volke: es sie damals versprochen, es müsse auch positiv etwas geschehen, um die Ursachen des Sozialismus, insoweit ihnen eine Berechtigung beiwohnt, zu beseitigen; die Mahnung ist bis zu diesem Augenblick an nicht toto die herangetreten, und ich glaube nicht, dass mit der sozialen Frage die seit fünfzig Jahren vor uns schwebt, unsere Söhne Enkel vollständig ins Reine kommen werden.“

De effecten van de wetgeving waren echter wel klein, want de schade die Bismarck had aangericht met zijn vijandige politiek was vele malen groter. Met hulp van het Centrum en de conservatieven werd de nieuwe wetgeving door de Rijksdag geloodst. Het Centrum stemde voor, omdat de partij zich begaan voelde met het lot van de arbeiders, met als achtergrond de nieuwe politiek die de katholieke kerk voerde om de arbeider aan zich te binden. De conservatieven stemden voor, omdat een tevreden arbeider een rustige arbeider is. Een revolutie wilden de conservatieven voorkomen, uit angst slachtoffer te worden van de wraak van het volk. De continuïteit van de staat moest gewaarborgd blijven. De sociale wetgeving werd uiteindelijk onder Wilhelm II weer afgeschaft. In 1890, het jaar dat Bismarck werd ontslagen, begon de economie weer aan te trekken. Mede door de economische hoogconjunctuur floreerde het Wilhelmse Duitse Rijk.

Bismarck als Europees diplomaat[bewerken]

Na de Frans-Duitse oorlog besefte Bismarck dat de inlijving van Elzas-Lotharingen zou leiden tot een nieuw conflict met Frankrijk. Daarom werd in 1873 de Driekeizersbond opgericht. Het Duitse Rijk, Rusland en Oostenrijk-Hongarije beloofden samen te werken bij bedreiging van buitenaf.

Duitsland vormde dit bondgenootschap na de inlijving van Elzas-Lotharingen om te verhinderen dat Frankrijk ooit een grootmacht zou worden en een bedreiging zou kunnen vormen.

Deze oorlogen en hun gevolgen zijn ondenkbaar zonder Bismarck. Hij is misschien niet de enige, maar wel verreweg de voornaamste regisseur van de gebeurtenissen van de jaren 1860 geweest. Na de Frans-Duitse oorlog trad hij op als bemiddelaar bij andere Europese conflicten zoals tussen Engeland, Oostenrijk, Turkije en Rusland over de Balkan en de Middellandse Zee. In 1878 organiseerde hij een congres in Berlijn, waarmee voor enkele decennia de vrede in het explosieve gebied gewaarborgd werd.

Tijdens het Congres van Berlijn in 1878 werd onder zijn leiding de zogenaamde “Oosterse kwestie” opgelost. De Franse expansieplannen in Afrika werden aangekaart. Groot-Brittannië en Italië klaagden over de Russische invloed in de Middellandse Zee. Oostenrijk-Hongarije was ongelukkig met de Russische uitbreiding in de Balkan.

Bismarck bemiddelde en Groot-Bulgarije werd verdeeld onder Turkije, Servië en Roemenië. Zuid-Bulgarije werd aan de Turkse sultan teruggegeven. Oostenrijk-Hongarije werd tot ongenoegen van Servië belast met het toezicht op Bosnië en Herzegovina. Tegen de wil van Turkije nam Groot-Brittannië Cyprus in bezit. Als compensatie voor het Russische verlies werd haar de Kaukasus aangeboden. En omdat Frankrijk hier een probleem in zag, werd hen Tunis aangeboden.

Toen de Russische tsaar in 1879 protesteerde tegen Duitsland, dat volgens hem altijd de kant van Oostenrijk-Hongarije koos, besloot Bismarck op 7 oktober een geheim militair verdrag te sluiten met Rusland waarin hij beloofde dat Duitsland neutraal zou blijven bij een aanval van Oostenrijk-Hongarije op Rusland.

Bismarck in 1886 in zijn kantoor

Rusland verliet in 1887 de Driekeizerbond door de verslechterde verhouding met Duitsland. Bismarck bood de Russen het “rugdekkingsverdrag” aan waarin hij de Duitse neutraliteit beloofde indien Rusland aangevallen zou worden door Oostenrijk-Hongarije. Hij hield dit verdrag wel verborgen voor Oostenrijk-Hongarije.

Op binnenlands terrein was hij minder succesvol. Hij was intelligent genoeg om te beseffen dat de toenemende industrialisatie de wereld ingrijpend aan het veranderen was; daar richtte hij zich ook wel op in zijn economische politiek. Hij had echter weinig oog voor de sociale en maatschappelijke gevolgen die dat met zich meebracht. Als oerconservatieve edelman bestreed hij ieder streven naar emancipatie; vooral dat van katholieken en van arbeiders.

Tijdens de Kulturkampf wilde hij de invloed van de katholieke pers inbinden door middel van allerlei censuur op hun bladen. De arbeiders probeerde hij monddood te maken met aan de ene kant 'socialistenwetten' (verbod op socialistische partijvorming) en aan de andere kant met verregaande wetgeving op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en bejaardenzorg, waarbij hij hen de wind uit de zeilen probeerde te nemen. Tevens voerde hij het algemeen mannenkiesrecht voor de Rijksdag in om de liberalen enigszins tegemoet te komen; alhoewel hij ervoor waakte dat de Rijksdag bevoegdheden kreeg over belangrijke onderwerpen.

Tekening van John Tenniel in het satirisch tijdschrift Punch, maart 1890. Loods Bismarck verlaat het schip terwijl de kapitein Wilhelm II hem nakijkt.

In 1888 kwam er een nieuwe keizer, Wilhelm II, die zich wilde profileren als een krachtig en zelfbewust staatshoofd. Bismarck liep hem daarbij in de weg en werd in 1890 ontslagen. Hij werd opgevolgd door graaf Leo von Caprivi. Bismarck kreeg als afscheid een landgoed, een hertogentitel en een zetel in de Rijksdag, die hij overigens niet meer gebruikte. Na zijn ontslag werd Bismarck het middelpunt van een cultus. Op vele plaatsen in Duitsland werd een Bismarckmonument opgericht, vaak in de vorm van een toren. Hij stierf in 1898 op zijn slot Friedrichsruh.

Beoordeling[bewerken]

Bismarck-Monument, Hamburg van Hugo Lederer (1902/06)

Bismarck was in de politiek een einzelgänger. Hij was een volstrekte conservatief, maar kon samenwerken met allerlei soorten partijen en politici, wanneer hem dat zo uitkwam. Zelf noemde hij zich een 'Realpolitiker': een realistische politicus die van de geboden mogelijkheden gebruik maakte. In dat opzicht was hij weinig principieel en voor hem heiligde het doel altijd de middelen. Zijn wijze van regeren was autoritair en vaak ook confronterend. Toen hij als minister-president van Pruisen aantrad, provoceerde hij de liberale afgevaardigden bij zijn eerste rede met de uitspraak dat politieke doelen niet verwezenlijkt konden worden met meerderheidsbesluiten en redevoeringen, maar 'durch Blut und Eisen', met andere woorden: door geweld.

Op het terrein van de buitenlandse politiek streefde hij op een uitgesproken wijze naar een veiligheidsbeleid. Het Duitse Rijk was een nieuwkomer in het Europese machtsspel en hierdoor waren de krachtsverhoudingen tussen de traditionele grote mogendheden, Frankrijk, Oostenrijk, Groot-Brittannië en Rusland, volledig overhoop gehaald. Het Duitse Rijk werd bewonderd,[bron?] maar ook gevreesd en gewantrouwd. Niemand die dit beter begreep dan Bismarck. Daar kwam bij dat Duitslands geografische positie hoogst ongunstig was; het grensde aan maar liefst drie andere grootmachten en het was van het allergrootste belang dat de relaties met deze grootmachten goed bleven. Als Bismarck dan toch een oorlog begon, dekte hij zich diplomatiek altijd in bij andere grootmachten; wanneer de oorlog eenmaal was uitgebroken moest de vijand constateren dat hij alleen stond. Desondanks duurden oorlogen die Bismarck voerde altijd kort; er mocht geen ruimte ontstaan voor rancune. Daardoor kon Bismarck relatief kort na de oorlog van 1866 weer goede relaties aanknopen met Oostenrijk en uiteindelijk een bondgenootschap aangaan.

Alleen met Frankrijk, bij de nasleep van de Frans-Duitse oorlog, had hij een 'misrekening' gemaakt. Na de Frans-Duitse oorlog moest Frankrijk Elzas-Lotharingen aan het nieuwe Duitsland afstaan. Bismarck stond daar zelf eigenlijk niet achter, hij had immers zijn doel - de Duitse eenheid - bereikt en wilde de verslagen Fransen ook niet te veel vernederen, maar kon - vooral onder de grote druk van de Pruisische generaals en de Duitse publieke opinie - niet veel anders. Hij ging er van uit dat de Fransen uiteindelijk toch wel zouden berusten in het verlies van dit van oorsprong Duitstalige gebied (grotendeels pas Frans bezit sinds 1648). Dat gebeurde echter niet; de Fransen bleven wrokken hierover en de betrekkingen tussen Frankrijk en Duitsland zijn tot na de Eerste Wereldoorlog dan ook niet meer genormaliseerd. Bismarck heeft er toen in zijn buitenlandse beleid naar gestreefd om Frankrijk politiek te isoleren van alle andere grote mogendheden. Dat is hem - zo lang hij regeerde - dan ook wel gelukt.

Het veiligheidsprincipe van het nieuwe Duitsland stond heel hoog op de agenda. Er waren twee manieren om die politiek gestalte te geven: Duitsland kon streven naar harmonieuze verhoudingen met de buurlanden of Duitsland kon met intimidatie en machtspolitiek de anderen afschrikken. Bismarck koos voor de eerste optie, zijn opvolgers voor de tweede.

Bismarck was verder geen voorstander van kolonisatie. Toen in Versailles het Duitse Rijk werd gesticht was de wereld allang verdeeld onder de toenmalige grootmachten. Actieve kolonisatiepolitiek zou immers vooral Engeland in de wielen rijden, reden genoeg om ervan af te zien. Alhoewel Bismarck een felle tegenstander was van kolonisatie, riep hij toch enkele handelskolonies uit tot protectoraten van het Duitse Rijk. Het ging om Togoland, Kameroen, Duits-Zuidwest-Afrika en Duits-Oost-Afrika. Hierin mag men absoluut geen idealistische noch imperialistische doelstellingen herkennen. Het ging hier om een daad van puur zelfbehoud van Bismarck. De kroonprins - en dus troonopvolger van Wilhelm I - Friedrich III had erg liberale standpunten en streefde naar een liberale binnenlandse politiek. De kroonprins zou ook van plan zijn geweest om toenadering te zoeken tot Het Verenigd Koninkrijk, dat ook een liberale koers voer. Bismarck zag hier terecht een bedreiging voor zijn positie als rijkskanselier. Hij moest dus om Friedrich III en de liberalen tegen te gaan, een anti-Britse sfeer veroorzaken in Het Duitse Keizerrijk. Door te koloniseren en de Duitse Oorlogsvloot uit te bouwen, streek Bismarck het Verenigd Koninkrijk tegen de haren in. Het resultaat was een agressievere houding van het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van het Duitse Keizerrijk. Uiteraard ontstond er als reactie een anti-Britse publieke opinie in Duitsland, hetgeen zich ook politiek vertaalde. Toen Friedrich III ongeneeslijk ziek werd - en dus niet in staat was om zijn vader op te volgen - was Bismarck zeker van zijn positie binnen het rijk. Hierdoor viel ook de noodzaak tot koloniseren weg. Bismarck trok zich dan ook snel terug uit het koloniale wespennest van de negentiende eeuw. Na Bismarck echter ging het roer geheel om. De Duitse politiek ging steeds meer streven naar machtspolitiek en een manier om aan Europa de hegemonie op te leggen. Ook voor de opvolgers van Bismarck was dit niets anders dan een vorm van 'veiligheidsstrategie', maar het psychologische effect was averechts. Niet alleen door het steeds grotere economische overwicht van Duitsland (tussen 1880 en 1890 had Duitsland de industriële koppositie van Engeland overgenomen) maar ook door de ondoordachte uitlatingen van Wilhelm II en diens overspannen vlootpolitiek werden de andere grootmachten steeds wantrouwiger en bezorgder. Deze werden door het Duitse optreden geleidelijk aan in elkaars armen gedreven, waardoor de Eerste Wereldoorlog zijn schaduwen vooruit kon werpen.

Huwelijk en kinderen[bewerken]

Otto von Bismarck was sinds 1847 gehuwd met Johanna von Puttkamer. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: Marie (1847-1926), Herbert (1849–1904) en Wilhelm (1852-1901).

Onderscheidingen[bewerken]

Bismarck was sinds 1857 onderscheiden met het Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon. Na 1871 en ook bij zijn afscheid kreeg Bismarck van de Duitse staten en uit het buitenland tientallen hoge onderscheidingen; in een aantal gevallen waren deze met diamanten versierd.

Werken[bewerken]

  • Gedanken und Erinnerungen, autobiografie, drie delen, 1898—1919
  • Ausgewählte Werken, 1927

Externe link[bewerken]

Voorganger:
Adolf zu Hohenlohe-Ingelfingen
Minister-president van Pruisen
Regering-Bismarck I
1862-1872
Opvolger:
Albrecht von Roon
Voorganger:
Albrecht von Bernstorff
Minister van Buitenlandse Zaken van Pruisen
Regering-Bismarck I/Regering-Roon/Regering-Bismarck II
1862-1890
Opvolger:
Herbert von Bismarck (a.i.)
Voorganger:
Albrecht von Roon
Minister-president van Pruisen
Regering-Bismarck II
1873-1890
Opvolger:
Leo von Caprivi
Voorganger:
--
Rijkskanselier
Regering-Bismarck
1871-1890
Opvolger:
Leo von Caprivi
Voorganger:
Karl von Hoffmann
Minister van Handel van Pruisen
1880-1890
Opvolger:
Hans von Berlepsch
Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Otto von Bismarck.