Nationalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
La Liberté guidant le peuple (De Vrijheid voert het Volk aan) van Eugène Delacroix waarop Marianne het Franse nationalisme symboliseert tijdens de Julirevolutie in 1830.
Politieke ideologieën
Dit artikel is een deel van

de reeks over politiek

Ideologie

Anarchisme
Christendemocratie
Communisme
Communitarisme
Conservatief-liberalisme
Conservatisme
Ecologisme
Fascisme
Franquisme
Feminisme
Islamisme
Klassiek liberalisme
Liberalisme
Libertarisme
Linksnationalisme
Nationalisme
Pan-nationalisme
Progressief liberalisme
Nationaalsocialisme
Neoliberalisme
Sociaaldemocratie
Socialisme

Portaal  Portaalicoon  Politiek

Nationalisme is een politieke ideologie die stelt dat de staat als politieke eenheid congruent moet zijn aan de natie als sociaal-culturele eenheid. Er zijn verschillende vormen van nationalisme te onderscheiden, waaronder staatsnationalisme, cultuurnationalisme, etnisch nationalisme, nationaalsocialisme, romantisch nationalisme, liberaal nationalisme, politiek nationalisme, burgerlijk nationalisme, imperialistisch nationalisme, dekoloniserings- ofwel bevrijdingsnationalisme en economisch nationalisme. Een aantal van deze 'nationalismen' hangen met elkaar samen, sommige geven ontwikkelingsfasen aan en gaan in elkaar over, andere laten alleen een bepaalde invalshoek zien die dan gecombineerd moet worden met een van de bredere nationale stromingen. Nochtans kan nationaalsocialisme strikt genomen niet als nationalisme worden omschreven, omdat de hoge nazi's de verovering van veel grondgebied op het oog hadden om Lebensraum te veroveren voor het nog te scheppen Arische superras. In die zin is het beter te spreken over racistisch imperialisme.

Het verschijnsel nationalisme kwam op met de opkomst van het begrip natie (afgeleid van het Latijnse natio wat betekent 'volksstam') aan het einde van de achttiende eeuw. Het is sterk verbonden met het proces van modernisering sindsdien. In Duitsland ontstond een cultuurnationalisme, terwijl in Frankrijk staatsnationalisme sinds de Franse Revolutie naar voren kwam. Waar deze stromingen aanvankelijk liberaal en progressief waren, gold dat niet voor het etnisch nationalisme dat opkwam in Centraal- en Oost-Europa. Nationalisme was gedurende de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw een van de grootste politieke bewegingen, met onder meer uitgevonden tradities en nationalistische geschiedschrijving tot gevolg. Buiten Europa begon het nationalisme vooral vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw terrein te winnen.

Oorsprongen[bewerken]

Volgens verschillende historici, onder wie Eric Hobsbawm, heeft het nationalisme jacobijnse wortels.[1] Het nationalisme wordt daarbij beschouwd als een uitwerking van de ideologie van de volkssoevereiniteit. Het Franse staatsnationalisme ontstond in de tijd van de Franse Revolutie en kenmerkte zich in eerste aanleg als liberaal en progressief. Het stond sindsdien model voor zich elders ontwikkelende nationalismen en was daarin een kader voor de democratische emancipatie van de staatsburgers. Echter, in het etnisch nationalisme of volksnationalisme van Centraal- en Oost-Europa was een geheel andere ontwikkeling gaande. De volkeren hier leefden in supra- en multinationale staten, zoals Oostenrijk-Hongarije, het Russische en het Ottomaanse Rijk, en konden hun politiek-staatkundige emancipatie niet binnen deze staten verwezenlijken. Zij streefden daarom naar een eigen nationale staatsvorm waarbinnen zij zich politiek zouden kunnen emanciperen. Hun uitgangspunt was daarmee niet het bestaande staatsburgerschap, maar het behoren tot een volk (etniciteit). Soevereiniteit was voor hen, anders dan in het staatsnationale denken, niet in de bestaande staat verankerd maar in een volk. Pas na het stichten van een op dat volk gebaseerde nationale staat zou politieke emancipatie tot een staatsburgerschap ontwikkeld kunnen worden. Na de Eerste Wereldoorlog zou dit ook het uitgangspunt worden in de vredesregelingen die uit de ontbonden multinationale grootmachten een aantal nieuwe nationale staten schiepen. Deze hadden een staatsburgerschap die nationaal innerlijk verdeeld was omdat aan elke nieuwe staat aanzienlijke nationale minderheden op zijn grondgebied werden toegewezen. In dit deel van Europa kwam de staatsvorming aldus in de schaduw van de nationale identiteitsvorming te staan. De nationale staat werd daar uiteindelijk het resultaat van de nationale identiteit, en niet de vormgever zoals in West-Europa. Na de Tweede Wereldoorlog zou dit spanningsveld gewelddadig opgelost worden door massale nationale ofwel etnische zuiveringen, waarin de staatsburgerschap werd beperkt tot de nationale volksgenoten en nationale minderheden over de staatsgrenzen werden verdreven. In feite zijn de West en de Midden-Europese staten als staatsnationale constructies aan elkaar gelijk geworden maar de weg daarheen is voor die eerste evolutionair en voor die laatste dramatisch en traumatisch geweest. Nog steeds speelt dit, tot onbegrip en misverstand leidende, verschil een rol in de verhouding tussen de Europese staten en in het begrip voor de tegenstellingen tussen natie en nationale minderheid in de Midden-Europese staten.

Deze tegenstelling tussen West- en Midden-Europa speelde overigens ook, maar dan alleen in de discussie, in West-Europa waar het staatsnationalisme al vroeg werd genuanceerd. Zo zocht Rousseau naar een legitimiteit voor de macht van een regering. De gedachte dat een opperwezen de regering haar bestaansrecht gaf was in het achttiende-eeuwse Frankrijk in kringen van verlichte filosofen niet meer aanvaardbaar. Deze opvatting wordt modernisme genoemd. Een andere belangrijke strekking is het etno-symbolisme (Anthoy D. Smith) dat stelt dat moderne naties weliswaar in de moderne tijd werden gevormd, doch wel met de (etnische) elementen uit het verleden en op basis van een gedeelde symbolische wereld. Nog weer andere opvattingen verdedigen de fundamentalistische stelling dat moderne naties in werkelijkheid op oeroude voorlopers teruggaan (perennialisme) en deze in moderne vorm voortzetten. Er bestaat op dit ogenblik geen algemeen aanvaarde verklaring voor de oorsprong van nationalisme en dat geeft aan dat dit begrip niet zonder nadere verklaring is te gebruiken.

Toch blijft ondanks de pluriforme betekenis nationalisme een waardevol discussiebegrip omdat het een juridisch en politiek fundamenteel probleem stelt door te bepalen dat een staatsburgerschap 'als volk' soeverein is, wat impliceert dat de mensen die tot dat volk behoren, boven de adel en de monarchie, het onvervreemdbaar recht hebben zichzelf te besturen en daartoe hun wetten op te stellen. Dit recht strekt zich dan uit tot de grenzen van hun staat, de nationale staat en maakt daarbinnen onderscheid tussen degenen die tot het staatsvolk horen en die als nationale minderheden daar buiten staan. Dit was overigens de basis van de natiestaat en de politieke betrokkenheid die zich tot democratie zou ontwikkelen. In dit kader is het derhalve een onontkoombare voorwaarde om te bepalen wie en op welke gronden behoort tot deze politieke natie.

Het gematigd nationalisme kan zich enten op een parlementaire democratie, maar het extreme, ook wel radicale, nationalisme tijdens het interbellum zag in democratie een verzwakking van de volks- en de staatskracht. In sociaal-economisch opzicht streefden nationalisten eenheid na, wat bijvoorbeeld leidde tot het corporatisme. Het belang van de natie eiste eenheid van het volk, en democratie was geïnstitutionaliseerde verdeeldheid. Dat gold overigens ook voor het communisme, dat de klassentegenstellingen benadrukte en het begrip volk beperkte tot de arbeidersklasse om het, althans theoretisch, boven alle volken te stellen en zodoende inter- of supra-nationaal te worden. Vele theoretici, zoals bijvoorbeeld David Miller, zien in de nationale staat het kader waarop zich een republikeinse democratie kan vestigen. Een republikeinse democratie bestaat eruit dat de burgers bereid zijn hun opvattingen te veranderen als anderen steekhoudende argumenten aanleveren en deze houding vereist onderling vertrouwen. De kans dat dit onderlinge vertrouwen zich voordoet is het grootst als solidariteit en wederzijdse (h)erkenning van de burgers onderling al in het behoren tot één volk gegeven zijn, derhalve in de national(istisch)e staat. Ondanks deze discussies is in West-Europa en Amerika het Staatsnationalisme steeds de dominante vorm van nationalisme gebleven, een waarin de natie wordt gedefinieerd als de burgerschap van de bestaande staat, die in principe verschillende volken of etniciteiten kan omvatten, zoals in immigrantenstaten en met name in de Verenigde Staten expliciet tot uitdrukking komt. Het formele staatsburgerschap is hier uitgangspunt. Het onderscheidt zich daarmee van het etnisch nationalisme dat juist een staat wil vormen vanuit één specifiek, tot natie geëvolueerd, volk. In het staatsnationalisme behoort men pas volledig tot de natie als men zich solidariseert en identificeert met de de wetgeving, gewoontes en normen, de geschiedenis en de taal van de staat. In het staatsnationalisme wordt de nationale identiteit bewust en programmatisch vormgegeven door het onderwijs en de media, om na enkele generaties een vanzelfsprekendheid te worden.

Nationalisme links of rechts?[bewerken]

In het politiek spectrum is nationalisme moeilijk in te delen bij links of rechts. In de beginfase, in het begin van de 19de eeuw, wilde het de samenleving revolutioneren en moet het dus links genoemd worden. In latere ontwikkelingen werd het nationalisme in de grote staten imperialistisch-expansionistisch en moet het als rechts gelden. Nationalisme bestaat in extreemlinkse vorm (nationaal-bolsjewisme), in extreemrechtse vorm (fascisme en nationaalsocialisme), maar ook in 'gewoon' linkse en 'gewoon' rechtse vorm (respectievelijk linksnationalisme en liberalisme/conservatisme). Daarnaast was er in de twintigste eeuw sprake van bevrijdingsnationalisme in de voormalige koloniën, die zich tot soevereine staten ontwikkelden. Nationalisme is hoe dan ook een belangrijke constituerende kracht geweest van de moderne samenleving.

Historisch gezien, in de 19de eeuw, fungeerde het nationalisme veeleer als progressieve (linkse) kracht, in die zin dat het streefde naar de emancipatie (ontvoogding) van volkeren. Tijdens de revolutiegolf van 1848 ging liberale emancipatie vaak samen met nationale ontvoogding; zowel liberalisme als nationalisme konden toen nog gelden als emanciperende bewegingen. Naarmate echter de eigenheid van het volk centraal begon te staan, gericht op een cultureel homogene stilering van de volksidentiteit (nationale identiteit) en dientengevolge de dwang op afwijkende minderheden zich daaraan te conformeren, dan wel de strijd aan te gaan om de hegemonie, evolueerde het nationalisme in de richting van een veeleer rechtse (conservatieve) kracht waarin de vorming van een eigen nationale staat centraal kwam te staan. Een goed voorbeeld vormt de Vlaamse Beweging. In de 19de eeuw viel de Vlaamse Beweging soms samen met het streven naar emancipatie van de Vlaamse 'volksmens'. In die zin was de beweging drager van een veeleer links, in ieder geval emancipatoir, streven. Naar het einde van de 20ste eeuw toe, naarmate Vlaanderen in economisch opzicht sterker werd dan Wallonië en dat ook politiek wilde verzilveren, ging de Vlaamse Beweging zich steeds openlijker losmaken van het unitaire staatsconcept België. Voorheen was dat een extreem standpunt geweest, maar nu werd het algemeen. In de Vlaamse Volksunie werd dit standpunt politiek vertaald en door een groot deel van de Vlamingen gesteund. Toen deze partij uit elkaar viel, gingen de extremisten een nieuwe formatie aan in het Vlaams Blok, later Vlaams Belang. De progressieven zochten een plaats in de nieuwe Spirit en de conservatieven in de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA). Op dit punt is het Vlaamse volksnationalisme in brede pluriformiteit tegenover het Belgische staatsnationalisme (Belgicisme), komen te staan, dat voornamelijk in Brussel en in Franstalige partijen zijn aanhang vindt.

Staatsnationalisme[bewerken]

Afbeelding van het staatsnationalisme tijdens de Belgische Revolutie in 1830

Staatsnationalisme is een vorm van nationalisme waarbij de staat centraal staat. Als schoolvoorbeeld wordt het Franse nationalisme aangegeven, dat zo zijn expansiedrift tijdens de Franse Revolutie kon legitimeren, maar dat weinig oog had voor de rechten van onder meer Bretoenen, Basken en Corsicanen. Menige vorm van staatsnationalisme leidde naar grootschalige inbreuken op de fundamentele regels van de democratie doordat discriminatie van etnische minderheden, of andere inbreuken op politieke of burgerlijke rechten met oog op het beschermen en in stand houden 'ten allen koste' van de homogeniteit en integriteit van de bestaande staat.

Het wordt gelegitimeerd door de actieve deelname aan de macht of rekening houdend met de wensen ervan van de inwoners van de staat (of van de dominante groep), zonder rekening te houden met de etnische achtergrond van die inwoners. Het Europees nationalisme werd gaandeweg bepalend na het Congres van Wenen (1815), te beginnen als een reactie op de nationaal indifferente staatsvormingen onder Napoleon Bonaparte. Inwoners van landen als Engeland, Frankrijk en Spanje hadden zich al eeuwen lang geconstitueerd op basis van een homogene staatsopvatting over recht en cultuur een bewust van hun cultuur, tot uitdrukking gebracht in een 'staats'taal. Nieuwe staten als Italië en het verenigde Duitsland zouden volgen maar moesten deze ontwikkelingsgang in heel korte tijd doormaken. Door het politieke darwinisme lieten zij zich inspireren en men moet dan spreken van imperialistisch. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er bij de vredesverdragen zeven staten bij die hun nationale grondslag met grote druk en tegen even grote weerstand in, vorm moesten geven met nationalisme als basis van hun politiek: onderwijs, propaganda naar binnen en agressieve assertiviteit naar buiten. Hun strijd met elkaar en met de minderheden op hun grondgebied was een voedingsbodem voor het fascisme.

Nationalisme ging in zijn extreme vormen (integraal nationalisme, fascisme) vaak gepaard met het verheerlijken van de oorlog als een middel tot genezing en versterking van een gedegenereerde natie. Dan konden heldendom en martelaarschap als offer aan de natie beleden worden. Het onderwijs droeg daartoe bij door de vaderlandse geschiedenis te verheerlijken en te verrijken met heldendaden uit het verleden met eenzijdige anachronismen en mythevormingen. Daarin werd een procesmatige continuïteit gesuggereerd die zich over vele eeuwen uitstrekte en die het moderne nationale elan terug wilde zien in die vele vorige generaties, welke overigens nimmer in een nationale gedachtewereld hadden geleefd. Nationale ceremonies kregen daarbij een rituele vorm met liederen, vlaggen en uniformen. Deze vorm was verwant aan traditionele religieuze ceremonies, en als zodanig voor de massa van de bevolking herkenbaar. Voor velen kon ze ook als substituut gaan dienen voor hun verdwijnende religiositeit. Wanneer nationalisme en religiositeit in eenzelfde regie konden worden uitgevoerd, zoals op de Balkan gebruikelijk was, versterkten ze elkaar wederzijds.

Volksnationalisme[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Volksnationalisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Volksnationalisme, ook wel genoemd etnisch nationalisme, is een vorm die uitgaat van een volk. Dit volk vormt een natie, en die natie moet de basis vormen van de bestuurlijke eenheid. Volksnationalisme gaat er dus van uit dat het volk belangrijker is dan de staat en de basis vormt van de staat.
Een volk wordt door volksnationalisten omschreven als een groep mensen met een gemeenschappelijke taal, cultuur en geschiedenis. Hieruit volgt dus niet noodzakelijkerwijs dat ook de etniciteit of de religie, godsdienst of levensbeschouwing dezelfde moeten zijn, hoewel homogeniteit in dat opzicht als voordeel wordt gezien omdat dat versterkend werkt. Voordat het volksnationalisme zich heeft geconcretiseerd in een nationale staat, staat het grondgebied niet vast omdat de criteria voor het betrokken volk ter discussie staan. Het Nederlandse nationalisme is in dit verband zeer atypisch. Aanvankelijk verbond het protestantisme en burgerlijke moraal met de natie. Omdat een kleine helft van de bevolking, in de grensstreken zelfs de grote meerderheid, zich niet kon vinden in dit nationalisme, bleef het altijd beperkt in zijn gezag. Tijdens de emancipatie van de katholieken ontwikkelden zij - bijna 40% van de bevolking - een eigen vorm van Nederlands nationalisme dat zich stoelde op de situatie voor de opstand en de 80-jarige oorlog. Dit nationalisme noemde het resultaat van de bevrijdingsoorlog juist een bezetting, althans een machtsovername door een minderheid en een beperking van het burgerrecht van de rooms-katholieke Nederlanders. Het wilde teruggaan op de middeleeuwen en sloot de zuidelijke Nederlanden (België) daarom niet uit. De nationale heldendaden in protestantse ogen werden op katholieke scholen als terreur en kerkschennis voorgesteld. Daarom zou in Nederland nooit een consensus over het nationalisme kunnen ontstaan en het nationalisme marginaal blijven. Latere pogingen, zoals die van de NSB, om zulke tegenstellingen alsnog te overstijgen, hadden slechts gering succes. De identificatie met de eigen groep bleef groter dan die met de natie. Nationaal (nationalistisch) onderwijs heeft nooit een basis gekregen in de Nederlandse praktijk, ondanks dat orthodox protestantse scholen zich soms demonstratief 'christelijk-nationaal' noemden.

Volk wordt staat[bewerken]

Later, halverwege de 19e eeuw, kwamen er in Europa bewegingen op om vanuit de veelheid van feodale en nationaal indifferente staatjes grotere natiestaten te scheppen. Zoals Italië, dat met het volksnationalisme in 1866 zijn eenmaking kon legitimeren. Het Italiaanse volksnationalisme evolueerde hierin tot staatsnationalisme, gericht op één natie met etnische en politieke homogeniteit.
Een ander voorbeeld was het Frankforter Parlement, dat in 1848 ijverde voor de oprichting van 'één Duitsland' voor alle inwoners van de Duitse staten. De liberalen sloten daarbij andere etniciteiten (taalgroepen) zoals Polen en Tsjechen niet uit, terwijl de nationalisten zich tot de sprekers van de Duitse taal wilden beperken. Dit parlement faalde echter en de Pruisische regeringsleider Otto von Bismarck zou de Duitse eenwording in 1870 dan toch te bewerkstelligen, maar op een smallere basis. Hoewel hij gebruik maakte van het volksnationale sentiment, was zijn creatie staatsnationalistisch en in het bijzonder Pruisisch staatsnationalistisch. Pas het succes van dit Duitse keizerrijk verzoende de nationaal dissidente groepen met dit nationale concept, hoewel dat niet zonder strijd ging, zoals in de Kulturkampf tegen de katholieke hiërarchie.

Politiek nationalisme[bewerken]

Politiek nationalisme is het geheel van aansporingen gericht op gemeenschapsvorming en gemeenschapsbeleid dat zich onderscheidt van de aansporingen van universalistische denkrichtingen. Deze laatste beschouwen principieel alle aardbewoners als mogelijke beneficianten en uitdragers van de boodschap. Nationalisten richten zich tot een door uiterlijke kenmerken herkenbare, gelijktalige of geografisch lokaliseerbare mensengroep. De doelstellingen (waarden) die zij voorhouden zijn door hun wezen of door hun voorstellingswijze slechts waardevol voor de betrokken bevolkingsgroep en kunnen daarin voor andere groepen een bedreiging vormen. Johann Gottfried Herder, die stereotype wordt verweten dit nationalisme te hebben gegrondvest, was alles behalve een politiek nationalist. Hij stelde zijn centrale begrip 'volk' voor als een verzameling van principieel gelijkwaardige cultuurvormen die allen binnen de scheppingsorde van het Opperwezen hoorden. Elke cultuurvorm had weliswaar eigen merites, was anders maar in haar waarde gelijk. De Schepper onderscheidt immers in vorm maar niet in waarde. Herder werd daarom in de nationale opwekkingsbewegingen van de kleinere Slavische volken vereerd als 'vader der Slaven'. Een ander woord voor nationalisme in zijn politieke vorm is soevereinisme; het Franse Front National is daarvan een treffend voorbeeld.

Debatten rond de term natie[bewerken]

Sommige auteurs nemen de stelling in dat het (modern) nationalisme de natie creëert in plaats van omgekeerd. De natie is in hun ogen een kunstmatige constructie, waarvan het nationalisme gebruik maakt om zichzelf te legitimeren. Voor deze auteurs bestaan er dus iets als een natuurlijke natie niet. Auteurs als Eric Hobsbawm, Ernest Gellner en Eugen Weber verdedigen deze visie.[2]

Er zijn echter ook auteurs die zich tegen deze visie verzetten. Zij geloven dat naties (of protonaties) wel vooraf kunnen gaan aan het nationalisme. Voor hen heeft natie iets oorspronkelijks, vandaar dat ze vaak primordialisten worden genoemd. Dit vindt men bijvoorbeeld terug in het werk van G.W.F. Hegel.[3] Dit gegeven, wezenlijke element zou zich gaandeweg openbaren. Naast een rigide wezensdenken, zoals in het conservatieve nationalisme, zien auteurs als Anthony D. Smith en Adrian Hastings een weliswaar gekaderde ontwikkeling, maar de vormen die daarin ontstonden liggen voor hun niet vast.

De meest recente tendensen in het debat rond 'natie' streven naar een verzoening tussen de twee visies. Maar men gelooft steeds minder dat ook bestaande nationale constructies onontbindbaar zouden zijn. Het separatisme, op volksnationalisme gebaseerd, is daar een voorbeeld van. Dat het nationalisme overwonnen en een kracht van het verleden is, wordt weersproken door de nieuwe staatsvormen die op het territorium van Joegoslavië recent ontstonden en eerder door de herleving van de Baltische staten in een nationaal-soevereine vorm. Zulke nationale bewegingen zijn nog steeds gaande binnen de voormalige Sovjetrepublieken, zoals in Armenië, Georgië en Moldavië en de separatisten in de noordelijke Kaukasus, waarvan de Tsjetsjenen het meest geruchtmakend zijn.

In de geschiedenis[bewerken]

De moderne kaart van de wereld is grondig beïnvloed door het nationalisme.

  • Het Amerikaanse staatsnationalisme leidde tot de opstand tegen de Britten en het uitroepen van de Verenigde Staten van Amerika in 1776-1781.
  • Het Franse staatsnationalisme legitimeerde de annexatie van onder andere de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Franse Revolutie
  • Het Griekse volksnationalisme leidde tot de onafhankelijkheidsstrijd van Griekenland in 1821-1828.
  • Het Belgische staatsnationalisme (belgicisme) leidde tot zijn onafhankelijkheid van Nederland in 1830.
  • Het Vlaamse volksnationalisme, gedragen door een brede Vlaamse Beweging, leidde via de Vlaamse ontvoogding in de 20e en begin 21ste eeuw naar eigen, autonome Vlaamse instellingen en tot de federalisering van België.
  • De Vlaamse nationalistische partijen Vlaams Belang en Nieuw-Vlaamse Alliantie streven naar de onafhankelijkheid van Vlaanderen.
  • Het Italiaanse volksnationalisme leidde tot de staatkundige vereniging van 1860 tot 1870.
  • De Fryske Nasjonale Partij en Spirit streven als EVA-leden naar een zo autonoom mogelijke status als regio binnen de Europese Unie; de laatste partij wil daarom dat België een confederatie wordt van drie autonome taalgemeenschappen.
  • Het Duitse volksnationalisme verenigde de Duitsers uit de verschillende Duitse staatjes in 1870, maar ontaardde in een expansionistisch staatsnationalisme, en een ontaarding daarvan in het nationaalsocialisme ten tijde van het Derde Rijk. De begrippen volk en natie werden in deze ideologie 'verheven' tot ras, waaraan de Duitse staatsgemeenschap werd opgeofferd.
  • Volksnationalisme droeg bij tot het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië.
  • Volksnationalismen die streefden naar een eigen staat leidden in ex-Joegoslavië tot etnische zuiveringen en grootschalige terreur tegen diverse etnische minderheden, welke als een sta-in-de-weg werden gezien voor deze nationale staatsvorming.
  • De extreme takken van het Baskische volksnationalisme proberen door middel van gewapend verzet en terreur en victimistische propaganda afscheiding van Spanje en aansluiting bij Frans Baskenland te bewerkstelligen, terwijl centralistisch Spaans staatsnationalisme het separatisme in het Baskenland, maar ook in andere autonome regio's als Catalonië en Galicië versterkt.
  • Nationalistisch gemotiveerde partijen in Nederland zijn er niet, in het verleden waren er marginale nationalistische, democratisch-nationalistische en neonazistische partijen zoals de Centrumpartij, Centrumdemocraten, CP'86, Nederlands Blok en de Nationale Alliantie. Lokaal is er enige activiteit van de Nederlandse Volks-Unie.
  • Een interessante en verhelderende visie op de impact op Afrika van het uit Europa ingevoerde idee van bevrijdingsnationalisme is te vinden in het derde hoofdstuk van Basil Davidsons The Black Man's Burden - Africa and the Curse of the Nation-State (1992; Nederlandse vertaling door Stan Verschuuren; uitgave Jan Mets, Amsterdam, en Novib, 's-Gravenhage 1994: Afrika en de vloek van de natiestaat. Daar pp 74–96: 'Schaduwen van verwaarloosde voorouders').
  • In Israël is sprake van een conflictueuze menging van staatsnationalisme en etnisch nationalisme of volksnationalisme. Hier dient men seculier zionisme, naast religieus zionisme te onderscheiden, terwijl in ultra- orthodoxe kring ook anti-zionisme bestaat omdat een wetgevende staat niet boven de religieuze wet wordt erkend.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Nations and Nationalism since 1780: programme, myth, reality, Cambridge, 1990.
  2. Zie bijvoorbeeld Gellner, Ernest & Breuilly John (intro.), Nations and Nationalism, Blackwell Publishing, Oxford, 2006, p. 47.
  3. Hegel, G.W.F. & Nisbet, H.B. (vertaling), Lectures on the Philosophy of World History, Cambridge, Cambridge university Press, 1975, p. 134.

  • Benedict Anderson, Imagined Communities. Londen/New York 1983, 1991.