Evolutionaire psychologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Psychologie

In de evolutionaire psychologie worden de psychologische aspecten van de menselijke geest en menselijk gedrag vanuit het oogpunt van de evolutietheorie verklaard. Daarbij worden psychische functies zoals geheugen, aandacht, waarneming en taal, maar ook menselijke eigenschappen en gedragingen zoals empathie, altruïsme, partnerkeuze, leiderschap, en intergroepsconflict beschouwd vanuit het perspectief van natuurlijke selectie.

Mensen kunnen bijvoorbeeld heel veel gezichten onthouden. Gezichtsherkenning biedt voordelen omdat het de mens in staat stelt om te onthouden met welke persoon ze welke informatie hebben gedeeld en met welke persoon ze welke soort relatie hebben. In de menselijke evolutie werden de sociale groepen steeds groter en was het dus voordelig om veel menselijke gezichten te kunnen onderscheiden. Omdat gezichtsherkenning een selectievoordeel bood kunnen we aannemen dat het om een evolutionaire aanpassing (adaptatie) gaat. Zo boden bijvoorbeeld een zekere mate van egoïsme en impulsiviteit maar ook empathie, behulpzaamheid en zelfbeheersing (mits onder de juiste omstandigheden getoond) bepaalde selectievoordelen. Evolutionaire psychologen nemen dan ook aan dat eigenschappen zoals empathie en behulpzaamheid ook adaptaties zijn.

De theorieën en bevindingen van de evolutionaire psychologie zijn van toepassing op vele gebieden, zoals economie, gezondheid, management, milieu, recht, psychiatrie, politiek en literatuur.

Geschiedenis en theoretische grondslagen[bewerken]

De theorieën waarop de evolutionaire psychologie is gebaseerd zijn afgeleid van het werk van Charles Darwin die een mechanisme ontdekte, natuurlijke selectie, waardoor soorten zich konden ontwikkelden en nieuwe soorten konden ontstaan. De evolutionaire psychologie maakt gebruik van de vooruitgang in de kennis van de evolutietheorie uit de evolutiebiologie.

Evolutionaire psychologen nemen aan dat natuurlijke selectie ook tot psychische aanpassingen heeft geleid, op dezelfde manier dat natuurlijke selectie ook tot anatomische en fysiologische aanpassingen. Zoals met aanpassingen in het algemeen, zijn psychische aanpassingen gespecialiseerd voor de omgeving waarin een organisme evolueerde, de omgeving van evolutionaire aangepastheid of de EEA (environment of evolutionary adaptedness). Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat organismen zich aanpassen aan hun omgeving. Seksuele (en sociale) selectie zorgt ervoor dat organismen zich aanpassen aan hun sociale omgeving bij het vinden van een seksuele partner. Seksuele selectie geeft aanleiding tot sekseverschillen. Omdat vrouwen een relatief grotere ouderlijke investering doen dan mannen (net als bij alle andere zoogdieren) zijn ze kieskeuriger dan mannen in de keuze van een seksuele partner. Deze voorspelling uit de evolutionaire psychologie is inmiddels vele malen aangetoond.

Een andere mijlpaal in de ontwikkeling van de evolutionaire psychologie is de inclusive fitness-theorie van William Donald Hamilton, voor het eerst naar voren gebracht in 1964. Hamilton liet met een wiskundig model zien dat individuen de verspreiding van hun genen in de volgende generatie kunnen versterken door naaste verwanten (kin) met wie ze hun genen delen te helpen overleven en zich voort te planten. Volgens de "regel van Hamilton", kan zo altruïsme zich ontwikkelen. Andere theorieën voor de verklaring van de evolutie van altruïstisch gedrag zijn wederkerigheid, reputatie, straf, en (culturele) groepsselectie. Deze theorieën verklaren niet alleen de evolutie van altruïsme maar ook van eigenschappen zoals empathie, schuld, woede, en loyaliteit.

Een belangrijk concept in de evolutionaire psychologie is de EEA of environment of evolutionary adaptedness. Deze term, geïntroduceerd door de Britse psychiater en psychoanalyticus John Bowlby (1907–1990), beschrijft de omgevingsfactoren waarin een bepaald gedrag evolutionair gezien tot stand is gekomen door middel van adaptaties en onder druk van de natuurlijke selectie. Aangezien bij mensen de omgeving vaak zo snel verandert dat de hersenen zich niet snel genoeg kunnen aanpassen kan er sprake zijn van een mismatch waarin adaptief gedrag in onze voorouderlijke omgeving niet meer adaptief is (bijvoorbeeld de angst voor slangen en spinnen en vreemdelingen).

Andere belangrijke theorieën die de evolutionaire psychologie gebruikt zijn: de levenslooptheorie (life history theory) van Erik Erikson, de theorie van ouderlijke investering (parental investment theory), de costly signaling-theorie van Amotz Zahavi, de indirecte reciprociteitstheorie en de culturele groepsselectie theorie.

Uitgangspunten[bewerken]

De evolutionaire psychologie is gebaseerd op een aantal essentiële veronderstellingen:

  1. Het menselijk brein is een informatieverwerkend orgaan, en stuurt gedrag aan in reactie op externe en interne prikkels.
  2. De adaptieve mechanismen waaruit de hersenen bestaan zijn gevormd door natuurlijke selectie.
  3. Verschillende neurale mechanismen zijn gespecialiseerd in het oplossen van verschillende problemen in het evolutionaire verleden van de mens.
  4. De menselijke psyche bestaat uit vele gespecialiseerde mechanismen, die elk gevoelig zijn voor verschillende typen informatie. Deze mechanismen brengen bepaald soort gedrag voort dat in het algemeen regel adaptief is, dat wil zeggen dat het de overlevingskansen en het voortplantingssucces van het individu verhogen.

De evolutionaire psychologie heeft zichzelf gevestigd als wetenschappelijke stroming en oefent een steeds sterkere invloed uit op de psychologie zelf, zowel in de Verenigde Staten als in Europa en Nederland. Evolutionaire psychologen beschouwen hun onderzoeksterrein niet zozeer als een subdiscipline binnen de psychologie, maar ze gaan ervan uit dat de evolutietheorie een fundamenteel, metatheoretisch kader kan bieden dat de richtingen binnen de psychologie met elkaar integreert alsmede met de biologie en antropologie. Binnen de verwante vakgebieden, biologische psychologie sociale psychologie antropologie en neurologie, hebben principes ontleend aan de evolutietheorie gedurende de laatste 20 jaar een groter gewicht gekregen.

De ontwikkeling van de menselijk hersenen is een belangrijk aandachtsgebied van de evolutionaire psychologie. Zo kunnen bijvoorbeeld functies als bewustzijn, taal, intelligentie en empathie in verband worden gebracht met de sterker ontwikkelde frontale kwabben, het groter hersenvolume en de sterkere lateralisatie van de menselijke hersenen vergeleken met de hersenen van andere zoogdieren. De groei van de neocortex in de menselijke evolutie wordt toegeschreven aan de noodzaak om in steeds grotere groepen te leven. Belangrijke invloedrijke vertegenwoordigers van deze richting zijn Michael Corballis, Robin Dunbar en Steven Pinker.

Methoden van Onderzoek[bewerken]

Een evolutionair psycholoog neemt hedendaags gedrag waar en probeert vervolgens te verklaren hoe, en onder welke (omgevings)factoren dit gedrag zo heeft kunnen ontstaan (evolueren). Bijvoorbeeld: de psycholoog neemt waar dat mensen vreemdgaan. Vervolgens probeert hij te bedenken (en te onderzoeken) of vreemdgaan een evolutionair voordeel kan zijn geweest. Als vreemdgaan inderdaad gunstig is geweest voor de voortplantingskansen van het individu, dan zal selectie zijn geweest op deze eigenschap. Dat kan dan de reden zijn waarom we ook tegenwoordig nog steeds vreemdgaan.

Evolutionaire psychologen maken gebruik van diverse onderzoeksmethoden om hun voorspellingen te toetsen waaronder gedragsexperimenten, cognitieve experimenten, neurowetenschappelijk onderzoek, vragenlijsten, onderzoek bij jager-verzamelaars, crosscultureel onderzoek, medisch onderzoek, archeologisch onderzoek, en computersimulaties.

Evolutionaire psychologen nemen aan dat gedragingen of eigenschappen die algemeen voorkomen in alle culturen goede kandidaten zijn voor evolutionaire aanpassingen. Voorbeelden van mogelijk geëvolueerde eigenschappen zijn: emoties, het waarnemen van gezichten, empathie, onderscheid tussen verwanten en niet-verwanten, en samenwerken met anderen. Evolutionaire psychologen doen theoretische voorspellingen vanuit de evolutietheorie over diverse soorten menselijke eigenschappen en gedragingen zoals altruïsme, intelligentie, leiderschap, persoonlijkheid, voorkeur voor seksuele partners, perceptie van schoonheid, ouderlijke investering die vaak uitkomen.

Controversen[bewerken]

Controverses over evolutionaire psychologie richten zich vaak op vragen over de toetsbaarheid van hypothesen, de theoretische veronderstellingen (zoals de modulaire werking van de hersenen, en de onzekerheid over de aard van de voorouderlijke omgeving), het belang van niet-adaptieve culturele verklaringen, maar ook politieke en ethische kwesties als gevolg van de interpretaties van sommige onderzoeksresultaten.

Evolutionaire Psychologie in Nederland[bewerken]

Aan Nederlandse universiteiten zijn er verschillende personen die evolutionair psychologisch onderzoek doen, bijvoorbeeld Prof. Bram Buunk (RUG), Dr. Annemie Ploeger (UvA), Dr. Thomas Pollet (VU) en Prof. Mark van Vugt (VU en Oxford). Aan de Vrije Universiteit Amsterdam is er een onderzoeksgroep die zich met evolutionaire psychologie bezighoudt en kan men ook evolutionaire psychologie studeren.

Er zijn diverse internationale wetenschappelijke organisaties waaraan Nederlandse evolutionaire psychologen verbonden zijn zoals de Human Behavior and Evolution Society (HBES) en de European Human Behavior and Evolution Association (EHBEA) die in 2013 haar jaarlijkse congres aan de VU in Amsterdam houdt.

Bronnen, noten en/of referenties