Culturele Revolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Culturele Revolutie
Naam (taalvarianten)
Traditioneel 無產階級文化大革命
Vereenvoudigd 无产阶级文化大革命
Hanyu pinyin wúchǎnjiējí wénhuàdàgémìng
Jyutping (Standaardkantonees) mou4 caan2 gaai1 kap1 man4 faa3 daai6 gaap3 ming6
Zhuyin ㄨˊ ㄔㄢˇ ㄐㄧㄝ ㄐㄧˊ ㄨㄣˊ ㄏㄨㄚˋ ㄉㄚˋ ㄍㄜˊ ㄇㄧㄥˋ
Letterlijke vertaling Grote Culturele Revolutie van het Proletariaat
Andere benamingen Grote Culturele Revolutie (wénhuàdàgémìng, 文化大革命)
Culturele Revolutie (wéngé, 文革)

De Grote Culturele Revolutie van het Proletariaat (wuchanjieji wenhuadageming), vaak afgekort tot Culturele Revolutie (Chinees: 文化大革命; pinyin: Wénhuà Dàgémìng) was een sociaalpolitieke revolutionare beweging die plaatsvond in de Volksrepubliek China van 1966 tot 1976. De beweging werd in gang gezet door Mao Zedong, de toenmalige voorzitter van de Communistische Partij van China, het doel was om het socialisme af te dwingen in het land door het verwijderen van de kapitalistische elementen uit de Chinese samenleving. De revolutie betekende de terugkeer van Mao Zedong tot een positie van absolute macht na de mislukte Grote Sprong Voorwaarts, waarbij volgens schattingen 18 miljoen[1] tot 45 miljoen[2] mensen omkwamen.

De revolutie begon in mei 1966. Mao zei dat burgerlijke elementen de overheid en de partij binnendrongen met als doel om het kapitalisme te herstellen. Hij stond erop dat deze revisionisten werden verwijderd door middel van een klassenstrijd. China's jeugd reageerde op de oproep van Mao door de vorming van de Rode Garde groepen in het hele land. De beweging verspreidde zich naar het leger, de stedelijke arbeiders, en de communistische partijleiding zelf.

Mao beëindigde officieel de Culturele Revolutie in 1969, maar de actieve fase duurde tot de dood van de militaire leider Lin Biao in 1971. De politieke instabiliteit tussen 1971 en de arrestatie van de Bende van Vier in 1976 wordt nu ook algemeen beschouwd als onderdeel van de Revolutie. Na de dood van Mao in 1976 kwamen er hervormers aan de macht onder leiding van Deng Xiaoping. Het merendeel van de maoïstische hervormingen is teruggedraaid. De Culturele Revolutie wordt nu officieel door de Chinese kapitalistische regering[bron?] als negatief verschijnsel gezien sinds de hervormers aan de macht kwamen.

Doel van de Culturele Revolutie[bewerken]

In 1966 lanceerde partijleider Mao Zedong de Culturele Revolutie, een project om de maoïstische verworvenheden te behouden. De partij had zich in de loop der jaren in een comfortabele machtspositie genesteld en bekommerde zich steeds minder om de maoïstische lijn. Bovendien dreigde een nieuwe bovenlaag te ontstaan in bijvoorbeeld fabrieken, op scholen en in de gezondheidszorg die een (on-maoïstische) neiging tot onafhankelijk denken had. Mao oordeelde dat deze ontwikkeling indruiste tegen de ideeën van het maoïsme, dat een samenleving in het vooruitzicht stelde waarin iedereen aan elkaar gelijk is en alleen maar voor het partijbelang werkt en leeft.

Hoe kon het tij gekeerd worden? Het kader, waarmee niet alleen de partijtop werd bedoeld maar de gehele bovenlaag, werd naar speciaal opgezette 'kaderscholen' op het platteland gestuurd om de kennis van het communisme op te frissen, in werkelijkheid om ze te straffen voor afwijkingen van de maoïstische lijn. Door lichamelijke arbeid te verrichten, leerde men solidair te zijn met boer en arbeider en vooral slavenarbeid als een boer of arbeider te verrichten en het karige minimale dieet te ontvangen van deze boeren en arbeiders. Artsen die normaal gesproken een luxueus leven leidden in de stad, moesten plotseling door rijstvelden waden, huizen bouwen en arme boeren behandelen. Daarnaast werden de socialistische ideeën van Marx en Lenin en vooral Mao opnieuw bestudeerd en moest veel aan verplichte systematische zelfkritiek gedaan worden. De sociale heropvoeding van het kader zou de dreigende teloorgang van het communisme in China tijdig een halt toeroepen, voorspelde Mao. Alhoewel de Culturele Revolutie voltooid werd verklaard in 1969, bleven de 'kaderscholen' bestaan; het kader moest immers blijvend worden herinnerd aan de beginselen van gelijkheid en solidariteit, ofwel de dreiging van afstraffing door middel van heropvoeding in 'kaderscholen' indien iemand afweek van de maoïstische lijn bleef boven ieders hoofd hangen.

Aanloop[bewerken]

Meteen na de machtsovername in 1949 was Mao al begonnen de zichtbare tekenen van China's oude beschaving af te breken zoals herdenkingsbogen, stadsmuren en poorten en verbood alle klassieke literatuur (behalve voor hemzelf).

In de lente van 1963 richtte Mao zijn pijlen op de traditionele Chinese opera, dat was in tegenstelling tot het Westen een soort volksvermaak. Hij verbood het genre 'Geestendrama's' omdat hij vond dat het toneel de werkelijkheid te dicht benaderde. Eind 1963 beschuldigde hij alle kunstvormen - opera, theater, volkskunst, muziek, de hoge beeldende kunst, dans, film, poëzie en literatuur ervan 'feodaal', 'kapitalistisch' en 'vunzig' te zijn.

In februari 1964 stelde hij : 'Gooi alle zangers, dichters, toneelschrijvers en schrijvers de steden uit, geen voedsel voor hen die niet weggaan.'

Hij voegde nu tempels en oude graftombes toe aan zijn lijst en klaagde erover dat zijn bevel niet snel genoeg uitgevoerd werd.

In juli 1964 drong Mao aan op de vernietiging van alle tuinen: "Bloemen kweken is een overblijfsel uit de oude maatschappij." Hij gelastte de meeste tuinlieden de laan uit te zenden.

In de jaren 19621965 ging het er Mao om elk facet van het leven "politiek te maken" en de cultuur te doden maar hij werd in toenemende mate tegengewerkt vanuit de partij. Weinigen waren blij met een leven zonder vermaak of kleur.

Verloop van het programma[bewerken]

In realiteit was de Culturele Revolutie niets anders dan een poging van Mao in de eerste plaats de kritiek op hem (lees: de critici) binnen de partijleiding te vermorzelen, in de tweede plaats het intellectuele leven, met alle kritische geluiden van dien, in de kiem te smoren en in de derde plaats een einde te maken aan de (deels heimelijke) toenemende tegenwerking door het kader en partijkader. De partijtop wist de massa’s opnieuw te mobiliseren door de gebruikelijke middelen: directieven, kaderactivisme, propaganda en terreur.

Aanvang[bewerken]

Op 14 april 1966 werd het "Dood aan de cultuur" - manifest van Madame Mao (zijn vierde vrouw Jiang Qing) openbaar gemaakt in opdracht van Mao en in overleg en met de onmisbare goedkeuring van legerleider Lin Biao, waarna al spoedig aangevangen werd met de Grote Zuivering die de "Culturele Revolutie" nu eenmaal was. (Vanwege de naam van dit Anti-Culturele manifest kreeg deze omwenteling de naam 'Culturele Revolutie'). In dit manifest werden alle vormen van cultuur aangeklaagd omdat 'deze geleid werden door functionarissen die een zwarte lijn volgden die in strijd was met het Denken van Mao Zedong'[3]. Maarschalk Lin Biao publiceerde in 1964 het bekende 'Rode boekje' met citaten van Mao, in de eerst plaats bedoeld om het leger mee te indoctrineren maar al gauw in heel China verplicht bezit en verplichte lectuur. Lin Biao en het Rode leger vormden Mao's stok achter de deur bij partijleiding en kader om de Culturele Revolutie gestart te krijgen.

Eind mei 1966 richtte Mao een nieuw kantoor op, De Kleine Groep voor de Culturele Revolutie (ook wel Kerngroep voor de Grote Proletarische Culturele Revolutie genoemd), om hem bij het leiden van de grote zuivering te helpen. Madame Mao had namens Mao de leiding daarin samen met Mao's vertrouweling, vroegere secretaris en partijfilosoof Chen Boda en Kang Sheng, als expert op het gebied van zuiveringen, als adviseur. Hieraan werden toegevoegd zijn machtige vertrouwelingen maarschalk Lin Biao en premier Zhou Enlai. Deze Kleine Groep werd door de "revolutionairen" ook wel aangeduid als "Het Centrum" dat hun de opdrachten voor hun activiteiten gaf en deze sanctioneerde.

In augustus 1966 werd door Mao de terreur van de "Rode Augustus" gestart om het land zo bang te maken dat het met meer conformiteit aan het maoïsme genoegen zou nemen. Vooraf waren eerst de toetsen en examens afgeschaft en daarna met ingang van 13 juni de lessen op de scholen en universiteiten geschorst. Docenten en bestuurders werden als eerste slachtoffers van de jongeren uitgekozen. Er was geen enkele school of universiteit in China waar geen wreedheden plaatsvonden.

Op 1 augustus schreef hij de eerste groep Rode Gardisten die muurkranten hadden geschreven waarin ze zwoeren "bruut te zijn" en Mao’s vijanden te vertrappen’ zijn "hartstochtelijke steun" toe en stuurde een afschrift naar het Centrale-Comité met de opdracht de Rode Gardisten publiekelijk te steunen. Het resultaat was dat de Rode Gardisten geleid door de kinderen van hoge functionarissen zich onmiddellijk aan wreedheden overgaven met folteringen, openbare terechtstellingen en vele zelfmoorden ten gevolge.

Mao liet op 5 augustus (de hem tegenwerkende) president Liu Shaoqi, via zijn premier Zhou Enlai, weten dat hij geen buitenlanders meer mocht ontmoeten of in het openbaar mocht optreden. Die dag schreef Mao een tirade tegen Liu die hijzelf twee dagen later voordroeg voor het Centraal Comité, waarbij hij Liu’s val bekendmaakte. Maarschalk Lin Biao verving nu formeel Liu als Mao’s nummer twee.

Op 18 augustus nam Mao samen met Lin Biao op de Tiananmenpoort een parade af van honderdduizenden op het plein verzamelde Rode Gardisten. Mao sprak ze toe: " Wees gewelddadig" en Lin Biao riep op "de oude cultuur te verpletteren". Op 27 augustus zei Mao tegen de nieuwe "autoriteiten": "Peking is niet chaotisch genoeg … Peking is te beschaafd". Bloedige overvallen op woonhuizen, om alles te vernielen wat met "cultuur" te maken had, trokken als een golf door heel China en werden door het Volksdagblad als "eenvoudig schitterend" toegejuicht.

Er was slechts een korte lijst opgesteld door Zhou Enlai (in opdracht van Mao) met enkele tientallen hoge functionarissen die gespaard moesten blijven.

In augustus - september 1966 zijn alleen al in Peking 33.695 huizen overvallen (onveranderlijk gepaard gaande met fysiek geweld), 1772 mensen doodgemarteld of doodgeslagen en bijna honderdduizend mensen verbannen naar het platteland. Van de 6843 monumenten die er in 1958 in Peking nog overeind stonden werden er nu 4922 gesloopt[bron?].

Rode Garde[bewerken]

De Rode Garde, een burgerbeweging die vooral bestond uit jongeren die zich staken in legeruniformen of in legerkleurige kleding met zware koppel (onmisbaar om mee af te ranselen), werd aangemoedigd het 'oude China' te vernietigen. In de praktijk kwam dit neer op het vernielen van eeuwenoude gebouwen als tempels, het plunderen en vernielen van kerken en het bestormen van scholen, fabrieken en partijgebouwen. Vervolgens vielen de gardes mensen aan die als verraders van het maoïsme werden beschouwd. De jongeren vernederden, martelden en vermoordden onder meer hun eigen leraren en zelfs hun ouders. In deze sfeer van chaos en paranoia vonden duizenden de dood. Alhoewel de Culturele Revolutie in de jaren zeventig officieel was voltooid, zette de partij het beleid voort om dissidenten naar de kaderscholen te sturen. Maar in feite waren deze scholen niets anders dan werkkampen waar critici gehersenspoeld werden om het communisme kritiekloos te aanvaarden.

Op 15 sept. 1966 gaf Lin Biao op een massabijeenkomst van de Rode Gardisten de instructie dat ze zich “moesten richten op de aanklachten tegen de machthebbers in de partij die de kapitalistische weg nastreefden” de zogenaamde "kapitalistische-weggers". Mao wilde zich massaal van hen ontdoen door het gehele partijkader te terroriseren en aan de zwaarst mogelijke zelfkritiek te onderwerpen zodat alleen de medestanders van de maoïstische lijn gerehabiliteerd zouden worden. De Rode Gardisten werden aangevuld met rebellerende werkers en arbeiders die hun bazen begonnen te terroriseren op basis van het model van de Rode Garde en die als "Rebellen" bekendstonden.

Op 1 januari 1967 werden deze "Rebellen" door Mao opgeroepen de macht van bazen in de partij over de hele linie over te nemen. De zuiveringen in China namen nu omvangrijke vormen aan en op 21 jan. 1967 werd de eerste topfunctionaris, de Minister van Steenkool, doodgemarteld. Uiteindelijk na twee tot drie jaar geleden te hebben onder martelingen en vernederingen werden miljoenen functionarissen de facto naar werkkampen verbannen, die verhullende namen als Kaderschool van 7 Mei' hadden. In deze kampen waren eerder reeds de cultuurhoeders – geleerden, schrijvers, kunstenaars, acteurs, journalisten – die in Mao’s nieuwe orde overbodig waren geworden, opgeborgen onder het motto 'heropvoeding' (lees: definitieve conformering aan het "Denken van Mao").

Begin 1967 werden miljoenen kaderleden en partijfunctionarissen afgemaakt (en bij miljoenen in de "Kaderscholen" opgeborgen of verbannen) en deze werden voornamelijk vervangen door militairen, dit zou op termijn mede zorgen voor grote invloed van het Volksleger op de economie.

In 1968 bereikten door de staat gesteunde moordpartijen in iedere provincie hun hoogtepunt in de reusachtige campagne "Zoek De Klassenrangen Uit". Oude en pas ontmaskerde vijanden werden opnieuw vervolgd en nieuwe werden "ontmaskerd" door het gedrag van iedere volwassene na te pluizen en onderzoek te doen naar iedere onopgeloste verdenking. Er waren wel 23 etiketten voor officiële uitstoting en het aantal vervolgden beliep vele tientallen miljoenen. De autoriteiten organiseerden "modeldemonstraties van de dood" om de mensen te laten zien hoe de gemobiliseerde massa’s zo wreed mogelijk konden optreden en in sommige gevallen hield de politie toezicht op de moorden.

Einde[bewerken]

Madame Mao (Jiang Qing) zorgde er terdege voor als chef van de "Kleine Groep" (zie boven bij "Verloop") dat er voor de rest van Mao's leven geen wederopstanding van de cultuur plaatsvond. Alleen boeken, liedjes en schilderijen die propagandistisch bijdroegen aan de persoonsverheerlijking van Mao werden nog gepubliceerd. China werd in een culturele woestijn veranderd.

Officieel werd de Culturele Revolutie beëindigd in 1969, qua macht was Mao namelijk definitief nu op ieder gebied bepalend, maar de meeste geschiedkundigen dateren het einde ervan op 1976, met de arrestatie van de Bende van Vier (na het overlijden van Mao Zedong), de belangrijkste leiders van de Culturele Revolutie naast Mao. Politiek gezien kan deze typering van de Culturele Revolutie worden gezien als een overwinning voor Deng Xiaoping, aangezien dit het voor hem mogelijk maakte alle gebeurtenissen tussen 1966 en 1976 af te schilderen als het werk van een beweging geleid door zijn politieke vijanden, de Bende van Vier (in werkelijkheid door Mao, maar die was en is nog steeds onaantastbaar in China).

Iran[bewerken]

In de periode 1980 - 1987 vond in Iran een zuivering plaats waarbij westerse en niet-islamitische invloeden van de universiteiten werden verwijderd. Dit proces werd aangeduid als de Iraanse Culturele Revolutie. Anno 2011 wordt door de neo-conservatieve regering van Ahmedinejad zelfs gezinspeeld op een 'tweede Culturele Revolutie' waarbij de universiteiten nogmaals gezuiverd zouden worden en staatscontrole over het internet verscherpt.

Literatuur (o.a.)[bewerken]

  • FOKKEMA, D.W. : Het Chinese alternatief in literatuur en ideologie. - Amsterdam : Arbeiders Pers, 1972. ISBN 90-295-1727-1
  • Jung Chang, Jon Halliday: Mao : het onbekende verhaal / uit het Engels vert. door Paul Syrier. - 2e herz. dr. - Amsterdam : Forum, 2008. - 939 p., [32] p. pl. - 1e dr. Nederlandse uitg.: 2005. ISBN 978-90-225-4794-6. 58 Hoofdstukken, tekst volledig voorzien van noten, verantwoording en documentatie achterin: 15 pagina’s met geïnterviewden, 56 pagina’s noten, 29 pagina’s Chineestalige bibliografie en bronnen, 26 pagina’s Niet Chineestalige bibliografie en bronnen. Kritische biografie van de Chinese leider (1893-1976).
  • Jung Chang, Jon Halliday: Drie dochters van China, Uitg. Forum 1997, 655 pag., 28 Hoofdstukken. Uit het Engels vertaald door Paul Syrier. Oorspronkelijke titel: Wild Swans, Three Daughters of China. Oorspronkelijke uitgever: Simon & Schuster, London. Inleiding voorzien van stamboom en chronologie van de gebeurtenissen. "Een blik in de hel, maar tegelijktertijd een grandioos boek en wie het gelezen heeft zal nooit meer dezelfde zijn" [Rudy Kousbroek in NRC Handelsblad]. "Dit buitengewone familieportret, vol drama, ontroering en horror, weerspiegelt een turbulente eeuw Chinese geschiedenis". [Publishers Weekly]. ISBN 90-225-2195-8

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Gráda, Cormac Ó (2011). Great Leap into Famine UCD Centre For Economic Research Working Paper Series .
  2. Dikötter, Frank. Mao's Great Famine: The History of China's Most Devastating Catastrophe, 1958-62. Walker & Company, 2010. p. xii ("at least 45 million people died unnecessarily") p.xiii ("at least 2.5 million were tortured to death or summarily killed") p.333 ("a minimum of 45 million excess deaths"). ISBN 0-8027-7768-6.
  3. Jung Chang (2005), ”MAO, Het onbekende verhaal” ,Uitg. Forum Amsterdam, 944 pag. ISBN 978-90-225-4794-6, Hoofdstuk 47 pag. 639