Jiang Qing

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jiang Qing rond 1940

Jiang Qing (maart 191414 mei 1991), ook bekend onder haar geboortenaam Li Yunho, was de vierde vrouw van Mao Zedong. Ze is vooral bekend vanwege haar rol in de Culturele Revolutie.

Voordat Jiang haar toekomstige echtgenoot leerde kennen, was ze actrice in Shanghai en gebruikte toen Lan Ping als artiestennaam. Daar had ze talloze liefdesaffaires met hoge functionarissen van de Guomindang. In 1937 vluchtte ze naar Yan'an, om daar toneel te doceren. Ze was een bekende van Mao's hoofd beveiliging Kang Sheng die haar in contact bracht met Mao Zedong en in 1939 trouwde ze met Mao. In beginsel was de partij niet blij met deze relatie gezien haar luchtig verleden. De communistische partij stond dit huwelijk na nogal wat intern beraad toe, mits Jiang zich minstens 30 jaar lang niet met de politiek zou bemoeien. Aanvankelijk hield ze zich aan deze belofte, maar in 1963 raakte ze bij de politiek betrokken doordat zij de Opera van Peking op revolutionaire leest wilde schoeien. Zij verving het historisch repertoire van de Opera van Peking door propagandistische opvoeringen die Mao verheerlijkten.

Jiang kreeg pas echt zeer grote invloed tijdens de Culturele Revolutie. In deze periode rekende ze af met vele (vroegere) politieke vijanden en met 'getuigen' van haar Shanghai-periode. In mei 1966 was ze door Mao aangesteld als voorzitter van de Kleine Groep voor de Culturele Revolutie, die was opgericht om af te rekenen met Mao's tegenstanders via de Grote Zuivering. In 1969 werd ze lid van het Politbureau. Haar invloed bleef groot tot de dood van haar man Mao in 1976.

Jiang zorgde er terdege voor dat er na de Culturele Revolutie voor de rest van Mao's leven geen wederopstanding van de cultuur plaatsvond. Alleen boeken, liedjes en schilderijen die propagandistisch bijdroegen aan de persoonsverheerlijking van Mao werden nog gepubliceerd. Tijdens Mao's leven is ze altijd zijn gehoorzame dienares geweest. Hun relatie wordt na Mao's overlijden door haar zelf als volgt beschreven: "Ik was de hond van voorzitter Mao. Wie voorzitter Mao me ook vroeg te bijten, beet ik".[1]

Het leven in de buurt van Jiang Qing was een nachtmerrie: ze stuurde personeel naar de gevangenis vanwege niet begane misdaden en was vanwege het vele bloed aan haar handen nogal paranoïde geworden. Iedereen probeerde zoveel als mogelijk bij haar uit de buurt te blijven omdat ieder contact met haar al snel tot een ramp kon leiden[2]. Alleen tegenover Mao zelf was ze gedwee omdat ze bang voor Mao was; alleen hij was machtig genoeg om haar kwaad te kunnen doen.

Na Mao's dood werd ze – met de overige leden van de zogenoemde Bende van Vier – gearresteerd en in 1981 tijdens een showproces tot de dood veroordeeld. Dit werd later omgezet in levenslang. In 1991 werd ze om medische redenen vrijgelaten. Korte tijd later verhing ze zich in haar woning.

Jiang kreeg in 1940 een dochter (van Mao) met de naam Li Na. Deze was haar moeder behulpzaam bij haar werkzaamheden tijdens de Culturele Revolutie, onder meer als directeur van het particuliere bureau van de Kleine Groep.

Bronnen[bewerken]

  1. Interview met de openbare aanklager van Jiang Qing, 13 oktober 1993
  2. Jung Chang (2005), ”Mao, het onbekende verhaal”, Uitg. Forum Amsterdam, 944 pag. ISBN 978-90-225-4794-6, hoofdstuk 53