Allegorie (letterkunde)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een allegorie in de literatuur is een metafoor die door het gehele gedicht, verhaal of boek wordt volgehouden. Bekende allegorieën zijn:
- Gedeelten uit de Bijbel, waaronder (volgens vele interpretaties) het Hooglied en vele passages uit de Openbaring van Johannes
- Gedeelten uit de Koran, dit wordt specifiek uiteengezet in de zevende vers van Soera Het Geslacht van Imraan.
- Herakles op de tweesprong, verhaald door Xenophon ("Memorabilia" 2, 1, 21 – 33)
- Allegorie van de grot van Plato
- Elckerlijc, waarin het leven van een persoon symbool staat voor de gehele mensheid
- De Christenreis (A Pilgrim's progress) van John Bunyan, vol met beelden van de bekering en het verdere leven van een christen
- De Kleine Johannes van Frederik van Eeden
- Jan, Jannetje en hun jongste kind van E.J. Potgieter
- Roman de la Rose van Guillaume de Lorris en Jean de Meung
- Animal Farm van George Orwell
- Lof der zotheid van Desiderius Erasmus
- De stad der blinden van José Saramago
In een allegorie worden abstracte begrippen voorgesteld als personen (Jaloezie, Dood, Deugd enz.). In de middeleeuwen was de allegorie vooral didactisch van aard: men kon zich de begrippen als personen voorstellen en ze aldus beter doorgronden.
Ook in de beeldende kunst komt de allegorie voor.
Zie ook[bewerken]
| Zie de categorie Allegories van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |