De goddelijke komedie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dante en zijn gedicht. Fresco van Domenico di Michelino in de Santa Maria del Fiore (1465).
Dante en Beatrice aan de oevers van Lethe 1889, door de Venezolaanse schilder Cristóbal Rojas

De goddelijke komedie (La Divina Commedia) is een epos van de Florentijnse dichter Dante Alighieri, geschreven in de eerste helft van de 14e eeuw. Het behoort tot de erkende meesterwerken van de wereldliteratuur, en tot de grootste culturele prestaties van de middeleeuwen.

Dante beschrijft in de Komedie zijn fictieve reis door het hiernamaals: hel, louteringsberg en hemel. Hij is zowel auctor (auteur) als actor (acteur) in zijn eigen gedicht, dat lange tijd Il Dante genoemd werd.

Aanvankelijk noemde Dante zijn magnum opus simpelweg Mijn komedie; het was Boccaccio die het in 1360 zijn huidige eretitel gaf. In de middeleeuwen was een komedie een verhaal dat goed afliep, in tegenstelling tot een tragedie. Met "komedie" wordt hier dus niet aangeduid dat het werk humoristisch zou zijn.

Achtergrond en structuur[bewerken]

Achtergrond[bewerken]

Dante schreef De goddelijke komedie in een periode dat Italië zich in een overgangsfase bevond tussen de middeleeuwen en de renaissance. Dit wordt duidelijk weerspiegeld in de Komedie: zowel middeleeuwse als klassieke thema's komen sterk naar voren. Dantes werk is door en door christelijk en staat in een traditie van fictieve reizen door het hiernamaals, maar tegelijk is het werk doorspekt met klassieke figuren, zoals Vergilius, die Dante letterlijk en figuurlijk voorgaat in Inferno. Dantes bewondering voor het Romeinse keizerrijk, dat hij als voorbeeld voor zijn eigen tijd zag, komt hier naar voren: Vergilius was de schrijver van de Aeneis, het epische stichtingsverhaal van Rome. Dit laatste werk was ook een belangrijke inspiratiebron voor de Komedie: citaten en parafrases uit de Aeneis komen veelvuldig voor.

In Dantes tijd heerste er een strijd in Italië tussen de welfen (Guelfi), aanhangers van de paus, en de ghibellijnen (Ghibellini), aanhangers van de Duitse keizer. Na de overwinning van de Welfen in Florence in 1289 splitste die partij zich in de Witte en de Zwarte Welfen. Dante zelf behoorde tot de keizergezinde Witte Welfen. Hij was ervan overtuigd dat een sterke keizer de politieke aspiraties van de paus kon breken, en Europa zo vrede en voorspoed zou brengen.

In 1302 werd Dante door de Zwarte Welfen, nadat zij de macht gegrepen hadden, bij verstek veroordeeld tot verbanning uit Florence. Hij zag zijn geboortestad nooit meer terug en schreef De goddelijke komedie in ballingschap, waarschijnlijk tussen 1308 en zijn dood in 1321.

Structuur[bewerken]

De Komedie is een epos in drie delen, getiteld Inferno (Hel), Purgatorio (Louteringsberg of Vagevuur) en Paradiso (Paradijs). Elk deel bevat 33 canti ("zangen"), van elk ongeveer 100 terzinen (drieregelige verzen). Daarnaast is er een inleidend canto bij Inferno, waarmee het totale aantal op 100 komt. Het gehele werk is geschreven in een inventief soort gekruist rijm. De eerste en derde regel van elke terzine rijmen op elkaar; de tweede regel rijmt op de eerste en derde regel van de volgende terzine. Het rijmschema wordt dus ABA BCB CDC... enz. Een voorbeeld (Inferno 1, 1-6):

Nel mezzo del cammin di nostra vita (A)
mi ritrovai per una selva oscura (B)
ché la diritta via era smarrita. (A)
Ahi quanto a dir qual era è cosa dura (B)
esta selva selvaggia e aspra e forte (C)
che nel pensier rinova la paura! (B)
Op het midden van mijn levensweg
bevond ik mezelf in een donker woud
want de rechte weg was verloren gegaan
Ach, hoe zal ik zeggen hoe zwaar het was
wat was dit woud woest en ruw en ongastvrij
de gedachte eraan vervult me weer met angst


Vita (1) rijmt op smarrita (3), oscura (2) op dura (4) en paura (6). Forte rijmt weer op de laatste woorden van verzen 7 en 9, enz.

De indeling van De goddelijke komedie is niet toevallig tot stand gekomen; zoals veel middeleeuwse werken staat het bol van getallensymboliek. De terzinen en de drie delen (canticas of lofzangen) verwijzen naar de Drievuldigheid. 33, het aantal canti per deel, verwijst naar de leeftijd waarop Christus stierf. Ook 100, het totaal aantal canti en het aantal terzinen per canto, werd gezien als een volmaakt, heilig getal (vandaar het extra, inleidende canto).

Taal[bewerken]

De Komedie is geschreven in het Italiaans, meer specifiek, in het Florentijnse dialect, en is daarmee één van de eerste grote werken in de Italiaanse volkstaal; in Dantes tijd werd nog meestal het Latijn gebruikt als schrijftaal. Dantes keuze voor de volkstaal speelde een belangrijke rol in de erkenning van het Florentijns als standaard-Italiaans, een status die het nog steeds heeft.

Wereldbeeld[bewerken]

In het geocentrische, ptolemeïsche wereldbeeld van de Komedie is de aarde bolvormig waarbij één halfrond bewoond is en het andere bijna volledig bestaat uit zee. Jeruzalem is het middelpunt van het bewoonde halfrond.

Binnen in de aarde, onder het bewoonde deel, bevindt zich de hel: een trechtervormige grot, ontstaan toen God de opstandige engel Lucifer uit de hemel smeet. Dit alles moet hebben plaatsgevonden voor de schepping van de mens. Lucifer belandde precies midden in de aarde en is dus in feite het centrum van het universum. De symboliek die hierin schuilt, is dat Lucifer het meest aardse wezen in het heelal is, en het verst verwijderd van de hemel.

De Louteringsberg bevindt zich midden in het zeehalfrond, diametraal tegenover Jeruzalem, en is gevormd uit de aarde die omhoogkwam bij het vormen van de hel. Dante bereikt de berg door dwars door de aarde te lopen/klimmen, door een soort tunnel met een ingang in het diepste punt van de hel. Om bij deze ingang te komen moet Dante over Lucifers harige lijf klimmen. Op de top van de Louteringsberg bevindt zich het aards paradijs, waaruit ooit Adam en Eva werden verdreven. Deze plaatsing is opvallend, aangezien het aards paradijs in de middeleeuwse traditie in het verre oosten werd geplaatst.

De hemel bestaat in Dantes visie uit een negental kringen of sferen rondom de aarde.

Het verhaal[bewerken]

Dante, verdwaald in het donkere woud. Een gravure van Gustave Doré.
Laat varen alle hoop, gij die hier binnen treedt
De veerman Charon nadert. Een gravure van Gustave Doré.
Een regen van vuur treft de godslasteraars
Minos spreekt recht
Vergilius houdt de duivel Malacoda (Kwelstaart) op afstand
De schismatici

Dante neemt de lezer mee op een tocht door het hiernamaals. Het verhaal van zijn reis speelt in de paasweek van het jubeljaar 1300 en de eerste etappe die hij aflegt voert hem de diepte van de aarde in, door de hel (Inferno), waar hij naast mythologische figuren ook bekende en machtige mensen uit Toscane tegenkomt. Vervolgens beklimt hij de Louteringsberg (Purgatorio), waar hij eveneens met vroegere hoogwaardigheidsbekleders spreekt. Zij worden gelouterd alvorens toegang te verkrijgen tot de hemel (Paradiso).

Tijdens zijn tocht door de hel en over de louteringsberg wordt Dante terzijde gestaan door zijn favoriete dichter, Vergilius, een Romein die leefde ten tijde van keizer Augustus. Vergilius vergezelt Dante door de hel, voorbij Lucifer zelf, over de Louteringsberg tot aan de poorten van de hemel, waar hij zijn volgende gids, Beatrice, ontmoet. Beatrice is gebaseerd op Beatrice Portinari, een meisje dat Dante tijdens zijn jeugd twee keer had ontmoet en dat hij nooit meer had vergeten. Beatrice begeleidt Dante door de hemel, tot aan het goddelijke licht.

Deel I: Inferno (Hel)[bewerken]

Proloog[bewerken]

Op Goede Vrijdag van het jaar 1300 is Dante 35 jaar oud, "Op het midden van ons levenspad" (canto 1:1).[1] Hij is verdwaald in een donker woud, dat een allegorie is voor een diepe persoonlijke crisis, en mogelijk voor het beramen van zelfmoord; in canto 13 worden de zelfmoordenaars gestraft in een woud. Hij wordt belaagd door wilde dieren, die symbool staan voor zijn zonden: een panter symboliseert de lust, een leeuw de hoogmoed en een wolvin de hebzucht. Hij wordt gered door zijn jeugdliefde Beatrice en Vergilius (canto 2), die hem de weg wijzen.

Vergilius en Dante betreden de hel door een poort met daarop een negenregelige spreuk, waarvan de laatste regel beroemd is geworden: "Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt" (Lasciate ogni speranza, voi ch'intrate; canto 3).

Indeling van de hel[bewerken]

De hel is ingedeeld in negen kringen. De buitenste kringen worden bevolkt door overledenen die zich schuldig gemaakt hebben aan incontinentia, het onvermogen om hun driften en lusten te bedwingen, de binnenste door de geweldplegers en bedriegers. De scheiding tussen deze twee groepen wordt gevormd door de muren van de stad Dis, die het binnenste van de hel insluiten, en de rivier de Styx die daaromheen stroomt. In de aller-diepste krocht van de hel, het Giudecca ("Judasput;" tevens een Italiaans woord voor Joodse wijk), zit Lucifer gevangen in het ijs.

Het zal de moderne lezer opvallen dat slechts weinig van de straffen die zondaars in de hel ondergaan met vuur te maken hebben. In de middeleeuwen werd de hel echter zelden voorgesteld als alleen een hete plek; marteling met kou werd ook vaak beschreven. Geheel in overeenstemming met deze voorstelling plaatst Dante Lucifer in een meer van ijs. Ook wordt in de hel veelal gebruikgemaakt van contrapasso's, blijkt uit de beschrijvingen.

Inferno is erg politiek van aard: Dante plaatst veel van zijn politieke tegenstanders (inclusief enkele pausen), maar ook sommige van zijn medestanders, in de hel. De verkopers van kerkelijke ambten, de simonisten, bevinden zich in de achtste cirkel.

Voorbij de poort is een gebied waarin zich de overledenen bevinden die tijdens hun leven geen keuze hebben gemaakt tussen goed en kwaad. Zij bevinden zich nog niet in de echte hel, maar zijn gedoemd eeuwig als gekken rond te rennen achter een banier aan, onderwijl geplaagd door wespen.

Verdoemde zielen worden de rivier de Acheron overgezet door Charon, de veerman van de doden uit de Griekse mythologie. Deze weigert de levende Dante over te zetten. Dante raakt echter bewusteloos bij een aardbeving en wordt wakker op de andere oever.

Limbo (voorgeborchte)[bewerken]

De eerste kring is het limbo of voorgeborchte (canto 4). Hier bevinden zich de deugdzame heidenen, waaronder Vergilius. Omdat zij niet gedoopt zijn, hebben ze geen toegang tot de hemel. Echter, ze worden niet gekweld door duivels, omdat ze geen kwaad verricht hebben; hun straf is een eeuwig leven in duisternis, verstoken van de goddelijke liefde.

In het limbo bevinden zich onder anderen Averroes, Cicero, Euclides, Homerus, Ovidius, Socrates, Plato en Saladin, maar ook mythische figuren als Aeneas. Het limbo is ook Vergilius' gebruikelijke verblijfplaats, die hij voor de gelegenheid mag verlaten om Dante de weg te wijzen. De bijbelse aartsvaderen (zoals Adam, Abraham, Koning David) verbleven aanvankelijk in het limbo, maar zijn er door Christus vandaan gehaald.

Koning Minos (onmatigen)[bewerken]

In de tweede kring staat koning Minos klaar om de zielen die binnenkomen te berechten en ze tot de juiste kring te veroordelen (canto 5). Ook in de Griekse mythologie werd Minos gezien als een van de drie rechters van de onderwereld.

In deze kring woedt een eeuwige storm, die de zielen voortblaast van de wellustigen, die hun erotische verlangens niet konden beheersen; o.a. Francesca da Rimini, Cleopatra VII en koningin Dido van Carthago. (Overigens pleegden de laatste twee zelfmoord, maar ze zijn blijkbaar niet bij de zelfmoordenaars in de zevende kring geplaatst.)

In de derde kring, waar het eeuwig regent, bevinden zich de vraatzuchtigen, die bewaakt en gemarteld worden door Cerberus (canto 6).

In de vierde kring duwen de hebzuchtigen en de verkwisters zware lasten zinloos heen en weer (canto 7). Vgl. Sisyphus.

De vijfde kring bevat de moerassige Styx, waarin de agressievelingen elkaar tot in eeuwigheid bevechten. De wrokkigen liggen onder water.

De stad van Dis (geweldplegers)[bewerken]

Phlegyas brengt Dante en Vergilius over de Styx (canto 8). Nadat een engel de poort geopend heeft (canto 9), komen ze in de stad van Dis (een van de Latijnse namen van de god Hades), waar de geweldplegers gestraft worden. Het eerste deel van Dis, de zesde kring van de hel, is een grafveld met brandende open graven, waarin de ketters liggen (o.a. Epicurus in canto 10).

In de zevende kring lijden de geweldplegers. Deze kring is onderverdeeld in drie delen:

  • In het eerste deel bevinden zich degenen die geweld hebben gepleegd tegen anderen (canto 12); hetzij lichamelijk, hetzij tegen het bezit van een ander. Zij liggen in een kolkende bloedrivier, de Phlegeton, en worden bewaakt door centauren. In de Phlegeton ligt o.a. Attila de Hun. Nessus brengt de dichters de rivier over.
  • Het volgende deel is een woud, bestaande uit in bomen veranderde zelfmoordenaars, die geweld tegen zichzelf gepleegd hebben (canto 13). Hun zonde is dat zij hun door God gegeven leven niet gewaardeerd hebben. Ze worden gestraft door harpijen, die hun scherpe klauwen in de takken zetten, waarbij de bomen bloeden. Als Dante een tak van een struik afbreekt spreekt deze tegen hem. Dit is gebaseerd op een scène in de Aeneis, waar een struik die op een graf groeit bloedt en spreekt namens de dode, na het afbreken van een tak. Andere zelfmoordenaars, die tevens verkwisters waren, rennen door het bos, opgejaagd door jachthonden die hen willen verscheuren. De zelfmoordenaars verschillen in één belangrijk opzicht van de andere zondaars: op de jongste dag zullen de andere gekwelde zielen hun lichaam weer gaan bewonen, wat hun pijnen verhevigt. De lichamen van de zelfmoordenaars zullen echter aan hun nieuwe boomlichamen worden opgehangen.
  • In het derde deel lijden de godslasteraars, die geweld plegen tegen God, de sodomieten, die geweld plegen tegen de natuur, en de woekeraars, die geweld plegen tegen de kunst (canto 14-17). Zij rennen rond in een woestijn, terwijl vuur op hun hoofden regent. Een van de sodomieten is Dantes vriend en leermeester Brunetto Latini, die Dante voorspelt dat hij verbannen zal worden.

De malebolge (bedriegers)[bewerken]

De achtste kring van de hel heet de malebolge, Italiaans voor "buidels van het kwaad." De dichters bereiken deze kring, die een diepe en steile afgrond vormt, vliegend op de rug van de draak Geryones. Er zijn tien "buidels," kloven, voor tien soorten bedriegers:

  • Verleiders en koppelaars lopen in tegengestelde richting door de eerste malebolgia, letterlijk opgezweept door duivels (canto 18).
  • De vleiers baden in drek in de tweede kloof.
  • De derde kloof is gevuld met simonisten, waaronder paus Nicolaas III (canto 19). Deze paus, die op zijn kop in een gat in de grond zit waar alleen zijn brandende voeten uitsteken, herkent Dante niet en vraagt of zijn opvolger misschien is gearriveerd. Bedoeld wordt Dantes vijand paus Bonifatius VIII, die in 1300 nog in leven was. Nicolaas voorspelt ook de latere komst van paus Clemens V naar deze regionen. Beiden zullen bovenop Nicolaas gestapeld worden, net als onder hem een hele stapel zondige pausen begraven is.
  • In de vierde kloof lopen magiërs, heksen en zieners rond, waaronder Tiresias (canto 20). Hun hoofd is achterstevoren op hun nek gezet.
  • De vijfde kloof bevat een bad van kokend pek, gevuld met corrupte politici en ambtenaren (canto 21-22). Ook worden zij belaagd door duivels met hooivorken.
  • In de zesde kloof lopen de huichelaars rond in loden pijen, die aan de buitenkant een gouden glans vertonen (canto 23). Kajafas en andere leden van het Sanhedrin die Christus naar Pontius Pilatus zonden zijn aan de grond genageld in een kruishouding.
  • De dieven lijden in de zevende kloof (canto 24-25). Zij ontbranden spontaan, waarna ze weer uit hun as herrijzen, en ze worden belaagd door slangen. Eén dief versmelt met een vuurspuwende slang tot een draakachtig wezen.
  • De kwade raadgevers branden in de achtste kloof (canto 26-27). Onder hen is Odysseus, die de Trojanen bedroog met het Paard van Troje (de Trojanen zijn volgens de Aeneis de stamvaders van de Romeinen).
  • In de negende kloof lijden de schismatici, onder wie Mohammed en Ali (canto 28-29). De stichting van de islam werd beschouwd als een splitsing in het christendom, omdat Mohammed volgens de middeleeuwers eerst een christelijke priester zou zijn geweest. De splitsers worden verminkt (Mohammeds romp wordt opengereten, net als Ali's hoofd) door een duivel met een zwaard. Vervolgens maken ze een rondgang door de hele kloof, waarbij hun wonden helen, tot ze weer bij de duivel uitkomen.
  • De tiende en laatste kloof is de verblijfplaats van alchemisten en vervalsers (canto 29-30). Zij lijden aan gruwelijke kwalen.

Cocytus (verraders)[bewerken]

Voorbij de malebolge ligt de Cocytus, de negende kring en daarmee het diepste punt van de hel. Om er te komen moet Dante een gebied passeren waar een groep reuzen geketend zit als straf voor hun opstand tegen God (canto 31). Deze reuzen zijn gebaseerd op zowel de mythologische giganten en titanen als op de bijbelse nefilim. De reus Antaios tilt Dante en Vergilius omlaag naar het bevroren meer waarin de verraders vastzitten. Het is verdeeld in vier delen, genoemd naar beruchte verraders:

  • Caina, naar Kaïn, de broedermoordenaar uit Genesis: verraders van familie (canto 32).
  • Antenora, naar Antenor, verrader van de Trojanen tijdens de Trojaanse oorlog: landverraders (canto 33). Dante schopt een verrader van de Welfen in het gezicht. Ook een Ghibellijnse verrader blijkt hier te zijn.
  • Ptolemaea, naar Ptolemaeus, landvoogd van Jericho in I Makkabeeën: verraders van gasten.
  • Giudecca of Judecca, naar Judas: verraders van hun meester (canto 34). Meest prominente aanwezigen zijn Judas, verrader van Christus; Brutus en Cassius, verraders van Julius Caesar; en Lucifer, verrader van God. Lucifer, ooit een zesvleugelige serafijn, is nu een driekoppige, harige reus. Door met zijn zes vlerken te wapperen veroorzaakt hij de kille wind die de Cocytus in ijs verandert, en in zijn drie bekken verslindt hij Judas, Brutus en Cassius.

De dichters klimmen over Lucifers lijf naar een spelonk die naar de andere kant van de aarde leidt.

Deel 2: Purgatorio (Louteringsberg)[bewerken]

Dante en Vergilius bij de poort van de louteringsberg. Aquarel van William Blake

Dante en Vergilius beklimmen de Louteringsberg, die een eiland aan de andere kant van de aarde vormt (zie Wereldbeeld, boven). Op deze berg, die vergelijkbaar is met het vagevuur, worden de boetzamen gelouterd van hun zonden voor ze het paradijs mogen betreden.

Overigens was het bestaan van zoiets als het vagevuur nog geen kerkelijk dogma in Dantes tijd, maar het idee leefde sterk in het volksgeloof.

Purgatorio is het meest persoonlijke deel van de Komedie. Op een gegeven moment merkt Dante bijvoorbeeld op dat hij de Louteringsberg weer zal zien en er nog veel tijd zal moeten doorbrengen. Purgatorio is een allegorie voor Dantes eigen loutering, die hem terugbracht op het "rechte pad" (la diritta via, Inferno 1:3).

Aan de voet van de Louteringsberg ontmoet Dante Cato de jongere, die de toegang tot het eiland beheert (canto 1). Hoewel Cato de aartsvijand van Dantes held Julius Caesar was, en hij zelfmoord heeft gepleegd, bevindt hij zich niet in de hel. Waarschijnlijk is dit omdat hij ook in de Aeneis als rechter in de onderwereld optreedt.

In canto 2 arriveert een sloep met zielen, onder wie Dantes vriend Casella, die gedichten van hem op muziek had gezet. Opvallend is dat hij al een tijd dood is, en pas naar hier komt na het ontvangen van een aflaat; Dante beschouwde de handel in aflaten als simonie.

Aan de voet van de berg bevinden zich vier groepen zondaars die maar moeten wachten tot zij toegelaten worden. Dit zijn de geëxcommuniceerden (canto 3), zij die laat tot berouw kwamen (canto 4), zij die geen absolutie ontvangen hebben (canto 5) en heersers die te veel tijd aan wereldse zaken besteed hebben (canto 7-8).

Pas in canto 9 komt Dante op de werkelijke Louteringsberg aan, door een poort die bewaakt wordt door een engel.

De Louteringsberg bestaat uit zeven omgangen, die corresponderen met de zeven hoofdzonden. Dit zijn, van beneden naar boven:

  1. De hovaardigen/hoogmoedigen (canto 10-12). Zij gaan gebukt met zware lasten om nederigheid te leren. Dante verwacht hier na zijn dood tijd te moeten doorbrengen.
  2. Van de afgunstigen zijn de ogen dichtgenaaid (canto 13-15).
  3. De toornigen lopen rond in een dikke rook, symbool voor de verblindende woede die hun leven gekenmerkt heeft (canto 15-17).
  4. De tragen rennen continu rond (canto 18-19).
  5. De hebzuchtigen, onder wie paus Adrianus V, liggen op hun buik in het stof (canto 19-21). In canto 21 komt Dante de dichter Publius Papinius Statius tegen, die hem informeert over het hoe en wat van de loutering. Statius' bekering tot het christendom is hoogstwaarschijnlijk een verzinsel van Dante.
  6. De onmatigen eten en drinken niet (canto 22-24).
  7. De wellustigen branden in een muur van vuur (canto 25-27). Dante zelf moet ook door dit vuur lopen, als straf voor zijn eigen onkuisheid.

Voor elke omgang ziet Dante een voorbeeld van de deugd die de zondaars op die omgang bijgebracht moet worden, hetzij als een reliëf in de bergwand, hetzij in een visioen.

Het aards paradijs[bewerken]

Dante steekt de rivier de Lethe over en ontmoet een vrouw genaamd Matelda. Onbekend is of zij een historische of allegorische figuur voorstelt.

Dante neemt afscheid van Vergilius. Vergilius mag, als heiden, niet het paradijs betreden. Allegorisch neemt Dante afscheid van de ratio, die hem niet verder kan leiden; vanaf nu is Beatrice, personificatie van de goddelijke liefde, zijn gids.

Deze gang van zaken is een symbolische, persoonlijke afrekening met Dantes vroegere enthousiasme voor filosofie, vooral voor Averroes, waarin Dante in zijn jeugd geïnteresseerd is geweest. Averroës' idee van de dubbele waarheid (van filosofie en van theologie) verwerpt hij, in lijn met de visie van de kerk. De rede brengt hem tot hier, maar verlossing kan hij alleen vinden door zijn geloof.

Deel 3: Paradiso (Paradijs)[bewerken]

Dante en Beatrice aanschouwen het empyreum

Waar Inferno politiek van thema was en Purgatorio persoonlijk, is Paradiso vooral theologisch. Dante voltooit zijn loutering door het ware geloof te accepteren, verbeeld door Beatrice.

Dantes lichaam is tijdelijk ijl gemaakt door zijn tocht over de Louteringsberg, zodat hij vanaf het aards paradijs met Beatrice ten hemel kan stijgen. Hij passeert de dampkring en de "vuurkring", de schil van vuur die volgens Ptolemaeus de aarde omgeeft (canto 1-2). Buiten de vuurkring bevinden zich negen hemelkringen, elk bevolkt door een ander type engelen. Dit laatste idee is ontleend aan Pseudo-Dionysius' De coelesti hierarchia.

In canto 3 stijgt Dante op naar de hemel van de maan, die bestierd wordt door "gewone" engelen, en ontmoet hij de eerste hemelbewoners (met uitzondering van Beatrice). In tegenstelling tot de zielen in de hel en op de louteringsberg hebben de hemelingen geen menselijke gedaante meer. Gewoonlijk verblijven zij allen in de hoogste hemel, maar ze dalen af om Dante onderweg te ontmoeten.

De negen hemelkringen zijn:

  1. De kring van de maan
  2. De kring van Mercurius
  3. De kring van Venus
  4. De kring van de zon
  5. De kring van Mars
  6. De kring van Jupiter
  7. De kring van Saturnus
  8. De kring van de vaste sterren
  9. Het primum mobile of "eerste bewegende"

Hierbuiten bevindt zich het empyreum (van Gr. πυρ, pyr of pur, "vuur"), waarin zich God en de zielen van de deugdzamen bevinden. De zaligen zitten in een soort amfitheater in de vorm van een roos. Dantes leidsman in het empyreum is Bernard van Clairvaux. Hij ziet Maria, Jezus en uiteindelijk God zelf.

Een van de personen die Dante in de hemel ontmoet is zijn voorvader Cacciaguida, die hem in canto 17 zijn verbanning uit Florence voorspelt.

Constateringen[bewerken]

Opvallend is het groot aantal "actuele" verwijzingen dat Dante in zijn boek gebruikt. Politieke tegenstanders van Dante, de pausgezinde Ghibbelijnen en Zwarte Welfen, die verantwoordelijk waren voor zijn verbanning in 1302, worden doorgaans in de hel geplaatst. Sommige Witte Welfen, familieleden en vrienden van Dante, worden in de hemel geplaatst. (Dante was echter eerlijk genoeg om medestanders die hij als zondaars beschouwde, ook in de hel te plaatsen.) Het is daarom onmogelijk de Divina Commedia niet ook als een politiek pamflet te lezen. De belangrijkste strijd daarbinnen is, zoals gezegd, die tussen de Welfen en de Ghibbelijnen, die culmineert in de plaatsing van paus Bonifatius VIII, Dantes politieke tegenstander, in een van de laagste kringen van de hel.

Ook de functie van zijn begeleiders is symbolisch. Vergilius, Beatrice en Maria staan achtereenvolgens voor geloof, hoop en liefde, de drie hoofddeugden binnen de katholieke kerk. Zo kan Dante de hoofddeugden een personificatie geven, waarbij de keuze voor Beatrice als personificatie van een hoofddeugd opvallend is, aangezien zij geen persoon van betekenis was in de maatschappij van die tijd, en dus puur door Dante om persoonlijke redenen gekozen wordt.

Nederlandse vertalingen[bewerken]

  • De Komedie, 'De Hel, Het Vagevuur en Het Paradijs', vertaling door Dr. Jan Conrad Hacke van Mijnden. Het laatste deel kwam uit in 1873. Een vertaling op rijm, in terzinen en met metrum. Door hem in privé uitgegeven in 100 exemplaren per boek. De boeken zijn geïllustreerd met pentekeningen van Gustave Doré.
  • De goddelijke komedie, 'De Hel' (1874), vertaling van Mr. Joan Bohl.
  • De goddelijke komedie, 'Het Vagevuur' (1880), vertaling van Mr. Joan Bohl.
  • De goddelijke komedie, 'Het Paradijs' (1884), vertaling van Mr. Joan Bohl.
  • De goddelijke comedie, (1906-1908), vertaling van J.K. Rensburg, met noten en pentekeningen van Gustave Doré.
  • De goddelijke komedie (1923), vertaling van Albert Verwey.
  • Dante's goddelike komedie (1930), vertaling Christinus Kops O.F.M. Vertaling met behoud van metrum, waar mogelijk ook rijm. Met noten.
  • De goddelijke komedie, (1932), vertaald door Betsy van Oyen-Zeeman met een inleiding van B.H. Molkenboer, O.P.
  • Divina Commedia, met Nederlandse vertaling, 3 delen,(1940) Frederica Bremer
  • De goddelijke komedie (1987), vertaling Frans van Dooren. Verhalend (proza), met noten.
  • Mijn komedie: Hel (1999), vertaald, geannoteerd en ingeleid door Jacques Janssen.
  • De goddelijke komedie (2000), vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen, (Athenaeum-Polak & Van Gennep). Een vertaling op rijm, met behoud van metrum. Geen elisie (niet: d'oude), vrijwel geen inversies (omkering van object-subject). Met overname van commentaren uit een groot aantal bronnen, en de oorspronkelijke Italiaanse tekst. Alle pentekeningen van Gustave Doré. Een eerste druk verscheen in 2000, precies 700 jaar na de periode waarin het verhaal zich afspeelt (de Goede week van 1300).
  • De Goddelijke Komedie (2005), vertaald en geannoteerd door Rob Brouwer, inleiding van Ronald de Rooy (Primavera Pers).

Trivia[bewerken]

  • De eerste geïllustreerde uitgave uit 1481 van De goddelijke komedie is in het bezit van de Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam.
  • In 1995 bracht de metalband Iced Earth een album uit dat gebaseerd was op De goddelijke Komedie, getiteld Burnt Offerings, het bevat een 16 minuten lang lied getiteld "Danté's inferno", dat het hele eerste deel van de komedie bevat namelijk de hel.
  • In 2006 bracht de Braziliaanse thrashmetalband Sepultura een conceptalbum uit op basis van De goddelijke komedie, getiteld Dante XXI.
  • de Amerikaanse componist Robert W. Smith schreef een compositie voor orkest The Divine Comedy - Symphony Nr. 1
  • EA games heeft het spel en de daarvan afgeleide animatiefilm Dante's Inferno gebaseerd op het eerste deel, 'Inferno', van De goddelijke komedie
  • Drs. P (Heinz Polzer) publiceerde in 2003 'Mijn Reis met Dante door de Hel', geschreven vanuit het standpunt van Vergilius en gepresenteerd als een vertaling uit het Latijn. Het dichtwerk volgt vrij nauwkeurig het relaas van Dante en telt 220 onzijnen (elf-regelige verzen in terzinestructuur, een vorm die door Drs. P werd ontworpen).

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

  • De goddelijke komedie, vertaling en commentaar van Ike Cialona en Peter Verstegen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2000.
  • R.W.B. Lewis, Dante. Weidenfeld & Nicolson, 2001.
  • Dante's Goddelike Komedie, vertaling van Christinus Kops, 1929-1930

Voetnoten

  1. De aanhef van het gedicht is volgens Christinus Kops mogelijk een zinspeling op een episode uit Jesaja XXXVIII v. 10, waar Koning Ezechias zegt: "Op de helft mijner dagen zal ik gaan naar de poorten van de onderwereld."
Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 16 februari 2006 in deze versie opgenomen in de etalage.