Aartsvader

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Aartsvaders (Grieks: patriarchen) is in de Bijbel, de Tenach en de Koran de benaming voor Abraham en diens zonen en kleinzonen.

De Hebreeuwse Bijbel[bewerken]

(Genesis 17:1-27). Ook wel voor de stamvaders van Adam tot Abraham (Genesis 5 en Genesis 11:10-26) en een enkele keer voor de twaalf zonen van Jakob (Handelingen 7:8-9), evenals voor David (Handelingen 2:29).

Abraham op een Russisch icoon (midden 16de eeuw)

De eerste voorvader van de Israëlieten was Abraham. Hij kwam uit de Zuid-Mesopotamische stad Ur. Ur lag aan de rivier de Eufraat. Een deel van zijn familie ging in Haran wonen, enkele kilometers ten noorden van Ur. Toen zijn vader Tera stierf, riep God Abraham en zei tegen hem dat hij op reis moest naar een beloofd land. Dit land heette Kanaän en hier bleef Abraham de rest van zijn leven wonen. In Kanaän leidde hij met zijn metgezellen een nomadenleven, ze trokken van plek naar plek op zoek naar water en eten.

De Hebreeuwse Bijbel vertelt dat God, toen Isaäk nog een jongen was, het geloof van zijn vader Abraham heel erg op de proef heeft gesteld, door hem te vragen Isaäk te offeren. Juist toen Abraham op het punt stond hieraan gehoor te geven, kwam een engel tussenbeide en Isaäks leven werd gespaard. Doordat Abraham zoveel voor God over had, sloot God een verbond met hem, en beloofde dat zijn nakomelingen rijk gezegend zouden worden.

De zoon van Abraham, Isaäk is de tweede aartsvader. Isaäk trouwde met Rebekka, en zij kregen 2 zonen: Esau en Jakob. Het verhaal zegt dat toen Isaäk hoogbejaard was, Jakob hem bedroog, zodat hij het erfdeel kreeg van Esau (de eerstgeborene). Uit angst voor de wraak van Esau vluchtte Jakob naar zijn familie in Paddan-Aram. Pas twintig jaar later herenigde hij zich weer met Esau. Jakob is de derde aartsvader van Israël.

Koran[bewerken]

Ook in de Koran worden de aartsvaders vermeld. Voor moslims is Ibrahim de stamvader. Moslims, en ook christenen en joden, beschouwen Ibrahims oudste zoon Ismaël als stamvader van de Arabieren. Ismaël werd samen met zijn moeder Hagar door zijn vader weggestuurd de woestijn in, alwaar zijn vader hem later op kwam zoeken. Later herbouwden ze samen de Ka'aba.