Brief aan de Hebreeën

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hebreeën
De tempel van Herodes
De tempel van Herodes
Tijd 65-70
Taal Grieks
Hoofdstukken 13
Vorige boek Filemon
Volgende boek Jakobus
(bij Luther I Petrus)

De Brief aan de Hebreeën (vaak kortweg Hebreeën genoemd) is een van de boeken in het Nieuwe Testament van de Bijbel. Het bijbelboek telt in de indeling van Robert Etienne 13 hoofdstukken en werd geschreven in het Koinè-Grieks. In feite is het geen brief maar een "homilie op de wijze van een synagogale voordracht".[1] De brief bevat veel verwijzingen naar het Oude Testament. Het wordt wel eens beschouwd als een leerstellig aanhangsel aan de Brief van Paulus aan de Romeinen en de Brief van Paulus aan de Galaten, als een soort commentaar op het boek Leviticus en aanbidding in de tempel. De vele referenties aan de tempeldienst doen veronderstellen dat het voor de verwoesting van de tempel in 70 is geschreven, maar dit kan niet als bewijs hiervoor worden beschouwd.

Auteurschap[bewerken]

De Brief aan de Hebreeën noemt zelf de auteur niet met name, hoewel de kerkelijke traditie ervan uitgaat dat het Paulus was. Omdat de stijl echter zo afwijkend is, erkenden vroege kerkautoriteiten dat sprake was van een andere auteur. Om deze kwestie tot een oplossing te brengen zonder het auteurschap van Paulus op te hoeven geven, werd de afwijkende stijl geweten aan een assistent van Paulus, bijvoorbeeld Lucas of Clemens van Rome. Eusebius beschrijft dat reeds de eerste getuigen zich genoodzaakt zagen het auteurschap van Paulus te verdedigen.[2] Volgens "de gelukzalige presbyter" (ongetwijfeld Pantenus) zou Paulus uit bescheidenheid jegens "de apostel" Christus (Heb 3:1) zijn gebruikelijke briefhoofd "Paulus, de apostel" hebben weggelaten, volgens Clemens van Alexandrië uit behoedzaamheid voor de joden. Deze laatste meende dat de brief door Lucas uit het Hebreeuws in het Koinè zou zijn vertaald. Deze veronderstelling is moeilijk te handhaven, want de brief argumenteert vanuit de Septuaginta. Maar het bewijst dat Clemens al het verschil in stijl met de onomstreden brieven van Paulus had opgemerkt en probeerde te verklaren. In de derde eeuw maakte Origenes een nog duidelijker onderscheid tussen auteur en redacteur en hij suggereerde dat Lucas of een andere medewerker de leer van Paulus in zijn eigen woorden had weergegeven, maar zei uiteindelijk over de brief: "Mannen uit vroege tijden hebben de brief al overgeleverd als van Paulus, maar wie de brief schreef, weet alleen God."[3] Bij het citeren van de brief is Origenes echter minder genuanceerd en zo verspreidt zich in het oosten het gebruik de brief eenvoudig op naam van Paulus te stellen.

In het westen is het auteurschap langer onderwerp van discussie. Clemens Romanus baseert zich vaak op de ideeën in Hebreeën en neemt zelfs uitdrukkingen letterlijk over, maar hij noemt nooit Paulus' naam in dit verband. Tertullianus was één van degenen die de brief aan Barnabas toeschreven.[4] Cyprianus citeert Hebreeën nooit; de Ambrosiaster evenmin en noemt het werk niet in zijn commentaar. In de oudste canons (Muratori, 2e eeuw; Cheltenham/Mommsen, 3e eeuw) komt het werk niet voor. Eusebius vertelt dat sommigen in de kerk van Rome het werk afwijzen omdat het niet van Paulus was.[5] Volgens Filastrius van Brescia was het werk verdacht, omdat rigoristen en arianen zich op enkele passages eruit beriepen (namelijk 3:2, 6:4 en 10:26). Tegen het einde van de 4e eeuw wordt Paulus definitief vastgesteld als auteur. Hiëronymus en Augustinus twijfelen nog wel, maar aanvaarden het werk zonder bedenkingen als canoniek. Dat gaf de doorslag en de synode van Rome (382) en het concilie van Hippo (393) voegen Hebreeën toe aan het "corpus paulinum". In de formulering klinkt nog wel de oude twijfel door: "13 brieven van de apostel Paulus, en van dezelfde 1 aan de Hebreeën". Het concilie van Carthago (419) noemt echter "de 14 brieven van Paulus".

Als in de Renaissance de stijl en woordenschat van Hebreeën opnieuw wordt bestudeerd, herleeft de twijfel. Er worden veel overeenkomsten gezien met de leer van Paulus, maar de taalverschillen worden als te groot beschouwd. Ook zou de apostel nooit zo over zichzelf hebben gesproken, als de auteur van Hebreeën doet (2:3). Toch duurt het tot de twintigste eeuw voordat algemeen wordt aangenomen dat Paulus niet de auteur is. In 1914 bepaalde de Pauselijke Bijbelcommissie dat men het auteurschap van Paulus niet in twijfel mocht trekken, maar dat wel van een niet-paulijnse redactie mocht worden gesproken. Sindsdien hebben de katholieke exegeten dit zeer ruim geïnterpreteerd en wordt Hebreeën beschouwd als een zelfstandig werk, geschreven door iemand uit de kring van Paulus. Hoewel verschillenden de hand van Paulus zien in het "begeleidend schrijven" (13:22-25), is het goed mogelijk dat de apostel het werk, dat niet het zijne was, door een zendbriefje zou 'dekken' met zijn gezag. In dat geval zou de brief ook tijdens het leven van Paulus zijn geschreven. De Alexandrijnen hebben bij wijze van veronderstelling Clemens Romanus of Lucas geopperd. De enige naam die in de westerse traditie vóór die van Paulus hier en daar wordt genoemd, is die van Barnabas. Luther heeft ooit de Alexandrijn Apollos genoemd; het zou dan wel vreemd zijn dat juist in Alexandrië niet bekend was dat hij de auteur zou zijn. Uiteindelijk zal vermoedelijk altijd onduidelijk blijven wie de auteur van Hebreeën was.

Argumenten voor auteurschap van Paulus[bewerken]

De argumenten die voor auteurschap van Paulus pleiten zijn:

  • Vroege kerkschrijvers aanvaardden de brief als een epistel van Paulus.
  • De brief komt ook in de Chester Beatty-papyrus nr. 2 (P46) (van omstreeks 200) onder negen brieven van Paulus voor en wordt in "De canon van Athanasius" (4de eeuw) onder de "veertien brieven van Paulus, de apostel", vermeld.
  • De brief werd mogelijk in Italië geschreven (Heb 13:24), waar Paulus in de periode van 59–61 voor de eerste keer werd gevangengezet.
  • Timoteüs was bij Paulus in Rome, want hij wordt genoemd in de brieven die de apostel aan de Filippenzen, de Kolossenzen en Filemon richtte en die tijdens die gevangenschap vanuit Rome werden geschreven (Fil 1:1; 2:19; Kol 1:1, 2; Flm 1). Zie ook Heb 13:23 over Timoteüs’ vrijlating uit de gevangenis en over de wens van de auteur om spoedig Jeruzalem te bezoeken.
  • De leer is typisch Paulijns, hoewel de argumenten vanuit een Joods standpunt worden gepresenteerd, met de bedoeling dat ze de uitsluitend uit Hebreeën bestaande kerk waaraan de brief was gericht, zouden aanspreken.

Argumenten tegen auteurschap van Paulus[bewerken]

De argumenten die tegen het auteurschap van Paulus pleiten zijn:

  • Heb 2:3 toont aan dat de auteur van het boek zich tot de ‘tweede generatie’ christenen rekent, niet tot degenen die het goede nieuws rechtstreeks van Jezus zelf hebben gehoord; Paulus daarentegen rekent zichzelf uitdrukkelijk tot de ‘eerste generatie’ christenen, degenen die het goede nieuws rechtstreeks van Jezus zelf hebben gehoord, zoals bijvoorbeeld in Gal 1:12 (zie ook 1 Kor 9:1).
  • De stijl van Hebreeën wijkt sterk af van de stijl van de onomstreden brieven van Paulus. Hebreeën is stilistisch ‘tot in de puntjes verzorgd’, het voortbrengsel van iemand die de brief zorgvuldig gecomponeerd heeft, aangezien de structuur van Hebreeën doorwrocht is. In de onomstreden brieven van Paulus toont hij zich een spontaan maar daarmee ook slordig schrijver en hij levert voortdurend foute constructies af, zoals in Rom 5:12.
  • Hebreeën argumenteert vanuit de Septuagint, terwijl Paulus een eigen weergave in Koinè had van het Oude Testament.
  • Het woordgebruik van Hebreeën wijkt sterk af van het woordgebruik van de onomstreden brieven van Paulus. Wanneer het Grieks synoniemen voor een begrip heeft, gebruikt Paulus vaak het ene synoniem en Hebreeën het andere. Een voorbeeld hiervan zijn de woorden voor ‘rust’: Paulus gebruikt alleen het woord αναπαύο ("anapaúo"), terwijl Hebreeën alleen de woorden καταπαυό ("katapauó") en κατάπαυσις ("katápausis") gebruikt.
  • Paulus uit vaak sterke emoties ten opzichte van degenen aan wie hij schrijft, terwijl Hebreeën veel gematigder is in het gebruik van dergelijke uitdrukkingen.
  • Een centraal thema van Paulus’ brieven is de opstanding van Jezus. In Hebreeën wordt dit als ‘basis’ genoemd (6:2), maar wordt veel meer aandacht geschonken aan Jezus’ verhoging tot Hogepriester.
  • Waar Paulus vaak spreekt over seksuele moraliteit en het gebruik van rijkdom, komt dit in Hebreeën alleen zijdelings ter sprake.
  • De behandeling van αγαπὴ ("agapè") is kenmerkend voor Paulus, maar komt in Hebreeën bijna niet voor.
  • Paulus gebruikt termen met een sterk onderscheid tussen joden en heidenen, terwijl Hebreeën dit consequent vermijdt.
  • De behandeling van het thema de Wet komt bij Paulus veelvuldig voor en het staat centraal in Hebreeën. Paulus heeft echter altijd alleen ethische interesse in de Wet, terwijl Hebreeën alleen ingaat op de cultus van de Wet.
  • Hoewel Paulus het Oude Testament regelmatig allegorisch interpreteerde, gaat Hebreeën hier veel verder in.
  • In zijn geschriften wijst Paulus vaak op zijn autoriteit als apostel en spreekt nadrukkelijk als ‘ik’ tot zijn toehoorders (bijvoorbeeld 1 Kor 7:6-8, 10, 12 en 2 Tess 3:4) in tegenstelling tot Hebreeën waarin alleen in 10:32 een eerste persoon wordt gebruikt (‘gij’ enkelvoud).
  • Het gebruik van goddelijke namen en titels verschilt sterk, net als aanduidingen voor Jezus (Paulus gebruikt bijvoorbeeld vaak “Christus Jezus”, terwijl Hebreeën spreekt over “Jezus Christus”).
  • Een vergissing als in Hebreeën 9:4 zou kunnen duiden op een auteur die op enige afstand tot Jeruzalem stond. Het is moeilijk voorstelbaar dat Paulus, een farizeeër die vaak in Jeruzalem is geweest, een dergelijke vergissing zou maken.
  • Hebreeën 8:13 suggereert een onafwendbare ondergang van de tempel. Dit zou erop kunnen wijzen dat Hebreeën werd geschreven nadat duidelijk werd dat de Romeinen zouden ingrijpen om de oproer die ontstond door het wanbeleid van Gessius Florus de kop in te drukken. Aangezien deze in 64 werd benoemd tot procurator, werd het effect van zijn wanbeleid (en het feit dat hij niet de steun had van de priesters) pas duidelijk na de vermoedelijke datum van de dood van Paulus.
  • Het accepteren van Paulus als auteur in de periode van de vroege canons kan samenhangen met de stelling dat Hebreeën alleen canoniek kon zijn als Paulus de auteur was.

Het aanhangsel[bewerken]

Hebreeën 13:22-25 wordt over het algemeen beschouwd als een aanhangsel bij de brief of zoals bijvoorbeeld de Willibrordbijbel het noemt: een "Begeleidend schrijven"[6], mogelijk van de hand van Paulus zelf. Compositorisch en leerstellig eindigt de brief met 13:21, vandaar het slot "Amen". Mogelijk dat Paulus in zijn eigen handschrift de ontvangers van de brief opriep de inhoud te accepteren als was deze van hem.

Canoniciteit[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Canonvorming van het Nieuwe Testament

In de meeste Bijbelvertalingen is de Brief aan de Hebreeën opgenomen in de Canon van het Nieuwe Testament. Toch hebben vele bijbelcritici betwijfeld of deze brief in de Canon thuis hoort. De Apostolische Vaders (met uitzondering van Clemens van Rome), de Apologeten en de latere Kerkvaders citeren niet uit de Brief en verwijzen er ook niet naar. De vroegst bekende verwijzing naar de Brief als een algemeen geaccepteerd deel van de bijbelse canon is van Cyrillus van Jeruzalem in de vierde eeuw. Tijdens het Concilie van Carthago werd nogmaals bekrachtigd dat de Brief een onderdeel van het Nieuwe Testament is.

Structuur[bewerken]

Het werk bestaat uit 5 delen en is concentrisch opgebouwd: I en V bestaan elk uit één sectie, II en IV uit twee en III uit drie secties. Van deze drie laatste, bevat ook de middelste de hoofdgedachte van de brief, namelijk sectie 8:1 - 9:28 met als hoofdthema: "de voleinding van Jezus' hogepriesterschap"; hier 'draait alles om'. Met de flankering van 7:1-28 en 10:1-18 ontstaat in feite de eerste "doorgewerkte theologie", voorafgegaan door een aansporing (5:11 - 6:20) en gevolgd (10:19-39). Deze vormen het centrale deel (2 pareneses en 3 exposés). Het tweede en vierde deel bestaan uit twee secties: II A (aansporend: 3:1-4, 14) en II B (leerstellig: 4:15 - 5:10) en IV A (leerstellig: 11:1-40) en IV B (aansporend: 12:1-13). II en IV omsluiten dus deel III, maar op hun beurt worden II en IV omlijst door I (leerstellig: 1:5 - 2:18) en V (aansporend: 12:14 - 13:19). Hieraan vooraf gaan de inleiding (1:1-4) en het slot (13:21,21). Na het afsluitende "Amen" (13:21) volgt nog een "aanhangsel" (zie verderop).

De structuur van het werk kan als volgt worden weergegeven[7]:

verdeling onderwerp aard
a 1:1-4 Aanhef
I 1:5 - 2:18 Zoon van God, broeder der mensen leerst.
II A 3:1 - 4:14 De trouw van Jezus parenet.
II B 4:15 - 5:10 De barmhartigheid van Jezus leerst.
i 5:11 - 6:20 Parenetische inleiding parenet.
III A 7:1-28 Volgens de orde van Melchizedek leerst.
III B 8:1 - 9:28 De voleinding bereikt leerst.
III C 10:1-18 Oorzaak van eeuwig heil leerst.
b 10:19-39 Parenetisch besluit parenet.
IV A 11:1-40 Een wolk van geloofsgetuigen leerst.
IV B 12:1-13 De noodzakelijke volharding parenet.
V 12:14 - 13:19 Hemelse levenswandel parenet.
s 13:20-21 Slot
z 13:22-25 Zendbriefje

Gebaseerd op de letterkundige structuur kan de inhoud van Hebreeën als volgt worden samengevat: "God heeft tot ons gesproken door zijn Zoon, de boven de engelen verheerlijkte Heer, die zich de mensen tot zijn broeders maakte (I). Daarmee wilde hij hen in een betere rust dan die van Kanaän binnenleiden. Wij mogen deze kans niet verspelen, maar moeten luisteren naar hem, die zoveel meer dan Mozes een betrouwbaar en barmhartig bemiddelaar is bij de Vader (II). Eeuwige hogepriester naar de orde van Melchisedek, heeft hij voorgoed de schaduwritus van het OT door een werkelijk zoen-offer vervangen en metterdaad de weg naar het heiligdom voor ons geopend (III). Wij moeten ons daarom gelovig aan deze Aanvoerder van het heil overgeven, naar het voorbeeld van zovele OTische geloofsovertuigingen, die zich alleen op de belofte moesten verlaten (IV). Zo zullen wij onze hemelse roeping nakomen en het doel bereiken (V)."[8]

Hebreeën 13:22-25 wordt over het algemeen beschouwd als een aanhangsel bij de brief of zoals bijvoorbeeld de Willibrordbijbel het noemt: een "Begeleidend schrijven"[6], mogelijk van de hand van Paulus zelf. Compositorisch en leerstellig eindigt de brief met 13:21, vandaar het slot "Amen". Mogelijk dat Paulus in zijn eigen handschrift de ontvangers van de brief opriep de inhoud te accepteren als was deze van hem.

Bedoeling[bewerken]

De schrijver wilde de ware bedoeling van het systeem van de mozaïsche wet laten zien, zijn symbolische en tijdoverstijgende karakter. Hij legt uit dat het levitische priesterschap een voorafschaduwing is van de opdracht van Jezus Christus, en dat de offers uit het systeem van de wet de kruisdood van Jezus voorafschaduwden. Het evangelie was daarom niet bedoeld om de wet van Mozes te veranderen, maar om deze te vervullen. Dit werd geschreven om een tendens onder de joodse christenen om terug te keren naar het Judaïsme een halt toe te roepen.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. P. Andriessen en A. Lenglet (1971): De brief aan de Hebreeën", JJ Romen & Zn, Roermond, blz. 16
  2. Eusebius: Ekklèsiastikè Historia, boek vi, 14:2-5 en 25:11-13. Dit werk kan (en) hier online worden gelezen.
  3. (en) Eusebius Kerkgeschiedenis Boek VI H 25 v14
  4. Tertullianus: Pudicitia hoofdstuk 20. Dit werk kan (en) hier online worden gelezen.
  5. Eusebius: Ekklèsiastikè Historia, boek iii, 3:5 en vi, 20:3. Dit werk kan (en) hier online worden gelezen.
  6. a b Hebreeën 13:22-25 online
  7. Naar P. Andriessen en A. Lenglet (1971): De brief aan de Hebreeën", JJ Romen & Zn, Roermond, blz. 19
  8. P. Andriessen en A. Lenglet (1971): De brief aan de Hebreeën", JJ Romen & Zn, Roermond, blz. 18,19