Brief van Paulus aan de Filippenzen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filippenzen
Filippi
Filippi
Auteur Paulus en Timoteüs
Tijd 61-62 vanuit Rome
Taal Grieks
Categorie brief van Paulus
Hoofdstukken 4
Vorige boek Efeziërs
Volgende boek Kolossenzen

De brief van Paulus aan de Filippenzen (vaak kortweg Filippenzen genoemd) is een van de boeken in het Nieuwe Testament van de Bijbel. Het is een brief van Paulus aan de gemeente in Filippi. De brief werd geschreven in het Koinè-Grieks.

Datering[bewerken]

De brief werd door Paulus geschreven terwijl hij in banden, dat is in gevangenschap, verkeerde. (1:7-13). De plaats waar hij gevangen zit kan dan Caesarea of Rome zijn. Dit laatste is waarschijnlijker. Allereerst is Καισαρος οικιας (4:22) meer van toepassing op Rome dan op Caesarea. Hoewel πραιτοριω (1:13) niet noodzakelijk de hoofdstad aanduidt, is het hier wel meer op van toepassing. Maar de hele toon van de brief wekt de indruk dat Paulus verwacht dat er spoedig een beslissing in zijn zaak zal worden genomen. In Caesarea was daar geen sprake van.

De datering van de brief komt daarmee waarschijnlijk op 62 of eind 61 en is daarmee waarschijnlijk qua datering de tweede brief van Paulus die in het Nieuwe Testament is opgenomen.

Aanleiding[bewerken]

De Filippenzen hadden Epafroditus als afgezant naar Paulus gezonden met giften ter ondersteuning van de apostel. Bij zijn terugkeer stuurde Paulus deze brief mee.

De gemeente[bewerken]

De gemeente in Filippi was de eerste christelijke Kerk in Europa. Hun ontstaan wordt beschreven in Handelingen 16:9-40. Er bestond een bijzondere band tussen hen en Paulus. Van alle gemeenten waren zij de enige gemeente die Paulus ondersteunden met hun gaven, iets waarvan hij dankbaar getuigt (Hand 20:33-35; 2 Kor. 11:7-12; 2 Thess. 3:8).

De financiële vrijgevigheid van de Filippenzen komt uitdrukkelijk naar voren (4:15). Dit was een algemeen kenmerk van de Macedonische gemeenten, het blijkt ook uit 2 Kor. 8 en 9. Het is daarbij opmerkelijk dat de Macedonische bekeerlingen over het algemeen arm waren (2 Kor 8:2). Ook vandaag de dag is, volgens Moules commentaar op de brief aan de Filippenzen, de vrijgevigheid van arme christenen vaak groter dan die van rijke.

Inhoud[bewerken]

De inhoud van deze brief geeft een interessant doorkijkje in de situatie van de gemeente in Rome. Paulus' gevangenschap is geen belemmering voor de verspreiding van het evangelie. Het evangelie verspreidde zich steeds verder onder de Romeinse soldaten, met wie Paulus in voortdurend contact stond. Het is duidelijk dat het christendom zich op dat moment in Rome snel uitbreidde.

De leerstellige delen van de brief hebben een nauwe relatie met de brief van Paulus aan de Efeziërs. Vergelijk bijvoorbeeld Fil. 3:20 met Efeze 2:12,19. In beide wordt de Kerk voorgesteld als staat, waarvan de gelovigen burgers zijn.
In zowel Filip 2:5-11 als Efez 1:17-23 en Kol. 1:15-20 wordt in vrijwel vergelijkbare bewoordingen ingegaan op de heerlijkheid van Christus.

Euodia en Syntyche[bewerken]

In 4:2 dringt Paulus er op aan dat Euodia en Syntyche hun meningsverschillen bijleggen. Hij vraagt zijn trouwe metgezel (het is onbekend wie daarmee wordt bedoeld), hen daar bij te helpen. De twee vrouwen hebben immers met hem meegestreden in de prediking van het Evangelie. De tekst is één van de aanwijzingen, dat vrouwen in de vroege Kerk verantwoordelijkheid droegen en mogelijk in sommige gemeenten preekten.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]