Jesaja (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jesaja
Jesaja door Rafael
Jesaja door Rafael
Auteur Jesaja, Deuterojesaja
Tijd 750-700 v.Chr. - 586-539 v.Chr.
Taal Hebreeuws
Categorie Profetie
Hoofdstukken 66
Vorige boek Hooglied
(in de Tenach I en II Koningen)
Volgende boek Jeremia
Boekrol van Jesaja in het Hebreeuws

Het boek Jesaja is een van de boeken van de Tenach en het Oude Testament, met profetieën die traditioneel worden toegeschreven aan de profeet Jesaja. Moderne onderzoekers onderscheiden drie boekdelen, van Jesaja zelf uit de jaren 750 tot 700 voor de jaartelling, van een profeet uit 550-540 v.Chr. die wordt aangeduid als Deutero-Jesaja, en van profeten uit de 5e eeuw v.Chr. of later.[1][2] De naam Jesaja is afgeleid van de Hebreeuwse naam Jesja'jahoe dat "redding van God" betekent. In de Tenach worden boek en persoon gerekend tot de latere profeten (Neviiem Acharoniem).

Situering[bewerken]

Het boek bevat profetieën die gesitueerd worden in de regeringsperiodes van een aantal elkaar opvolgende koningen van het koninkrijk Juda:

  1. Uzzia: hoofdstukken 1-5
  2. Jotam: hoofdstuk 6
  3. Achaz: hoofdstukken 7-14:28
  4. Hizkia:
    1. hoofdstukken 14:28-35: eerste helft van zijn regering
    2. hoofdstukken 36-66: tweede helft van zijn regering

De periode waarin het boek gesitueerd is beslaat ongeveer de tweede helft van de achtste eeuw voor Chr. Meer precies, vanaf vier jaar voor de dood van koning Uzzia (in 762 v.Chr.) en vervolgens tot aan het laatste regeringsjaar van koning Hizkia (in 698 v.Chr.) en wellicht nog een paar jaar daarna tijdens koning Manasse. De bediening van de profeet Jesaja wordt zo weergegeven als bij elkaar 64 jaar.

Inhoud[bewerken]

Het boek als geheel kan in drie verzamelingen worden verdeeld:[2][3]

  1. De hoofdstukken 1-39, Jesaja, 750 tot 700 v.Chr. In deze periode werden Israel en Juda bedreigd door Assyrie. De tekst in dit deel zijn vrijwel geheel profetisch van aard en gericht tegen Assyrië, de vijand van het oude Israël.[3][4] Als teken van hoop wordt in hoofdstuk 9 de geboorte van ene machtige regeerder en koning aangekondigd. Het Nieuwe Testament <Matteüs 4\:15, Lukas 1:79</ref> herkent hier traditioneel Jezus als Messias in; en gebruikt de tekst voor advent
  2. De hoofdstukken 40-55, Deutero-Jesaja, 550-540 v.Chr. Dit is gesitueerd tijdens de regering van koning Hizkia, maar ontstaan tijdens de babylonische ballingschap. Het bevat de prediking van een geestverwant van Jesaja, die het herstel van het volk van Israel aankondigt.[3]>Opvallend zijn de vier liederen over de knecht des Heren[5] in de hoofdstukken 42, 49, 50 en 52/53, door het jodendom herkend als een zinnebeeldige beschrijving van het volk Israël. De lijdende knecht des Heren, hoofdstuk 53, wordt in het Nieuwe Testament gezien als profetie over Jezus.[6]
  3. De hoofdstukken 56-66, verschillende profeten, 5e eeuw v.Chr. of later. Deze verzameling is een profetisch gedeelte waarin opnieuw sprake is van een vijand maar ditmaal is dat Babylon. De auteurs vragen zich af wat er terecht komt van God's heil, maar dringen aan op trouw aan God.[3][7] .

Er wordt een aantal keren gesprokenoveer Ook komt de lijdende knecht des Heren in hooowederom de Messias ten tonele maar dit keer wordt hij beschreven als een lijdend persoon met nederige en zachtaardige eigenschappen.[bron?]

Auteur(s) en oorsprong[bewerken]

Volgens de traditonele opvatting zou de profeet Jesaja de enige schrijver zijn (Jesaja 1:1). De moderne e Bijbelwetenschap stelt hier vragen bij. Met name het auteurschap van het tweede deel, de hoofdstukken 40-55, en het derde deel, de hoofdstukken 56-66, staan hierbij ter discussie. Maar ook bij het eerste deel worden vraagtekens gezet.

Proto-Jesaja[bewerken]

In de visie van de Jesajatraditie zijn de oorspronkelijke woorden van de 8e-eeuwse Jesaja de kern. Deze werden ongeveer honderd jaar later opgeschreven, en daaromheen vormde zich, aldus deze visie, het eerste deel van het boek.[8]

Deutero-Jesaja[bewerken]

Het tweede gedeelte is waarschijnlijk geschreven door een andere persoon, Deutero-Jesaja genoemd. Deze persoon zou tegen het einde van de Babylonische ballingschap hebben geleefd.[9] Deze theorie werd voor het eerst geformuleerd door Johann Christoph Döderlein, een Duits theoloog uit de tweede helft van de 18e eeuw.

Argumenten voor verschillende auteurs[bewerken]

De overwegingen die tot deze conclusies hebben geleid zijn de volgende:

  • Het wordt onaannemelijk geacht dat Jesaja, levend zo rond 725 v.Chr., de verschijning en daden van de Perzische prins Cyrus zou hebben kunnen voorspellen. Cyrus was degene die het bevel gaf dat elk gedeporteerde volk en dus ook Juda, mocht terugkeren om hun god te aanbidden.
  • Deutero-Jesaja neemt de tijd van de Babylonische ballingschap als referentie-punt, wat de reden zou zijn waarom hij over die periode in de tegenwoordige tijd schrijft.
  • Er zijn verschillen in woordkeus en taalstijl tussen de drie gedeeltes. Hieruit wordt afgeleid dat het om verschillende auteurs gaat.

Verdediging van Jesaja's auteurschap[bewerken]

Er zijn echter ook andere critici die het hier niet mee eens zijn. Zij zijn van mening dat het boek Jesaja wél helemaal door één profeet, Jesaja, zou zijn geschreven.[10]

De argumenten die zij ten gunste hiervan naar voren brengen zijn:

  • Zelfs als men de verschillen in taal in aanmerking aanneemt hoeft dit nog niet automatisch tot de conclusie te leiden dat er ook sprake zou zijn van twee verschillende schrijvers. Verschillen in onderwerp of het publiek waarop wordt gemikt zouden hier ook debet aan kunnen zijn.
  • De Griekse vertaling van de Tenach (het Oude Testament), de zogenoemde Septuagint, kwam ongeveer rond 250 v.Chr. tot stand. Bij deze vertaling werd verondersteld dat de gehele inhoud van Jesaja zou zijn.
  • Volgens deze critici is er wel degelijk sprake van een eenheid in taalgebruik, in de gedachten en beelden van het boek. Deze wijzen in de richting van één auteur, die in het oude Israël zijn verblijf had.
  • Critici die sceptisch profeteren in de zin van voorspellen niet mogelijk achten, en daarom profetieën als beschrijving achteraf zien, zijn bevooroordeeld.Cyrus was geen weinig vóórkomende naam in het toenmalige Midden-Oosten.

Jesaja in het christelijk geloof[bewerken]

In het christendom wordt veel waarde aan het Bijbelboek Jesaja toegekend. De betiteling van Cyrus als Messias, de beschrijving van Israel als Dienaar, en de beloofde verlossing van Israel, worden gezien als verwijzingen naar de komst van Jezus als de Messias. Met name de hoofdstukken 9, 11, 42, 49, 50, 52 en 53 zijn in dat kader van belang. In het Nieuwe Testament wordt veelvuldig naar Jesaja verwezen, onder andere in de Evangeliën.

Een selectie van Nieuwtestamentische passages die naar Jesaja verwijzen: Matteüs 3:3, Lucas 3:4-6 en 4:16-41, Johannes 12:38, Handelingen 8:28 en Romeinen 10:16-21.

De Christus-hymne[bewerken]

Een cruciaal voorbeeld is de Christus-hymne van Philippenzen 2:6-11:

Jesaja 45:22-23 Philippenzen 2:6-11
22 Keer terug naar mij en laat je redden,

ook jullie aan de einden der aarde;
want ik ben God, er is geen ander.
23 Ik heb bij mijzelf gezworen:
Uit mijn mond komt gerechtigheid voort,
een woord dat ik spreek wordt niet herroepen.
Voor mij zal elke knie zich buigen
en elke tong zal bij mij zweren.[11]

6 Hij die de gestalte van God had,

hield zijn gelijkheid aan God niet vast,
7 maar deed er afstand van.
Hij nam de gestalte aan van een slaaf
en werd gelijk aan een mens.
En als mens verschenen,
8 heeft hij zich vernederd
en werd gehoorzaam tot in de dood [de dood aan het kruis].[12]
9 Daarom heeft God hem hoog verheven
en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat,
10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen,
in de hemel, op de aarde en onder de aarde,
11 en elke tong zal belijden:
‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.[13][14]

Deze Christus-hymne is afkomstig uit een "Christus-gemeenschap" met gebruiken en overleveringen die dateren van voor de bekering van Paulus.[15] Ze laat zien dat de mythe van "Hij die de gestalte van God had" maar afdaalt uit de Hemel, voorafgaat aan het verhaal van de concrete persoon Jezus die op aarde rondliep. Pas na de offerdood van deze "Hij" ontvangt Hij de naam "Jezus" en wordt verheven.[16]. De tekst van Jesaja is daarmee geen profetie, maar een van de bronnen voor een "bezonnen denkwerk" waarin verschillende mythologieën worden samengevoegd.[17].

Referenties[bewerken]

  1. Groot Nieuws Bijbel (1989) p.804
  2. a b Charperntier (2000): p.42-43, 66-67, 77
  3. a b c d Groot Nieuws Bijbel (1989) p.804-805
  4. Charperntier (2000): p.42-43
  5. Charperntier (2000): 66-67
  6. Matteüs 8:17; Handelingen 8:32,33.
  7. Charperntier (2000): p.77
  8. NBV-Studiebijbel,NBG 2008
  9. Charperntier (2000): p.66-67
  10. IAlec Motyer, Isaiah; IVP, Leicester, 1999; bbladzijde 28-35
  11. Jesaja 45:22-23
  12. "De dood aan het kruis" is vrijwel zeker een latere toevoeging. Price (2003): p.352
  13. Philippenzen 2:6-11
  14. Een variant wordt aangehaald in Romeinen 13:11:
    Zo waar als ik leef, zegt de Heer,
    iedereen zal voor mij
    zijn knieen buigen,
    en iedereen zal openlijk erkennen
    dat ik God ben.
  15. Mack (1997): p.97-102
  16. Price (2003): p.351-354
  17. Mack (1997): p.100

Bronnen[bewerken]

  • Artikel over Isaiah op de Engelse Wikipedia
  • website Messiaans Israël voor de vertaling van namen
  • Katholieke Bijbelstichting & Nederlands Bijbelgenootschap (1989), Groot Nieuws Bijbel
  • Etienne Charperntier (2000), Wegwijs in het Oude testament. Baarn: Ten Have
  • Burton L. Mack (1997), Wie schreven het Nieuwe testament werkelijk? Feiten, mythen en motieven. Deventer: Uitgeverij Ankh Hermes
  • Rober M. Price (2003), The Incredible Shrinking Son of Man. How Reliable Is the Gospel Tradition? New York: Prometheus Books