Eerste brief van Petrus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
I Petrus
Petrus
Petrus
Auteur traditioneel toegeschreven aan Petrus
Tijd tussen 60 en 130 n.Chr.
Taal Grieks
Categorie katholieke brief
Hoofdstukken 5
Vorige boek Jakobus
(bij Luther Hebreeën)
Volgende boek II Petrus

De eerste brief van Petrus (vaak kortweg 1 Petrus genoemd) behoort tot de algemene zendbrieven in het Nieuwe Testament van de bijbel. Traditioneel wordt aangenomen dat de brief rond 60 n.Chr. werd geschreven door de apostel Petrus vanuit Rome. Anderen dateren de brief later; zij beschouwen de inhoud niet zozeer als een weerspiegeling van het begin van de vroegchristelijke traditie, maar veelmeer als verdere uitwerking ervan en menen dat hij geschreven is aan het einde van de eerste of het begin van de tweede eeuw.[1]

Auteurschap[bewerken]

In het eerste vers van het boek identificeert de schrijver zich als "Petrus, een apostel van Jezus Christus". In 5:1 noemt de schrijver zich "medeoudste en getuige van het lijden van Christus". In 5:12 noemt hij Silvanus, waarvan men aanneemt dat daarmee Silas bedoeld wordt, als medeauteur. Verder noemt de schrijver Marcus, waarmee mogelijk Johannes Marcus bedoeld wordt, "zijn zoon".

Over wie daadwerkelijk de auteur van de eerste Petrusbrief was lopen de meningen uiteen. Er zijn in ieder geval drie mogelijkheden. De traditionele variant gaat ervan uit, op basis van het eerste vers, dat de brief inderdaad door de genoemde apostel Petrus geschreven is. Anderen menen, onder andere vanwege het verzorgde Grieks en de citaten uit de Septuagint, dat de in vers 5:12 genoemde Silvanus een grote rol heeft gespeeld in de totstandkoming van de tekst. De tekst zou Silvanus' uitleg en uitwerking van Petrus' leer zijn, mogelijk op schrift gesteld na Petrus' dood. De derde mogelijkheid is dat de brief pseudepigrafisch is en dus niet door Petrus geschreven is, maar mogelijk door volgelingen of aanhangers van Petrus.

In de oudkerkelijke traditie wordt het auteurschap van Petrus in de 2e eeuw door Polycarpus, Papias, Clemens van Alexandrië en Irenaeus van Lyon en in de 3e eeuw door Tertullianus, Origenes en Cyprianus bevestigd. Bij deze schrijvers wordt de eerste Petrusbrief tot de algemeen erkende schriftgedeelten gerekend en opgenomen in de canon.

Er zijn een aantal redenen om aan te nemen dat Petrus de apostel niet de schrijver van de eerste Petrusbrief is:

  • In 1:1 noemt de schrijver zich "Petrus". Petrus was echter een Galilese, Hebreeuws-sprekende Jood die "Simon" heette en zou zichzelf hoogstwaarschijnlijk met zijn eigen naam aanduiden. Of eventueel met "Kefas", de naam die in de Paulinische brieven wordt gebruikt.[2]
  • De brief is in elegant Koinè-Grieks geschreven en het is niet waarschijnlijk dat een Galilese visser, die elders als onontwikkeld man getekend wordt[3] en volgens de traditie een tolk nodig had om zich in de Grieks-Romeinse wereld verstaanbaar te maken, zo'n tekst zou (kunnen) schrijven. Hier kan men tegen inbrengen, dat Petrus uit Betsaïda, een tweetalige Grieks-joodse stad stamt, zijn eigen broer Andreas een Griekse naam heeft en Petrus decennialang in de Griekssprekende diaspora leefde. Silvanus/Silas, die hij als medeschrijver noemt, is Romeins staatsburger en zeker Grieks sprekend.
  • De theologie is deels Paulinisch. Hier wordt tegen ingebracht, dat de tegenstelling tussen Paulus en Petrus in Galaten 2:11-21 geen theologische tegenstelling betreft, want Paulus verwijt Petrus dat hij uit lafheid niet volgens zijn eigen theologie handelt.
    De scherpe theologische tegenstelling tussen Petrus en Paulus is een 19e-eeuwse constructie.[bron?] Zowel Petrus als Paulus tonen wederkerig waardering.
  • De brief bevatte traditie-elementen (parenese, belijdenissen, liederen) die zich pas in de 2e eeuw ontwikkeld kunnen hebben. Conservatieve theologen brengen hier tegen in, dat de tekst hiervoor geen concrete handvatten geeft, het is alleen voor de hand liggend, wanneer van een latere datering wordt uitgegaan.
  • De genoemde christenvervolgingen vonden pas plaats tijdens de regering van Trajanus (dus vanaf het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw toen de apostel Petrus al gestorven was. Daar is tegen in te brengen, dat ook in de eerste decennia reeds vervolging plaatsvond, zij het niet op grote schaal, maar door lokale overheden. In ieder geval kan niet worden gedoeld op de vervolging door Nero, want deze betroffen niet het christen-zijn, zoals de brief veronderstelt.[4]

Datering[bewerken]

Net als over het auteurschap is er over de datering weinig met zekerheid te zeggen. Wel kan men aannemen dat de brief ontstaan is voor 120 of 130 n.Chr., omdat andere schrijvers uit die tijd de brief kennen.

Plaats van oorsprong[bewerken]

In 5:13 wordt Babylon genoemd als plaats waar de brief geschreven werd. Hiermee kan het oude Babylon niet bedoeld zijn, want deze stad lag in de eerste eeuw n.Chr. in puin. Er is ook geen enkele traditie die enige werkzaamheid van Petrus in dit gebied bevestigt, evenmin als voor het alternatief: de Egyptische militaire kolonie Babylon.[5] Het ligt daarom voor de hand dat 'Babylon' de schuilnaam was voor Rome, wat aansluit bij de aanname dat Petrus, net als Paulus, zijn laatste jaren in die stad doorbracht. In sommige Joodse apocriefen wordt Rome zo aangeduid[6] en deze schuilnaam schijnt in de apocalyptiek van de periode na de vernietiging van Jeruzalem door de Romeinen in 70 n.Chr. in opkomst te zijn gekomen. Ook in de Openbaring van Johannes wordt Rome zo genoemd.[7]

Het is echter ook mogelijk dat Babylon verwijst naar een ballingschap in algemene zin, in deze wereld, als voorportaal van het hemelse vaderland. Dit wordt in verband gebracht met het feit dat uit de hele brief een gedachte van ballingschap ademt.[8]

Geadresseerden[bewerken]

Volgens vers 1:1 is de brief aan de gemeenten in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië gericht. Deze namen worden opgevat als aanduiding van Romeinse provincies in Klein-Azië. Pontus en Bithynië leveren dan echter een vraagstuk op, want deze landstreken vormden samen één provincie. Daarom beschouwen sommige auteurs deze namen als de namen van landstreken. In dat geval zouden de gebieden rond Efese en Iconium er niet onder vallen. De kerken zullen bij het verschijnen van deze brief zowel Joods als niet-Joodse leden gehad hebben.[9]

Inhoud en structuur[bewerken]

Als de inleiding (1:1,2) en het slot (5:12-14) wordt weggelaten, resteert een onpersoonlijk schrijven, in geen geval een echte brief. Omdat vooral in het begin van de brief de doop vaak wordt genoemd, wordt vaak aangenomen dat de geadresseerden recent gedoopt waren en de brief in feite een doophomilie is.[10] Naast de homilie, bevat de brief ook vier hymnen[11] en enkele catechetische fragmenten.[12]

De brief begint met een korte adressering gevolgd door een lofprijzing. Daarna volgt een oproep om te leven volgens Gods wil en waakzaam te zijn. Vanaf 2:11 volgt reeks praktische aanwijzingen voor vrije staatsburgers, slaven, vrouwen en echtparen. Vervolgens komt vanaf 3:13 het lijden van de gelovigen aan de orde.

De brief is als volgt opgebouwd:[13]

  • Adressering (1:1,2)
  • Lofprijzing op Gods heilgaven (1:3-12)
  • Oproep tot leven volgens de roeping (1:13-2:10)
  • Het christelijk leven in deze wereld (2:11-3:12)
  • De christen en het lijden (3:13 - 4:11)
  • Slotvermaningen (4:12 - 5:11)
  • Groeten (5:12-14)

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Inleiding op 1 Petrus in de Nieuwe Bijbelvertaling
  2. 1 Korintiërs 1:12, Galaten 2:9,11
  3. Handelingen 4:13
  4. F.W. Beare (1958): The First Epistle of Peter, Oxford, blz. 9-19, 188-192
  5. Strabo 17:30 en Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden 2:315
  6. Sibyllijnse orakels 5:158, 4 Esdras, Apocalyps van Baruch
  7. Openbaring 14:8, 16-18. Zie ook C.H. Hunzinger (1965): Babylon als Deckname und die Datiering des 1. Petrus-briefes, in Gottes Wort und Gottes Land, Göttingen, blz. 67-77
  8. Zie bijvoorbeeld M.E. Boismard (1957): Une liturgie baptismale dans la prima Petri, Revue Biblique 64, blz. 181
  9. W. Grudem; I Peter; Tyndale New Testament Commentaries, IVP 1988, bladzijde 38
  10. Zie bijvoorbeeld R. Perdelwitz (1911): Die Mysterienreligion und das Problem des ersten Petrus-briefes, Giessen, RVV 11:3 en H. Windisch/H. Preisker (1951): Die Katholischen Briefe, Tübingen, HNT 15
  11. 1 Petrus 1:3-5, 2:22-25, 3:18-22 en 5:5-9
  12. Bijvoorbeeld: 1 Petrus 2:11-3:7 en 3:13-4:6
  13. G. Thevissen (1973): De eerste brief van Petrus vertaald en toegelicht, Romen, Roermond, blz. 7,8