Koinè

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Koinè of Koinē (Grieks: Ελληνιστική Κοινή/ἡ κοινὴ διάλεκτος/κοινή (γλώσσα); koinē (glōssa)) (van Κοινή, "gemeenschappelijk") was de standaardvorm van het Grieks vanaf de hellenistische periode (4e eeuw v.Chr.) tot de ondergang van het Romeinse Rijk (4e eeuw n.Chr.). Deze eerste Griekse eenheidstaal was een van de voertalen van het (oostelijke) Middellandse Zeegebied, de voornaamste taal van het oostelijke deel van het Romeinse Rijk (zoals Latijn dat in het westelijke deel was) en de taal waarin een deel van het Nieuwe Testament geschreven is. Het gebruik van het Koinè reikte in het westen van Massalia (het huidige Marseille in Frankrijk) tot Noord-India in het oosten.

Oorsprong[bewerken]

Het Koinè stamde af van het Attisch, één van de Oudgriekse dialecten, en het verschilde hier weinig van. Het Attisch had (als dialect) zijn overwicht in de eerste plaats te danken aan de Atheense hegemonie in de 5e eeuw v.Chr., en precies daardoor ook aan de indrukwekkende reeks van "klassieke" Atheense schrijvers uit de 5e en 4e eeuw v.Chr. Het Koinè werd in de oudheid ervaren als de minder edele variant van het Grieks van die klassieken, en is de eerste taal die over het volledige door Griekenland gedomineerde grondgebied verspreid raakt: het Koinè wordt voor het eerst genoemd als die variant van het Grieks die Alexander de Grote in de laatste helft van de 4e eeuw verspreidde in alle gebieden die hij veroverde.

Nieuwtestamentisch Grieks[bewerken]

Hoewel het Bijbelse Koinè over het algemeen correct Grieks is, heeft het toch eigen trekken, die voortvloeien uit het feit dat het vaak gebruikt werd door mensen die de taal als tweede taal spraken. Zo is er een duidelijke tendens tot het vermijden van de meer ingewikkelde grammaticale vormen en constructies. In het Bijbelse Grieks komen nogal wat Semitische zinsconstructies voor ("Hij sprak, zeggende..."), die erop wijzen dat de auteurs van de betrokken boeken in het dagelijks leven waarschijnlijk Aramees spraken.

Verspreiding[bewerken]

Koinè is als schrijftaal niet beperkt tot (Joods-)christelijke teksten: ook invloedrijke auteurs als Polybius (die als eerste een volledig relaas geeft van de opkomst van de macht van Rome), Dio Cassius, Plutarchus en Lucianus van Samosate bedienden zich van deze variant van het Grieks. Sommige van de auteurs die zich in een latere periode van het Koinè bedienden, gaven zichzelf evenwel een flair van atticisme.

In de Romeinse tijd kan de betekenis van het Grieks als "tweede taal" nauwelijks worden overschat: Grieks (op dat ogenblik dus het Koinè) stond hoog aangeschreven als taal voor artistieke creatie en geschiedschrijving, zodat Robert Graves, in zijn inleiding tot Claudius the God zonder overdrijving kon stellen dat Keizer Claudius zich naar alle waarschijnlijkheid van het Grieks zou bediend hebben voor het opschrijven van zijn persoonlijke memoires. Tacitus beschrijft dat Keizer Nero het literaire Grieks als taal introduceert in de officiële Romeinse feestvoorstellingen. Zelfs als bestuurstaal hoefde het Koinè in het Oostelijke deel van het Keizerrijk niet onder te doen voor het Latijn: Toen Keizer Tiberius het testament van zijn voorganger liet beitelen in de muren van enkele tempels in Klein-Azië, werd de Griekse vertaling er meteen bij gebeiteld.