Tweede brief van Petrus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
2 Petrus
Petrus
Petrus
Auteur traditioneel toegeschreven aan Petrus
Taal Grieks
Categorie katholieke brief
Hoofdstukken 3
Vorige boek I Petrus
Volgende boek I Johannes

De Tweede brief van Petrus (vaak kortweg 2 Petrus genoemd) behoort tot de algemene zendbrieven in het Nieuwe Testament van de bijbel. De brief werd geschreven in het Koinè-Grieks. De openingsverzen noemen Simeon Petrus, waarvan men aanneemt dat daarmee de apostel Petrus bedoeld wordt, als auteur.

Auteur[bewerken]

De meeste theologen zijn van mening dat de tweede Petrusbrief pseudepigrafisch is en dat de schrijver dus niet de apostel Petrus is. Hiervoor zijn verschillende aanwijzingen:

  • Het grote stilistische verschil met de eerste brief van Petrus, dat al vroeg, zoals onder door andere Eusebius van Caesarea en Johannes Calvijn, werd opgemerkt.
  • Een verwantschap tussen de tweede Petrusbrief en de brief van Judas: er zijn aanwijzingen dat de schrijver van 2 Petrus de brief van Judas gekend en gebruikt heeft (vergelijk bijvoorbeeld 1:5 met Judas 3; 1:12 met Judas 5; 3:2 met Judas 17; 3:14 met Judas 24; en 3:18 met Judas 25).
  • De brief bevat in 3:15, 16 een verwijzing naar brieven van Paulus. De brieven van Paulus zijn dus bij de schrijver van 2 Petrus bekend en hij gaat ervan uit dat deze algemeen bekend zijn. Daarnaast wijst zijn verwijzing naar Paulus' brieven erop dat deze inmiddels enig gezag in de kerk hadden.
  • De brief heeft pas laat een onbetwiste status gekregen in de canon van het Nieuwe Testament. Origenes (eerste helft 3e eeuw n.Chr.) zegt dat de echtheid betwijfeld wordt[1] en Eusebius (begin 4e eeuw) rekent 2 Petrus tot de boeken die wel algemeen bekend, maar niet algemeen erkend zijn.[2] In het Griekse oosten heeft de Paasbrief van Athanasius (367 n.Chr.) beslissende invloed gehad. Het Latijnse westen nam deze canon over onder invloed van Hiëronymus, zoals onder meer blijkt uit het besluit van een Afrikaanse synode in Hippo Regius in 393 en een brief van Paus Innocentius I (405 n.Chr.).[3]

Sommige conservatieve theologen stellen hiertegenover dat:

  • het stilistische verschil tussen 1 en 2 Petrus bij zo weinig materiaal en bij het verschil in onderwerpen niet dwingend tot de conclusie van een andere schrijver kan leiden; ook zal het gebruikmaken van Silvanus als secretaris voor het schrijven van 1 Petrus tot verschil in stijl hebben kunnen leiden.
  • het evengoed omgekeerd kan zijn dat de schrijver van Judas kennis had van 2 Petrus, of dat zij beide kennis hadden van een derde bron;
  • dat sommige brieven van Paulus reeds zeer vroeg circuleerden, en dat het niet helder is of de schrijver aan een of meer brieven van Paulus refereert;
  • dat de opname in de canon betekende dat de vroege kerk van de apostolaire echtheid van de brief overtuigd was, wat zij niet was van andere geschriften als de Openbaring van Petrus en de Handelingen van Petrus.
  • Daarnaast wordt de brief niet alleen in het eerste vers op naam van Petrus gezet, maar de schrijver stelt ook dat hij ooggetuige was van de verheerlijking op de berg en hij geeft aan dat hij de apostel Paulus als zijn gelijke ziet.
  • Tenslotte zijn er karakteristieke woorden die in 1 Petrus, 2 Petrus en in de toespraken van Petrus in het boek Handelingen voorkomen. Eveneens hebben 1 Petrus en 2 Petrus ongebruikelijke woorden en zinsneden gemeenschappelijk.

Een testament[bewerken]

De tweede Petrusbrief is vooral een afscheidsbrief, of eigenlijk: een testament. De auteur geeft aan dat hij verwacht niet lang meer te zullen leven en hij spoort de lezers nog eenmaal aan om op de juiste manier te leven. Het is dan ook mogelijk dat de brief tot het literaire genre testament behoort. Het was in dit genre, dat onder Joden en christenen in die tijd populair was, gebruikelijk dat de tekst geschreven werd alsof deze van een (vaak reeds lang overleden) bijbels persoon, zoals Mozes of Ezra, afkomstig is. Deze kondigt aan spoedig te zullen overlijden en maakt van de gelegenheid gebruik om een aantal voorspellingen over toekomstige gebeurtenissen te doen en om de lezers aan te sporen tot een juiste levenswandel. Het was in zo'n geval niet zozeer de bedoeling van de schrijver om de lezer te misleiden: het gaat om een stijlfiguur, en de lezers uit die tijd wisten over het algemeen dat het 'testament' niet echt door de in de tekst genoemde bijbelse persoon geschreven was. Het is echter ook niet uigesloten dat de auteur in Petrus' naam schreef om zijn brief meer gezag te geven.

Datering[bewerken]

Bij afwijzing van de echtheid wordt de brief vaak als een van de laatste geschriften van het Nieuwe testament gezien en aan het eind van de eerste helft van de 2e eeuw of zelfs in de tweede helft hiervan geplaatst. Een belangrijke aanwijzing voor een late datering van de brief is vers 3:4 waaruit blijkt dat de eerste generatie christenen inmiddels gestorven is. Tegelijk suggereert dit vers, en de in heel hoofdstuk 3 centraal staande problematiek van de uitgebleven parousie, dat de eerste generatie christenen, waarvan velen de wederkomst van Christus nog tijdens hun leven verwachtten, nog maar pas gestorven is. In dat geval zou de tekst zo rond 80 of 90 n.Chr. gedateerd kunnen worden.

Bij aanname van de echtheid moet de brief kort voor de dood van Petrus (1:14) ontstaan zijn, dus in 66 of 67 n.Chr.

Geadresseerden[bewerken]

De brief bevat geen specifieke geadresseerden. Volgens 1:12-15 en 3:1 richt de schrijver de brief aan dezelfde geadresseerden als 1 Petrus, dus aan de christenen in Klein-Azië. De brief is gericht aan 'alle gelovigen', dus aan zowel christenen uit de joden als christenen uit de heidenen.

Het is niet duidelijk wie de in de brief genoemde dwaalleraars zijn. Mogelijk gaat het om gnostici, maar dat is op basis van de tekst niet met zekerheid te zeggen.

Inhoud[bewerken]

De tweede Petrusbrief presenteert zichzelf als een testament of afscheidsrede van Petrus. Het doel van de tekst is de lezers te herinneren aan Petrus' leer en vooral om deze te verdedigen tegen aanvallen van dwaalleraars. De tekst heeft dan ook een apologetisch karakter. De brief kan als volgt ingedeeld worden:

  • Schrijver, groet 1:1-2
  • Groei naar volwassenheid in het geloof 1:3-21
  • Gevaren en dwaalleraars 2:1-22
  • De wederkomst van Christus 3:1-14
  • Slotvermaningen 3:15-18

De brief bevat 11 aanhalingen van of verwijzingen naar het Oude Testament.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Geciteerd in Eusebius, Historia Ecclesiastica 6.25.
  2. Eusebius, Historia Ecclesiastica 3.25.
  3. Innocentius I, Epistula 6.