Job (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Job
Middeleeuwse muurschildering NHK te Hattem
Middeleeuwse muurschildering NHK te Hattem
Taal Hebreeuws
Categorie Poëzie, wijsheid
Hoofdstukken 42
Vorige boek Esther
(in de Tenach Spreuken (BHS Psalmen))
Volgende boek Psalmen
(in de Tenach Hooglied(BHS Spreuken))

Het boek Job (Hebreeuws: אִיוֹב; Iyyôb) is een van de boeken in de Hebreeuwse Bijbel. In het jodendom behoort Job tot de afdeling Geschriften van de Tenach. In het boek wordt het lijden van de vrome en rechtvaardige Job beschreven, alsook de zoektocht van zijn vrienden naar de oorzaak van het lijden dat hem overkomt. Een centrale vraag waarop de personages in het boek antwoorden proberen te formuleren is zodoende waarom Job als rechtvaardig man moet lijden.[1] Over de afkomst en betekenis van het Hebreeuwse Iyyôb (Job) bestaat discussie, waardoor het zeer moeilijk is om de juiste betekenis te achterhalen. Mogelijke vertalingen zijn 'de gehate' of 'waar is mijn vader?'[2]

Inhoud[bewerken]

William Blake, 1826/27, Tate Gallery Londen, Satan stort zijn plagen over Job uit

Een belangrijk onderwerp van het boek betreft het lijden van de onschuldige. De indeling van het boek is als volgt:

  1. Een introductie in proza (hoofdstuk 1-2), waarin de rijke, vrome Job al zijn bezittingen verliest en ziek wordt. Job zal nooit weten wat de oorzaak is: God is blij dat Job hem zo trouw dient; Satan probeert Job door rampspoed echter zover te krijgen dat hij God vaarwel zegt. Jobs vrouw adviseert hem God te vervloeken en te sterven, maar Job verwerpt deze gedachten als dwaasheid. Jobs vrienden Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma horen van zijn ellende en komen hem opzoeken. Nadat zij Job rouw betoond hebben, gaan ze bij hem op de grond zitten en is het zeven dagen en zeven nachten stil. Hierna verbreekt Job de stilte.
  2. De controverse in poëzie (hoofdstuk 3-28). Jobs wanhopige klaaglied vormt de aftrap van de discussie tussen Job en zijn drie vrienden in drie rondes met dialogen. De drie vrienden gaan er ten onrechte van uit dat Job wel een slecht leven geleid zal hebben, anders zou God dit toch niet hebben toegelaten? Job bezweert wanhopig onschuldig te zijn. Het liefst zou hij God ter verantwoording roepen, maar hij beseft wel dat dit niet kan. De eerste ronde in de discussie zet de controverse uiteen (hoofdstuk 4-14). In de tweede verdiept de controverse zich (hoofdstuk 15-21), en in de derde wordt het hoogtepunt bereikt (hoofdstuk 22-27).
  3. intermezzo: Lied van de Wijsheid (hoofdstuk 28).
  4. Jobs slotrede: hij is onschuldig en beroept zich op God tegen God (29-32).
  5. Plotseling verschijnt de figuur van Elihu (32-38), die een verdediging van het traditionele standpunt (lijden is het gevolg van een slechte levenswijze) verwoordt, nauwelijks iets toevoegt aan wat er al gezegd is, en ook verder in het boek niet meer genoemd wordt. Veel geleerden beschouwen de rede van Elihu als een latere toevoeging.
  6. Dan antwoordt God (38-40), door Zichzelf te openbaren. Hij vertelt Job niet waarom hem de narigheid is overkomen. Job erkent dat het hem niet paste God te bekritiseren. (39:37,38).
  7. God toont Job de behemoth (hier vertaald met nijlpaard) en de leviathan (hier krokodil).
  8. Het historische slot in proza (42:7-15) waarin God Job terugbrengt in zijn vroegere staat van gezondheid en geluk, en de drie vrienden van Job hem moeten vragen om een offer voor hen te brengen. God is namelijk boos op de drie. Job wordt op deze wijze gerehabiliteerd.

Thema[bewerken]

Het thema van het boek wordt soms samengevat als: "Is lijden een goddelijke straf voor de zonde?"[bron?] Jobs drie vrienden geven hierop een traditioneel bevestigend antwoord. Zijn vrienden verdedigen ook de complementaire stelling dat geluk en welvaart het bewijs zijn van goddelijke beloning, en dat, als Job zijn fouten zou erkennen, zijn lot onmiddellijk weer zou omkeren.

In zijn antwoord stelt Job dat hij rechtvaardig is, en dat zijn tegenspoed dus geen straf kan zijn. Dit werpt de mogelijkheid op dat God handelt naar willekeur. Jobs vrouw raadt hem aan God te vervloeken en te sterven. Hierop antwoordt Job: "Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet?" De climax van het boek vindt plaats wanneer God Job antwoordt, niet met een uitleg van het waarom van Jobs lijden, maar met een vraag: waar was Job toen God de wereld schiep? Job antwoordt hierop met verootmoediging. God roept de drie vrienden ter verantwoording, want ze hebben niet passend gesproken over hem, zoals zijn knecht Job.

Achtergronden[bewerken]

Geografisch[bewerken]

Het land Uz wordt soms gelinkt aan het koninkrijk Edom

In Job 1:1 wordt de plaats meegegeven waar het verhaal zich afspeelt: In het land Us woonde een man die Job heette. Hij was rechtschapen en onberispelijk, hij had ontzag voor God en meed het kwaad.[3] De precieze ligging van het land Uz is onbekend, maar de streek wordt meestal in verband gebracht met Edom.[4]

Personages[bewerken]

Job[bewerken]

In Job 1:1-5 wordt Job omschreven als een zeer rijk en gelovig man. Job 1:3 omschrijft zijn rijkdom als volgt: Hij bezat zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven en slavinnen. Hij was de aanzienlijkste man van het Oosten (vs3). Ook zijn trouw aan God wordt in het inleidende hoofdstuk sterk benadrukt: De HEER vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’ (vs8).</ref>

De satan[bewerken]

Het is belangrijk om op te merken dat de satan die Job op de proef stelt niet gelijk is aan Satan zoals die wordt omschreven in het Nieuwe Testament.[5] Het woord satan is afgeleid van het Hebreeuwse ha-satan wat zoveel betekent als 'de tegenstander'. In het boek Job is het duidelijk dat 'de tegenstander' probeert om de ondergang van Job te bewerkstelligen en zo God te laten inzien dat alle mensen slechts God dienen uit eigenbelang.[6]

God[bewerken]

God wordt in het boek Job maar sporadisch met de naam JHWH beschreven. Deze naam, waarmee hij zich een paar honderd jaar na Abraham aan het Israëlietische volk bekendmaakte, komt voor in proloog en epiloog, als God zelf in hoofdstuk 38 het woord neemt, en verder nog maar één keer. Vaak wordt hij in Job El Shaddai genoemd, de naam waarmee hij de aartsvaders in Genesis bekend was. Dit alles wekt de sfeer van Genesis op. Het weinige gebruik van JHWH is voor bepaalde geleerden een argument om Job een niet-joodse afkomst toe te schrijven, waardoor het verhaal een universeel karakter krijgt.[7]

Boekrol van Job in het Hebreeuws

Elifaz, Bildad en Zofar[bewerken]

In Job 2:11 worden Elifaz, Bildad en Zofar voorgesteld als drie vrienden van Job. Elifaz is afkomstig uit Teman, Bildad uit Suach en Zofar uit Naäma. Nadat zij hoorden van Jobs beproevingen zochten zij hem op en geven elk een toespraak om hem een hart onder de riem te steken.

Elihu[bewerken]

De persoon Elihu neemt een aparte plaats in tijdens het verhaal. Doordat hij niet eerder genoemd is in het werk, staat hij los van de drie vrienden die al in de introductie bij Job arriveren.

Auteur en datering[bewerken]

Auteur[bewerken]

Een joodse talmoedische traditie stelt dat Mozes het boek geschreven kan hebben.

Datering van het verhaal[bewerken]

De tijd waarin het verhaal zich afspeelde kan aan de hand van inhoudelijke kenmerken ruwweg geschat rond de 17-14de eeuw voor Christus.[8] Archeologische argumenten wijzen op een iets latere periode. In de onderstaande lijst wordt een kort overzicht van de argumenten gegeven:

  • De hoge leeftijd die Job bereikte, namelijk bijna 200 jaar, doet denken aan de leeftijden die worden vermeld in het het boek Genesis. De duur van Jobs leven is ongeveer gelijk aan die van Abraham.[8]
  • Job brengt heel wat brandoffers, een gebruik dat voornamelijk werd toegepast voordat Mozes de wetten introduceerde.[9] Ook zijn levensstijl duidt op een zeer vroege periode.
  • Er is geen sprake van de uittocht van het Israëlische volk uit Egypte.[9]
  • In Job 1:15-17 worden de Sabeeërs en Chaldeeën vermeld, volkeren die archeologen dateren vanaf de 11e eeuw v.Chr.,[bron?] maar sluitend bewijs is er niet.
  • Job woonde in een stad.[bron?] De oudste stad die tot nog toe werd teruggevonden in het gebied van Edom dateert van 1200 v.Chr. [9]

Datering van het boek[bewerken]

Naast de datering van het verhaal is er de datering van het Bijbelboek. Wanneer werd het voltooid in de huidige vorm? Er is discussie tussen geleerden hierover. Veelal wordt gedacht aan een lange onstaansperiode van 10e tot de 2e eeuw v.Chr..[10] Bijbelwetenschappers verschillen hierbij van mening over de vraag of het boek Job in meerdere lagen ontstond. Redenen daartoe zijn:

  • De plotseling vermelding van de vierde vriend Elihu (Job 32-38). Dit personage duikt vanuit het niets in de tekst op en staat los van de rest van de tekst. In zowel de introductie als de epiloog wordt hij volledig genegeerd.
  • De proloog en epiloog wijken literair af van de rest van het boek doordat enkel zij proza bevatten.
  • Job 28 doorbreekt plotseling het verhaal.
  • Jobs aandeel is consistent, tot hij in hoofdstuk 26:1-14; en in hoofdstuk 27:11-23 ineens teksten uitspreekt, waar hij zich het hele boek al tegen verzette. Hier is mogelijk een fout in de tekst geslopen; en horen de teksten bij Bildad en Zofar

Een unaniem antwoord op de vraag naar het ontstaan van het Bijbelboek Job ontbreekt. Archeologische vondsten ondersteunen bovenstaande argumenten immers niet, doordat het Bijbelboek Job telkens als volledig gevonden wordt. Het laatst getuigde de ontdekking van de Dode-Zeerollen hiervan. Job was aanwezig als volledig Bijbelboek, zoals we dat vandaag kennen.

Taal[bewerken]

Het boek Job werd geschreven in het Hebreeuws, maar toch zorgt de taal voor discussie tussen geleerden. Dit komt vooral door de grote aanwezigheid van hapax legomena, woorden die slechts in het boek Job terug te vinden zijn en nergens anders worden gebruikt.[11] Het debat draait rond vier mogelijke verklaringen:

  • Een eerste verklaring is dat het boek Job werd vertaald uit een andere Oosterse taal. Deze theorie dateert al uit de 12e eeuw en werd ontwikkeld door Ibn Ezra, die een analyse van de Thora schreef. Het boek zou vertaald zijn uit het Arabisch of Aramees. De belangrijkste kritiek op deze theorie is, dat er te weinig overeenkomsten terug te vinden zijn in het boek en het Arabisch of Aramees.[12]
  • Een tweede theorie is, dat de taal waarin het boek Job is geschreven, beïnvloed is door talen uit omringende gebieden. Ook deze theorie kan niet bevestigd of ontkracht worden aangezien er te weinig bekend is over de talen in de tijd waarin het boek is geschreven.[12]
  • Een andere theorie schrijft de moeilijke taal toe aan een voor ons onbekend Hebreeuws dialect, dat op heel wat punten verschilt met het Judese Hebreeuws.[12]
  • Volgens Edward Greenstein is het taalgebruik een bewuste keuze van de auteur om een 'air van vreemdheid' mee te geven aan het boek.[12]

Deze discussie is ook afhankelijk van de tijd waarin het boek werd geschreven, maar ook hier lopen de meningen uiteen. John Day ziet heel wat overeenkomsten met het Hebreeuws na de ballingschap, waardoor het boek relatief laat werd geschreven. Ian Young daarentegen ziet in de taal het archaïsche Bijbels Hebreeuws en plaatst het dus heel vroeg in de Bijbelse ontstaansgeschiedenis.[12]

Wijsheid en poëzie[bewerken]

Job maakt deel uit van de Geschriften, en hoort daarbinnen tot de wijsheidsliteratuur. Het is te plaatsen in de zelfde groep als Prediker, Spreuken en de deuterocanonieke boeken Wijsheid van Salomo en wijsheid van Jezus Sirach. Job bestaat van hoofdstuk 3:1 tot 42:6 uit poëzie. Hebreeuwse poëzie heeft haar eigen stijlkenmerken. Het bekendste is het parallellisme:

3:3 Laat de dag dat ik geboren ben vergaan,
en ook de nacht die zei: Een jongen is verwekt

Parallellismes zijn er op veel meer niveaus; ook op het niveau van stanza, strofe enz.

Dode-Zeerollen[bewerken]

In de Dode-Zeerollen zijn fragmenten van vier Hebreeuwse en één Aramees handschrift van het boek Job gevonden.[13] Deze zijn in ieder geval van voor 68 AD, wat erop wijst, dat het boek toen al in de huidige vorm wijd verspreid was. Het boek zal dus nog ouder zijn. 4Q101 bevat zelfs fragmenten van Job in Oud Hebreeuws schrift; mogelijk dus van voor 200 v. Chr.; al is het mogelijk dat dit oude alfabet voor religieuze literatuur langer in gebruik is gebleven.

Historiciteit[bewerken]

Er bestaat geen historisch bewijs over het werkelijke bestaan van de persoon Job zoals die wordt beschreven in het Bijbelboek. Het boek Job behoort niet tot het genre geschiedschrijving. De eerste indruk is die van poëzie, van kunst en van wijsheidsliteratuur. Ezechiël (boek) noemt in 14:14 drie zeer rechtvaardigen: Noach, Dan(i)ël en Job. Doordat Dan(i)ël volgens bijbeluitleggers niet verwijst naar de Bijbelse Daniël, maar naar de legendarische rechtvaardige en wijze held die we kennen uit de kleitabletten die gevonden zijn bij Ugarit.[14], is het mogelijk dat het ook bij Noach en Job om legendarische personages gaat.

De meeste joden nemen aan dat Job geen historisch persoon is geweest. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbijn Simeon ben Laquish dat Job nooit bestaan heeft.[15] In deze opvatting is Job een literaire creatie door een profeet, bedoeld om een goddelijke boodschap over te brengen. Ook christelijke theologen vatten het gedicht lang niet altijd historisch op.

Referentie naar het Bijbelboek[bewerken]

Het boek Job wordt geciteerd in Hebreeën 12:5, en in I Korinthiërs 3:19. Job zelf wordt genoemd in de Brief van Jacobus 5:11.

Literatuur[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. McKenzie, Dictionary of the Bible, 440
  2. Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 379
  3. Job 1:1
  4. Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 381
  5. Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 853
  6. Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 854
  7. Hans-Jan Roosenbrand, Ik Schreeuw geweld, 16
  8. a b Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 385
  9. a b c Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 386
  10. Studiebijbel NBV, NBG/KBS 2008 bladz 732.
  11. Hans-Jan Roosenbrand, Ik Schreeuw geweld, 14
  12. a b c d e Bijbelcommentaar Ezra-Nehemia-Ester-Job, 383
  13. 2Q15; 4Q99; 4Q100,4Q101 en de Targum 11Q10; The Dead Sea scrolls study edition by FG Martinez,EJC Tigchelaar, Brill Leiden, Eerdmans Grand Rapids Michigan 1997,1998; DL Washburn, A Catalog of Biblical Passages in the Dead Sea Scrolls, Brill Leiden 2003
  14. Deze heette Danel. In Ezechiël staat ook Danel, maar de Masoreten hebben een ketib/Qere, een aantekening, "Daniël" gemaakt, omdat ze dachten dat het fout was
  15. Zie: Midrash Genesis Rabbah LXVII, Talmoed Bavli, Bava Batra 15a.

Beluister

(info)