Uittocht uit Egypte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
"De Israëlieten verlaten Egypte"
David Roberts (1828)
De weergave van de tekst van de Tien geboden op 18e-eeuws perkament, in het Hebreeuws, door de Amsterdamse Jekoeti'eel Sofeer
Mozes en de wet (Rembrandt)
Nijldelta en Sinaï
De berg Sinaï (Horeb, Jabal musa)

De Uittocht uit Egypte of Exodus (naar het Grieks: ἔξοδος; exodos "weg uit") (Hebreeuws: יציאת מצרים, Jetsi'at Mitzrajiem) is het Bijbelverhaal van het vertrek van de Israëlieten uit het oude Egypte. In de strikte betekenis van het woord heeft de term alleen betrekking op het vertrek uit Egypte zoals het Bijbelboek Exodus beschrijft; in bredere zin heeft de term ook betrekking op het verblijf in de woestijn tussen Egypte en Kanaän en de wetgeving, zoals beschreven in de Bijbelboeken Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Tegenwoordig neemt men veelal aan dat het uitgebreide verhaal gevormd is tijdens of na de Babylonische ballingschap (6e, 5e eeuw voor Christus), maar dat de kern van het verhaal ouder is, daar zijn al sporen van in de 8e en 7e eeuw voor Christus, in de tekst van de Deuteronomist (de boeken van Deuteronomium tot en met 2 Koningen). Sommige geleerden nemen echter aan dat de bronnen nog ouder zijn en dat er daadwerkelijk herinneringen bewaard zijn gebleven aan het ineenstorten van de beschaving van de bronstijd in de 13e eeuw voor Christus.

Het verhaal[bewerken]

Het eerste Bijbelboek, Genesis eindigt met de lotgevallen van Jozef, zoon van Jacob, die als slaaf naar Egypte verkocht wordt, daar een machtig man wordt en die zijn familie tijdens een hongersnood naar Egypte laat komen, waar ze gaan wonen in Gosen, in de Nijldelta. Het volgende Bijbelboek Exodus vertelt, hoe een nieuwe farao, "die Jozef niet gekend heeft" het volk Israël tot slaven maakt. De kleine jongetjes die geboren worden, moeten worden gedood. Baby Mozes wordt echter verstopt en na enige tijd als vondeling opgenomen en opgevoed door een prinses. Als hij volwassen is, slaat hij een Egyptische slavendrijver dood en moet vluchten. Terwijl hij als schaapherder werkzaam is, heeft hij een ontmoeting met God, die vertelt dat zijn naam JHWH (“Ik ben”) is en die hem de opdracht geeft naar de farao te gaan en de vrijlating van de Israëlieten te eisen. God zal de farao zo treffen met plagen dat hij uiteindelijk toe zal geven. Tien plagen zijn nodig om de Israëlieten vrij te krijgen.

Plaag Hebreeuws Bijbel: Mogelijke verklaring Reactie
0 Mozes’ staaf verandert in een slang Exodus 7;8

Farao’s tovenaars doen hetzelfde

1 Water verandert in bloed Dam - דם Exodus 7:14-25; Psalm 105:29; Psalm 78:44 Hoog water in de Nijl met veel slib en parasieten die de vis doden geen reactie
2 Kikvorsen Tsefarde’a - צפרדע Exodus 8:1-15; Psalm 105: 30; Psalm 78:45b Gevolg van eerste plaag vraagt Mozes te bidden zodat de plaag stopt, maar geeft niet toe.
3 Ongedierte Kieniem - כנים Exodus 8:12-16; Psalm 105: 31b Gunstige omstandigheden door het hoge water Geeft niet toe, ook al kunnen zijn tovenaars dit niet
4 Wilde dieren Arow - ערוב Exodus 8:16-19; Psalm 105:31; Psaslm 78:45a Gunstige broedomstandigheden door hoog water? Gedeeltelijke concessie (niet te ver) weer ingetrokken
5 Veepest Dewer - דבר Exodus 9:1-7 Antrax door de kikkers? geen
6 Huiduitslag Sjchien - שחין Exodus 9:8-12 Huidantrax? Geen. NB tovenaars van Farao staan nu machteloos
7 Hagel Barad - ברד Exodus 9:13-35; Psalm 105: 32; Psalm 78:47 Weersomstandigheden kunnen in die streek sterk wisselen Farao geeft toe, maar trekt toezegging weer in
8 Sprinkhanen Arbeh - ארבה Exodus 10:4 - 10:5; Psalm 105: 34; Psalm 78:46 Farao wil alleen de mannen laten gaan
9 Duisternis Chosheg - חשך Exodus 10:21-29; Psalm 105:28 Minoïsche uitbarsting Mogen gaan, maar zonder vee.
10 Sterfte van de eerstgeborenen Makat Begorot - מכת בכורות Exodus 11:10 en 12:29-30; Psalm 105:36; Psalm 78:50,51 Volgens psalm 78:50: pest (?) Moeten haastig gaan

Het volk moet klaar staan om weg te trekken; vandaar het ongezuurde brood. Als ze bloed op de deurpost hebben gesmeerd, zal de dood hun eerstgeborenen niet treffen. Midden in de nacht (het is volle maan) worden ze Egypte uit gejaagd. Farao heeft er de volgende ochtend al spijt van dat hij de Israëlieten heeft laten gaan en zet Israël na. God laat een water droog vallen waar Israël door heen trekt, Farao loopt met zijn strijdwagens vast in de modder en verdrinkt. Het volk trekt verder; er komen nog problemen genoeg, maar God zorgt voor ze:

Plaats Probleem Gods oplossing Bijbel: Mogelijke verklaring Gevolgen
Dadelijk na vertrek De weg weten Wolk- en vuurkolom wijst de weg Exodus 13:22
Achtervolging door Farao Wolk (engel) stelt zich tussen Israël en de achtervolgers op. Exodus 14:19-21
Ingesloten tussen achtervolgers en de Rietzee Rietzee valt droog ; volk trekt er door, Farao loopt vast. Exodus 14 Wind? Feest, lied, dans (Exodus 15)
Mara: bitter water Mozes moet hout in het water gooien Exodus 15:26 tussenstop oase Elim
Voedsel raakt op Mannah brood uit de hemel; vlees van kwartels Exodus 16 Product van de schildluis, mannakrekel, mannakorstmos? Voortaan 6 dagen per week mannah en de zesde dag dubbel.
Massa en Meriba Watertekort Mozes slaat op de rots Exodus 17:1-8 Holte in rots bevatte water
Refidim Aangevallen door Amalekieten Mozes bidt met geheven handen, Jozua verslaat vijand Exodus 17:8-16 Eeuwige vijandschap tussen Israël en Amalek
Mozes overwerkt Advies schoonvader: delegeren Exodus 18 Oudsten aangesteld

De Israëlieten zijn nu bij de berg Sinaï, waar God zich aan hen openbaart en een verbond met ze sluit: Zij zullen zijn torah (wet, onderwijzing) houden en dan zal hij hun God zijn en ze het land Kanaan geven. De tien geboden (Exodus 20) zijn zeer bekend, maar er zijn verschillende manieren om ze te tellen:

Indeling van de 10 geboden per godsdienst
Gebod Joods Orthodox Rooms-katholiek, Lutheraans Anglicaans, Gereformeerd, en andere Protestanten
Ik ben de Heer uw God 1 1 1 -
Gij zult geen andere goden hebben 2 1
Gij zult geen afgodsbeelden maken 2 2
Gij zult de naam van God niet misbruiken 3 3 2 3
Gedenk de sabbat en hou hem in ere 4 4 3 4
Eer uw moeder en vader 5 5 4 5
Gij zult niet doden 6 6 5 6
Gij zult geen overspel plegen 7 7 6 7
Gij zult niet stelen 8 8 7 8
Gij zult geen valse getuigenis afleggen 9 9 8 9
Gij zult de vrouw van uw medemens niet begeren 10 10 9 10
Gij zult het huis van uw medemens niet begeren. 10

Aldus sluit God zijn verbond met Israël. Mozes krijgt echter nog veel meer wetten. Onder andere over de inrichting van de draagbare tempel (tent der samenkomst) en de offerdienst. Bovendien worden de tien woorden op stenen tabletten geschreven. Voor dit alles blijft Mozes vrij lang weg. Het ongeduldige volk richt een eredienst in rondom een gouden kalf. Woedend gooit Mozes de stenen tafels met de wet kapot. Opnieuw moet hij de berg op, waar God zich op een bijzondere manier aan hem laat zien. Het boek Exodus eindigt met de inwijding van de tabernakel, waarbij de heerlijkheid van JHWH, God, zichtbaar wordt (hoofdstuk 40).

Het boek Leviticus bevat wetten van God. Numeri vertelt hoe de Israëlieten onder leiding van God van Sinaï naar Kanaän, reizen, maar weigeren verder te gaan, omdat spionnen meldden dat er reuzen woonden. God besluit dan dat ze in de woestijn moeten blijven tot de generatie die Egypte heeft verlaten, is uitgestorven. Na een verblijf van 38 jaar in de oase Kadesh Barnea trekt de nieuwe generatie naar de grens van Kanaän. Het boek Deuteronomium vertelt, hoe Mozes ze, met het Beloofde Land in zicht, herinnert aan hun reis en ze nieuwe wetten geeft. Hij sterft precies 40 jaar na de uittocht uit Egypte. Dit besluit het boek Deuteronomium en dit besluit de Tora.

Oorsprong van het verhaal van de uittocht[bewerken]

De weergave van het verhaal in de boeken Exodus, Numeri en Deuteronomium is het bekendste verslag van de uittocht uit Egypte, maar daarbuiten zijn er nog meer dan 150 verwijzingen naar te vinden in de Bijbel. De wijsheidsliteratuur, (de boeken Job, Prediker en Spreuken) is de enige categorie van betekenis die de uittocht uit Egypte niet noemt. De oudste verwijzingen vinden we bij de profeten Amos en Hosea., die in de 8e eeuw in het koninkrijk Israël het tienstammenrijk actief waren; Micha en Jesaja 1 t/m 39, in dezelfde periode geschreven in Juda, noemen de uittocht geheel niet; het is denkbaar dat de Exodus-traditie in de 8e eeuw in noordelijke koninkrijk belangrijker werd gevonden dan in het zuidelijke Juda.[1]

Culturele betekenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg zie ook Pesach

In het Joodse Paasfeest staat de Haggadah, het relaas van de uittocht uit Egypte centraal. Bij het vertrek uit Egypte krijgen de Israëlieten de opdracht om ongezuurd brood (dat niet gerezen is, matses) te maken, omdat ze haastig weg zullen trekken, en de deurposten met bloed van een geslacht lammetje te bestrijken, zodat de Engel des doods hen zal overslaan (vandaar de Hebreeuwse naam Pesach = overslaan, vergelijk Engels Passover) wanneer hij de eerstgeborenen van Egypte zal doden. (Sommige geleerden[bron?] geloven dit bijbelse verslag niet en speculeren dat het bloed op de deurpost een magisch ritueel geweest is om demonen van het huishouden weg te houden.) De Joodse overlevering heeft nationale en individuele herinneringstekens bewaard , zoals het radicale wegdoen van al het gezuurde of gegiste brood voor Pesach en het vasten van de oudste zoon de dag voor Pesach.

Ontstaan van het uittochtverhaal in de Thora[bewerken]

De theorieën over het ontstaan van het uittocht verslag in de boeken Exodus-Leviticus-Numeri-Deuteronomium spreken elkaar tegen.

  1. De documentaire hypothese gaat ervan uit dat de Pentateuch, de eerste vijf boeken van de Bijbel, of de Thora, is ontstaan uit vier aparte documenten uit verschillende tijden over dezelfde onderwerpen, waarvan de jongste dateerde uit ongeveer 450 v. Chr. Aan deze theorie is de naam van Julius Wellhausen verbonden. Hij splitste de tekst in de tradities van de Jahwist, de Elohist, het Priestermateriaal en de Deuteronomist. Deze theorie was tot ongeveer 1970 dominant in de Bijbelwetenschappen
  2. De supplementen-hypothese stelt dat er oorspronkelijk een enkel document was, dat is uitgebreid met "supplementen", met een uiteindelijke redactie rond 450 v.Chr. Deze theorie werd geopperd door John Van Seters in de jaren zeventig en veronderstelde dat een schrijver, de Jahwist, het verhaal schreef in de 6e eeuw v.Chr. en dat dit later werd uitgebreid door anderen, met name de Priesterschool. De betekenis van de "Jahwist" verschilt sterk van de betekenis in de documentenhypothese.
  3. De fragmentenhypothese gaat ervan uit dat de boeken rond 450 v.Chr. door een auteur werden samengesteld uit allerlei fragmenten, zoals kleine teksten en mondelinge overleveringen (verhalen, spreuken, liederen enzovoorts). De meest recente ideeën plaatsen Deuteronomium laat in de 7e eeuw v.Chr., met een herziening in de 6e, en de andere boeken in de Perzische periode, de 5e eeuw v.Chr. De overlevering daarachter gaat zeker verder terug (gezien de verwijzing ernaar door de 8e-eeuwse profeten), maar men is niet zeker wat er achter die traditie ligt.
  4. De traditionele opvatting is dat Mozes deze vijf boeken schreef. Ze zouden dan in de 15e of de 13e eeuw v.Chr zijn ontstaan. Daarbij worden wel de aantekeningen gemaakt dat Mozes bronnen zal hebben geraadpleegd voor de verhalen uit Genesis, dat een ander de slotverzen van Deuteronomium zal hebben geschreven (zijn dood en begrafenis)[2] en dat er in de meer dan duizend jaar tot het sluiten van de Hebreeuwse canon geredigeerd zal zijn. Het is zeker niet uitgesloten dat er fouten in de tekst geslopen en verkeerd gecorrigeerd zijn, of dat er fouten ontstaan zijn door een verkeerde interpretatie van bijvoorbeeld het woord elef.[3]

Discussie over de historische betrouwbaarheid[bewerken]

Volgens vele hedendaagse theologen kan het verhaal van de uittocht uit Egypte het best beschouwd worden als theologie in de vorm van een geschiedenisverhaal, dat laat zien hoe de God van Israël handelde om zijn volk te bevrijden en te versterken.
Over een mogelijk historische kern van het verhaal wordt al lange tijd gediscussieerd. Hieronder volgen enkele populaire aspecten van het verhaal van Exodus.

Aantallen en logistiek[bewerken]

Volgens Exodus 12:37-38 waren de Israëlieten met ongeveer 600.000 man te voet (vrouwen en kinderen niet meegerekend), plus vele niet-Israëlieten en hun vee. Dat zou neerkomen op 2.000.000 mensen. Er is, afgezien van de Hyksos, geen bewijs dat Egypte ooit zo’n enorme demografische en economische ramp heeft beleefd, of dat de Sinaï ooit zo dicht bevolkt is geweest. Ook is niet vastgesteld dat een grote toename van de bevolking in Kanaän is geweest, waarvan de bevolking in die tijd op 50.000 tot 100.000 wordt geschat.[bron?]

  • Sommige geleerden denken daarom dat er een vertaalfout is gemaakt en menen dat het woord “elef” hier geen duizend betekent maar groep of familie(hoofd), zodat er 600 families waren en geen 600.000 mannen, waarmee het aantal mensen op ongeveer 20.000 zou komen.[4] Deze uitleg loopt echter vast op teksten waar het exacte aantal van 603.550 personen gegeven en bedoeld wordt.[5] Ter verdediging van de hypothese zou men kunnen aannemen dat er interpretatie- en overschrijffouten in de vroegste overlevering van de tekst zijn geslopen.[6]
  • De meeste oudtestamentici denken dat dergelijke duizendtallen bedoeld zijn als overdrijving (hyperbool) om een imponerende groep aan te duiden.[7]

Archeologie[bewerken]

Het archeologische bewijs levert vooral aanwijzingen op dat de oorsprong van Israël in Kanaän ligt en niet in Egypte. Er zijn tot nu toe, ondanks een eeuw zoeken, geen aanwijzingen voor de Egyptische slavernij en de ontsnapping naar de woestijn. De cultuur van de eerste Israëlieten is Kanaänitisch, hun religieuze voorwerpen zijn die van de god El, het aardewerk blijft helemaal in de Kanaänitische traditie, en het gebruikte alfabet is dat van Kanaän.[bron?] Het enige onderscheid tussen Israëlitische en Kanaänitische dorpen is dat in de Israëlitische geen resten van varkens werden gevonden. Dus, zou men ook kunnen concluderen, hebben de profeten niet overdreven toen ze zich hiertegen verzetten. Traditionele bijbeluitleggers wijzen er vaak op dat men uit de afwezigheid van bewijs over het algemeen maar heel voorzichtig conclusies kunt trekken. Soms wordt wel gedacht dat slechts een deel van Israël slaaf was in Egypte en dat dezen zich in Kanaän bij hun familie vestigden.[8]

Anachronismen[bewerken]

De precieze ligging van de genoemde plaatsen is onzeker, ook omdat de woestijngebieden niet permanent bewoond waren. De genoemde stad Ramses heette toen mogelijk Avaris, en zou zijn gelegen waar nu Tell el-Daba ligt.[9]

De angst van de farao dat de Israëlieten zich zouden kunnen verbinden met legers die Egypte zouden binnenvallen, lijkt ook niet waarschijnlijk in het late tweede millennium, toen Kanaän onderdeel uitmaakte van een Egyptisch rijk en geen vijanden had.

Chronologie[bewerken]

De chronologie van het verhaal van de uittocht lijkt meer te wijzen op een religieuze dan op een historische betekenis. Het heilige nummer zeven bijvoorbeeld, als Israël na zeven weken bij de berg Sinaï aankomt, waar men God zal ontmoeten.

Route[bewerken]

Mogelijke Uittochtroutes. Zwart de traditionele uittocht; alternatieven blauw en groen

De Thora somt de rustplaatsen van de Israëlieten op. Sommige namen uit het begin van de zwerftocht, bijvoorbeeld Ra'amses, Pithom en Sukkot, kan men goed plaatsen op de oostelijke oever van de Nijl, en Kadesh-Barnea, waar de Israëlieten 38 jaar verbleven, nadat ze terugkeerden van Kanaän. Voor de doortocht door de Rode Zee worden meerdere plaatsen aangewezen aan de Pelusische tak van de Nijl, langs de Bittermeren, en de kleinere kanalen die een barrière vormden tegen de oostelijke ontsnappingsweg, de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, of zelfs een lagune aan de Middellandse-Zeekust.

De Bijbelse berg Sinaï wordt sinds de 3e eeuw in de christelijke traditie gelijkgesteld met de Sinaïberg aan de zuidpunt van het Sinaï-schiereiland.

Sedert eeuwen waren de koninklijke wegen in gebruik. De Bijbel stelt nadrukkelijk dat de Israëlieten niet de noordelijke kustroute langs de Middellandse Zee, de weg van de Filistijnen, namen. De paarse route op de kaart is de weg naar Sur (Assyrië). De Arabische route (groen) en de Weg van Seïr (zwart) zijn onwaarschijnlijke routes. De eerste heeft weliswaar het voordeel dat ze richting Kadesh Barnea gaat maar ze buigt ten noorden van Eilat af naar het oosten, naar Petra.

Tijdstip[bewerken]

  • De Seder Olam Rabbah (circa 2e eeuw) situeert het begin van de uittocht in het jaar 2448 AM (1313 v.Chr.). Deze datum is nu traditioneel in het Rabbijnse Jodendom.
  • Vroeg in de 20e eeuw dateerde men de uittocht op basis van 1 Koningen 6:1, waar staat dat Salomo’s tempel 480 jaar na de uittocht gebouwd werd. Dat zou neerkomen op 1450 v.Chr., toen farao Thoetmosis III (1479-1425 v.Chr) aan de macht was. In het midden van de 20e eeuw was het duidelijk dat de archeologische bevindingen dit uitsloten. De mummie van Thoetmoses III was in 1881 al gevonden. Bronnen maken geen melding van een grote groep ontsnapte slaven of van de plagen. Bovendien hadden opgravingen rond 1935 geen sporen opgeleverd van de gelijktijdige verwoesting van steden zoals Jericho rond 1400 v.Chr., waarvan er nogal wat onbewoond waren in die periode.
  • De Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de Septuagint vertelt in I Koningen 6:1 dat de tempel in het 440e jaar na de uittocht gebouwd werd (in plaats van het 480e jaar). Dan worden enkele bovengenoemde moeilijkheden opgelost. De farao tijdens de uittocht; ca 1400 v.Chr., is dan Amenhotep II.[10]
  • Het gebrek aan bewijs bracht William F. Albright, er toe een "late" uittocht voor te stellen, rond 1200-1250 v.Chr. Het aardewerk dat hij als argument aanvoerde bleek inheems en sommige steden zijn in die periode verwoest, andere helemaal niet. De Stele van Merenptah laat zien dat een volk "Israel" al in (1213-1203 v.Chr) bekend was. Veel moderne theorieën over de datum richten zich op een vroege uittocht, voor 1440 v. Chr.
  • Recent is een theorie van Flavius Josephus nieuw leven ingeblazen dat de Hyksos gelijk te stellen zijn met Israël. Er zijn echter veel problemen met deze gedachte.[11][12]
  • David Rohl probeerde in 1995 de gehele Egyptische geschiedenis te corrigeren, door de derde tussenperiode 300 jaar in te korten. Als neveneffect wordt dan farao Dedumose uit de 13e dynastie de farao van de Uittocht.[13] Rohl’s theorie vindt maar weinig steun.
  • Met enige regelmaat wordt getracht de uittocht te verbinden met de vulkaanuitbarsting die mogelijk verbonden is met de ondergang van de Minoïsche beschaving op Kreta rond 1600 v.Chr. Deze uitbarsting zou dan de plagen en de doortocht door de Rietzee verklaren.

Buitenbijbelse verslagen[bewerken]

Het oudste buitenbijbelse verslag van de Uittocht is geschreven door Hecataeus van Abdera (late 4e eeuw v.Chr): de Egyptenaren geven buitenlanders de schuld van een plaag en jagen ze het land uit, waarop hun leider Mozes hen naar Kanaän brengt, waar hij de stad Jeruzalem sticht. Er zijn meer dan tien versies van dit verhaal bekend, de meeste met een anti-joodse ondertoon.[bron?]
De bekendste versie is die van de Egyptische historicus Manetho (3e eeuw v.Chr.), die bekend is doordat Flavius Josephus haar tweemaal citeert. Manetho beschrijft de Hyksos als een Aziatisch volk van lage afkomst, hun heerschappij over en verdrijving uit Egypte, en het feit dat zij vervolgens de stad Jeruzalem en de tempel hebben gesticht. Josephus, niet Manetho, vereenzelvigt de Hyksos met de Joden.[14] In het andere citaat vertelt Manetho hoe 80.000 melaatsen en andere onreine mensen door een priester met de naam Osarseph, samenspannen met de vroegere Hyksos, die nu in Jeruzalem wonen, om Egypte over te nemen.
Ze richten schade aan, totdat de farao en zijn zoon hen verjagen tot de grens met Syrië, waar Osarseph hun een wet geeft en zijn naam in Mozes verandert.[15]

Verfilming[bewerken]

De uittocht uit Egypte is vaak verfilmd. Bekende verfilmingen zijn The Ten Commandments van Cecil B. DeMille uit 1956 en The Prince of Egypt uit 1998.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

Referenties

  1. Niels Peter Lemche, "Early Israel: anthropological and historical studies" (Brill, 1985)] p.327[1]
  2. Cole, R,A, Exodus Tyndale OT commentary, IVP 1973, blz. 12 vv.
  3. Harrison, Waltke, Guthrie, Fee, Biblical Criticism, Zondervan 1978
  4. R. Alan Cole, Exodus (Tyndale Old Testament Commentary). IVP 1973, p. 112.
  5. Exodus 38:21-31 in combinatie met Num. 1:45-46 en 2:32. Het afgedragen zilver voor de tabernakel was per persoon een halve sjekel, in totaal 100 talent en 1775 sjekel (Ex. 38:25-26). Een talent is 3000 sjekel, dus het aantal personen dat bij dit bedrag hoort is (100 x 3000 + 1775) / 0,5 = 603.550.
  6. Tyndale Old Testament Commentary). IVP 1973, p. 112.
  7. C. Houtman, Exodus. Deel 1 (COT). Kampen 1986, p. 82-83.; NBV Studiebijbel 2008; bladzijde 115
  8. Chaim Potok, Omzwervingen, BZZTôh,1989, bladz 80 vv
  9. C.G. Rasmussen, Historisch-geografischer Atlas zur Bibel, Hänssler Verlag 1997, p. 88.
  10. Zie voor een ietwat ander peleidooi voor deze farao: Uittocht uit Egypte, Bijbelse encyclopedie, Kok Kampen, 1975, bladz 7070;
  11. Debunking The Exodus Decoded (September 20, 2006) Geraadpleegd op 8 August 2009
  12. The Exodus Decoded: An Extended Review (Tuesday 19 Dec 2006) Geraadpleegd op 8 August 2009
  13. Rohl, David, A Test of Time, Arrow, 1995, “Chapter 13”, p. 341–8 ISBN 0099416565.
  14. Josephus: Contra Apion" (Brill, 1996), pp.121-2]
  15. Arthur J. Droge, Josephus Between Greeks and Barbarians, in L.H. Feldman and J.R. Levison (eds), "Josephus' Contra Apion" (Brill, 1996), pp.134-5]

Verder lezen De volgende lijst boeken is overgenomen van de Engelse versie:

  • Yohanan Aharoni. The Archaeology of the Land of Israel. Philadelphia: Westminster Press, 1982. ISBN 0-664-21384-7. This book is notable for the large number of Ramesside cartouches and finds it cites throughout Israel.
  • Jan Assman, Moses the Egyptian: The Memory of Egypt in Western Monotheism, First Harvard University Press, 1997.
  • John J. Bimson. Redating the Exodus. Sheffield, England: Sheffield Academic Press, 1981. ISBN 0-907459-04-8.
  • Johannes C. de Moor. "Egypt, Ugarit and Exodus" in Ugarit, Religion and Culture, Proceedings of the International Colloquium on Ugarit, Religion and Culture, edited by N. Wyatt and W. G. E. Watson. Münster, Germany: Ugarit-Verlag, 1996. ISBN 3-927120-37-5.
  • Dever, William, What Did the Biblical Writers Know, and When Did They Know It?, Eerdmans, 2001
  • Davies, Graham, Was There an Exodus?, Continuum International, 2004
  • In search of pre-exilic Israel: proceedings of the Oxford Old Testament Seminar
  • Dever, William, Who Were the Early Israelites and Where Did They Come From?, Eerdman's, 2003.
  • Encyclopaedia Judaica. S.v. "Population". ISBN 0-685-36253-1.
  • Exodus: The Egyptian Evidence, edited by Frerichs, Lesko & Dever, Indianapolis: Eisenbrauns, 1997. ISBN 1-57506-025-6.
  • Israel Finkelstein and Neil Asher Silberman. The Bible Unearthed. New York: Free Press, 2001. ISBN 0-684-86912-8.
  • James K. Hoffmeier, Israel in Egypt: the evidence for the authenticity of the Exodus tradition, Oxford University Press, 1996, 1999, ISBN 9780195130881.
  • James Hoffmeier, Ancient Israel in Sinai:the evidence for the authenticity of the wilderness tradition, Oxford University Press, 2005, ISBN 9780195155464.
  • Thomas E. Levy and Mohammed Sajjar. "Edom & Copper", Biblical Archaeological Review (BAR), July/August, 2006: 24-35.
  • Mark McEntire, Struggling with God: An Introduction to the Pentateuch, Mercer University Press, 2008.
  • Carol Meyers, Exodus, Cambridge University Press, 2005)
  • Noll, K. L. Canaan and Israel in Antiquity, Sheffield Academic Press, 2001.
  • Nahum Sarna. "Six hundred thousand men on foot" in Exploring Exodus: The Origins of Biblical Israel, New York: Schocken Books (1996): ch. 5. ISBN 0-8052-1063-6
  • Hershel Shanks, William G. Dever, Baruch Halpern and P. Kyle McCarter. The Rise of Ancient Israel: Symposium at the Smithsonian Institution October 26, 1991, Biblical Archaeological Society, 1992. ISBN 1-880317-05-2