Documentaire hypothese

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Diagram van de Documentaire Hypothese.
* inclusief het grootste deel van Leviticus
inclusief het grootste deel van Deuteronomium
"Deuteronomistische geschiedenis": Jozua, Richteren, 1 & 2 Samuël, 1& 2 Koningen

De documentaire hypothese (DH), ook wel bekend als de (vier)bronnenhypothese[1] of (nieuwe) oorkondenhypothese[2], suggereert dat de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, gezamenlijk de Thora of de Pentateuch genoemd) ontstaan zijn uit een combinatie van diverse bronnen die oorspronkelijk onafhankelijk van elkaar waren. De belangrijkste versie van deze hypothese is geformuleerd door de Duitse theoloog Julius Wellhausen (1844-1918) tegen het einde van de 19e eeuw (de Wellhausen-hypothese). Volgens Wellhausen waren er vier belangrijke bronnen:

De redacteur die deze bronnen samengevoegd zou hebben tot de uiteindelijke Thora staat bekend als R. De werkzaamheid van R is (volgens deze hypothese) op meerdere momenten in het ontstaansproces van de Thora te herkennen, maar als uiteindelijke redacteur duidt men vaak Ezra aan.

Volgens Wellhausen schetsen deze vier bronnen een beeld van de religieuze geschiedenis van Israël. In de 20e eeuw groeide deze hypothese uit tot de overheersende hypothese aangaande het ontstaan van de Thora. De meeste huidige Bijbelgeleerden gaan uit van een of andere vorm van de documentaire hypothese,[3] en blijven gebruikmaken van Wellhausens terminologie en inzichten,[4] zij het in een wat verder uitgewerkte vorm.

Samenstelling van de Thora[bewerken]

De veronderstelde spreiding van inhoud naar auteur over de boeken Genesis, Exodus, Leviticus en Numeri volgens Richard Friedman.

Naar Wellhausens voorbeeld spreken geleerden van vier belangrijke bronnen voor de Thora:

J: de Jahwist[bewerken]

J is de oudste bron, die zich met verhalen bezighoudt, en bestaat uit de helft van Genesis, de helft van Exodus en delen van Numeri. J beschrijft een mensachtige God, de zogenoemde Jahweh (of liever JHWH), en richt zich op het territorium van het koninkrijk Juda en personen uit zijn geschiedenis. J heeft een vloeiende stijl en zou rond 950 voor Christus zijn samengesteld.[3]

E: de Elohist[bewerken]

E lijkt sterk op J en de verhalen in beide overlappen vaak. E bestaat uit een derde van Genesis, de helft van Exodus en fragmenten van Numeri. Ook E beschrijft een mensachtige God, maar noemt deze in eerste instantie Elohim en later, na de gebeurtenis met de brandende struik (Exodus 3), Jahweh. E richt zich op het territorium van het koninkrijk Israël en de priesters in Silo en heeft een minder vloeiende stijl dan J. E zou oorspronkelijk zijn opgesteld rond 850 voor Christus.[3]

D: de Deuteronomist[bewerken]

D is een reeks preken over de Wet, en bestaat uit het grootste deel van Deuteronomium. Deze bron onderscheidt zich onder andere door haar gebruik van de naam YHWH Elohainu voor God, vertaald in het Nederlands als "De HEER onze God." D is oorspronkelijk samengesteld in 650 tot 621 voor Christus.[3] Er wordt verondersteld dat deze tekst het wetboek was dat in 621 v.Chr. gevonden werd tijdens de hervorming van Josia.

P: de Priestercodex[bewerken]

P benadrukt de rol van het priesterschap en beschrijft genealogieën, data, cijfers en wetten. P bestaat uit ongeveer een vijfde van Genesis, grote delen van Exodus en Numeri, en bijna geheel Leviticus. P beschrijft een verre en onvergevende God, aangeduid als Elohim. P dupliceert J en E gedeeltelijk, maar wijzigt details om het belang van het priesterschap te benadrukken. P heeft een niet erg ontwikkelde literaire stijl en zou zijn samengesteld rond 550-400 voor Christus.[3]

R: de Redacteur[bewerken]

De redactie van de Thora begon met het samenvoegen van J en E rond 750 voor Christus tot JE. Daaraan werd D toegevoegd tot JED. Ten slotte werd het werk afgemaakt rond 400 voor Christus door de redacteurs die met P worden geassocieerd.

Oorsprong van de documentaire hypothese[bewerken]

Voorafgaand aan de 17e eeuw accepteerden zowel joden als christenen de traditionele interpretatie dat de Thora geschreven was door Mozes, geïnspireerd of zelfs gedicteerd door God. Hoewel enkele rabbijnen en filosofen zich afvroegen hoe Mozes zijn eigen dood kon hebben beschreven of lijsten van de koningen van Edom kon hebben opgeschreven voordat deze leefden, twijfelde niemand aan de waarheid van de traditie.[5] Daarom werd de Thora vroeger ook vaak tezamen de de vijf boeken van Mozes genoemd. Als bewijs hiervoor werd (meestal) de Thora zelf aangewezen, naar passages waar gesproken wordt over Mozes (weliswaar in de derde persoon) die wetten en gebeurtenissen opschrijft, zoals Ex. 24:3-4, Numeri 33:2 en Deut. 31:24. Dat Mozes' auteurschap zodoende door een drogreden zichzelf bewees zag men niet of wilde men niet zien.

Twijfel over Mozes' auteurschap[bewerken]

Met de Verlichting begon in Europa het historisch-kritische onderzoek van de Bijbel. Al in de 17e eeuw beargumenteerde Thomas Hobbes in hoofdstuk 33 van zijn boek Leviathan dat de Thora niet in haar geheel door Mozes kon zijn geschreven. Hiertoe benoemde hij Bijbelpassages als Deuteronomium 34:6 ("... en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag.") waarin geïmpliceerd wordt dat de auteur lang na de dood van Mozes leefde, Genesis 12:6 ("... en de Kanaänieten waren toentertijd in dat land." waarin geïmpliceerd wordt dat de auteur leefde in een tijd dat de Kanaänieten niet meer in dat land waren, en Numeri 21:14 dat refereert aan eerdere boeken over Mozes' daden. Hieruit concludeerde hij dat geen van deze passages door Mozes kon zijn geschreven. Anderen, onder wie Isaac de la Peyrère, Baruch Spinoza, Richard Simon en John Hampden kwamen tot dezelfde conclusie, maar hun werk werd sterk bekritiseerd. Enkelen van hen werden zelfs opgesloten en gedwongen hun conclusies te herroepen, en Spinoza overleefde een aanslag op zijn leven.[6]

Theorie van meerdere bronnen[bewerken]

In 1753 drukte Jean Astruc anoniem het boek Conjectures sur les mémoires originaux, dont il paraît que Moïse s'est servi pour composer le livre de la Genèse ("Gedachten over de oorspronkelijke bronnen waarvan Mozes naar het schijnt gebruik heeft gemaakt bij het samenstellen van Genesis") waarmee hij de werken van Hobbes en Spinoza, die hij de "ziekte van de laatste eeuw" noemde, hoopte te kunnen ontkrachten. Hiertoe maakte hij gebruik van bestaande literaire analysetechnieken, en gebruikte die om kenmerken te identificeren zoals ook Wellhausen dat later zou doen. Astruc stelde voor dat Genesis geschreven was door Mozes als vier[bron?] parallelle vertellingen die door een latere redacteur op verwarrende wijze tot een enkele vertelling waren samengevoegd. Zo verklaarde hij de herhalingen en verschillen in stijl die door Hobbes en Spinoza waren aangewezen.[7] Astruc onderzocht vooral de herhalingen ("doublures" of "doubletten" in geval van tweevoudige herhaling, "tripletten" in geval van drievoudige herhaling) die in het scheppingsverhaal en het zondvloedverhaal van Genesis erg duidelijk naar voren kwamen, latere onderzoekers breidden het onderzoek uit naar de hele Pentateuch, soms met Jozua erbij (de Hexateuch) of ook Richteren (de Heptateuch). De bijdrage van Astruc was dus het erkennen van twee bronnen: een Jehovistische (eigenlijk Jahwistische, voortgekomen uit de vergissing dat de Godsnaam JHWH uitgesproken moest worden als Jehova, pas in de 19e eeuw bijgesteld tot Jahwe) en een Elohistische (die de Godsnaam Elohim gebruikte), die echter wel allebei door Mozes zouden zijn geschreven.

Oudere oorkondenhypothese[bewerken]

De technieken die Astruc had aangewend voor analyse van de Bijbel werden door andere geleerden, voornamelijk Duitsers, veel verder ontwikkeld. Vanaf 1780 analyseerde Johann Gottfried Eichhorn de gehele Thora en concludeerde tegen 1823 dat Mozes niets van de Thora had geschreven: vóór Mozes zou er een Jahwist (J) en na Mozes een Elohist (E) zijn geweest die aan de Thora hadden geschreven. Karl David Ilgen bouwde Eichhorns theorie verder uit en stelde dat er twee Elohisten zouden zijn geweest, dus drie bronnen in totaal.[8] In Duitsland staat de theorie van Eichhorn en Ilgen bekend als de Ältere Urkundenhypothese (oudere oorkondenhypothese); deze werd de standaardthese, die nog werd bijgewerkt totdat Wellhausen een hypothese voorstelde die algemeen aanvaard werd.

Wilhelm de Wette concludeerde in 1805 dat Deuteronomium een onafhankelijke, vierde bron was. Rond 1822 stelde Friedrich Bleek dat Jozua vervolgde op de Thora via Deuteronomium, terwijl anderen tekenen van de Deuteronomist (D) in Richteren, Samuel en Koningen vonden. In 1853 suggereerde Hermann Hupfeld (net als Ilgen) dat de Elohist opgedeeld zou moeten worden in twee afzonderlijke bronnen; daarmee werd de Priesterlijke bron (P) onderscheiden. Ook benadrukte hij de invloed van de Redacteur (R).

Delen van de Thora werden aan geen van de vier hoofdbronnen toegeschreven. Zo werd Leviticus 17 tot 26 aan een vijfde bron toegeschreven, die de Heiligheidscode genoemd werd.[9]

Geleerden probeerden ook de samenhang tussen de vier hoofdbronnen te identificeren, en na te gaan wie deze bronnen kon hebben geschreven en waarom. De Wette had in 1805 geconcludeerd dat niets van de Thora vóór de tijd van David (r. 1010-970 v.Chr.) was geschreven, en sinds Spinoza werd D geassocieerd met de priesters in de tempel in Jeruzalem ten tijde van het bewind van Josia (r. 641/640-610/609 v.Chr.) die rond 621 v.Chr. belangrijke hervormingen doorvoerde, maar buiten deze conclusies waren geleerden het vaak oneens over de volgorde waarin de Thora zou zijn samengesteld, PEJD, EJDP of JEDP.[10]

De (Graf-)Wellhausen-hypothese[bewerken]

In 1876/77 publiceerde Julius Wellhausen Die Composition des Hexateuchs ("De samenstelling van de Hexateuch"), waarin hij zijn vierbronnenhypothese beschreef. Dit werk werd in 1878 gevolgd door Prolegomena zur Geschichte Israels ("Prolegomena bij de geschiedenis van het oude Israël"), dat de ontwikkeling van de religie van de oude Israëlieten volgde vanuit een seculier, niet bovennatuurlijk oogpunt. Zo voegde hij, in samenwerking met Karl Heinrich Graf en de Nederlander Abraham Kuenen, de bestaande argumenten en conclusies samen tot een coherente en alomvattende hypothese over de oorsprong van de Thora en het jodendom. Deze staat bekend als de Neuere Urkundenhypothese (nieuwere oorkondenhypothese), en domineert nog altijd het onderzoek naar de Pentateuch.

Bronnenscheiding[bewerken]

Wellhausen gebruikte dezelfde criteria om de verschillende bronnen van elkaar te onderscheiden als zijn voorgangers: het onderscheid in woordenschat zoals tussen de Godsnamen Jahwe en Elohim, vaste uitdrukkingen en de herhalingen. De Jahwist had een rijke vertelwijze, de Elohist was iets minder welbespraakt, de Priesterlijke bron had vrij droog en juridisch taalgebruik. Zuiver in taalgebruik zag Wellhausen verschillen in de Godsnamen, de Sinaïberg (E en D) of de Horebberg (J en P); rituele voorwerpen zoals de Ark des Verbonds die J vaak maar E nooit vermeldt; het gezag van de rechters (door P nooit vermeld) en profeten (enkel vermeld in E en D); de wijze van communiceren tussen God en de mensen (J's God ontmoet Adam en Abraham in eigen persoon, E's God communiceert middels dromen, P's God kan slechts middels het priesterschap worden benaderd): deze en andere noties maakten het mogelijk om de bronnen van elkaar te scheiden.[11]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

(en) Wikiversity - De King James Bible volgens de documentaire hypothese

Literatuur[bewerken]

  • B. Spinoza, Tractatus theologico-politicus (Amsterdam 1670).
  • J. Austruc, Conjectures sur les mémoires originaux, dont il paraît que Moïse s'est servi pour composer le livre de la Genèse (Brussel 1753).
  • J.G. Eichhorn, Einleitung in das Alte Testament (Leipzig 1780-1783)
  • K.D. Ilgen, Die Urkunden des ersten Buchs von Moses in ihrer Urgestalt: zum bessern Verständnis und richtigern Gebrauch derselben (Halle 1798).
  • W. de Wette, Beiträge zur Einleitung in das Testament (Halle 1806-1807).
  • F. Bleek, Einleitung in das Alte Testament (Berlijn 1860 [postuum]).
  • A. Kuenen, Historisch-critisch onderzoek naar het ontstaan en de verzameling van de Boeken des Ouden Verbonds (Leiden 1861–1865).
  • K.H. Graf, Die geschichtlichen Bücher des Alten Testaments : zwei historisch-kritische Untersuchungen (Leipzig 1866).
  • J. Wellhausen, Die Composition des Hexateuchs und der historischen Bücher des Alten Testaments.(Berlijn 1876-1877).
  • J. Wellhausen, Prolegomena zur Geschichte Israels (Berlijn 1878).
  • M. Noth, Überlieferungsgeschichte des Pentateuch (Stuttgart 1948).
  • R. N. Whybray, The Making of the Pentateuch: A Methodological Study (Sheffield 1987).
  • R.E. Friedman, Who Wrote the Bible? (San Francisco 1987).
  • R.E. Friedman, The Bible with Sources Revealed (San Francisco 2003).
  • G. Wenham, Exploring the Old Testament: Vol. 1, the Pentateuch (2003). InterVarsity Press.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. "Genesis [godsdienst]", "Kuenen, Abraham" en "Pentateuch". Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  2. Idem, s.v. "Pentateuch".
  3. a b c d e Stephen L. Harris, Understanding the Bible, Palo Alto - Mayfield, 1985
  4. Gordon Wenham, Pentateuchal Studies Today, Themelios 22.1, oktober 1996
  5. Gordon Wenham, Exploring the Old Testament: Vol. 1, the Pentateuch, p. 160, 2003
  6. Voor een overzicht van de strijd tussen studie en autoriteit ten tijde van de Verlichting, zie Richard Elliott Friedman, "Who Wrote the Bible?", pp.20-21, 1987.
  7. Gordon Wenham, "Exploring the Old Testament: Volume 1, the Pentateuch", (2003), PP.162-163.
  8. K.D. Ilgen, Die Urkunden des ersten Buchs von Moses in ihrer Urgestalt: zum bessern Verständnis und richtigern Gebrauch derselben (Halle 1798).
  9. Don Closson (Probe Ministries), "Did Moses Write the Pentateuch?", en Richard Elliott Friedman, "Who Wrote the Bible?", pp.22-24.
  10. Richard Elliott Friedman, "Who Wrote the Bible?", p.25., and Alexander Rofe, "Introduction to the Composition of the Pentateuch", (1999), ch.2. See also Raymond F. Surberg, "Wellhausianism Evaluated After a Century of Influence", section II, The Contribution of the Prolegomena from a Critical Viewpoint.
  11. Richard Elliott Friedman, The Bible with Sources Revealed (2003); en Reading the Old Testament: Source Criticism (en) .