Koninkrijk Juda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
מַמְלֶכֶת יְהוּדָה
 Verenigd Koninkrijk Israël ca. 930–585 v.Chr. Nieuw-Babylonische Rijk 
Kaart
De koninkrijken Juda (geel) en Israël (blauw) in ca. 830 v.Chr. volgens de Bijbel
De koninkrijken Juda (geel) en Israël (blauw) in ca. 830 v.Chr. volgens de Bijbel
Algemene gegevens
Hoofdstad Jeruzalem
Talen klassiek Hebreeuws
Religie(s) jodendom (jahwisme en baälisme)
Regering
Dynastie Huis van David

Het koninkrijk Juda (Hebreeuws: מַלְכוּת יְהוּדָה , Mamlekhet Yehuda) was in de tijd van de joodse Bijbel een natie gevormd door de Israëlitische stammen Juda, Simeon en Benjamin en bestond van 922 v.Chr. tot 586 v.Chr.

Het koninkrijk Juda wordt vaak het Zuidelijk Koninkrijk of het Tweestammenrijk genoemd om het te onderscheiden van het Noordelijk Koninkrijk (koninkrijk Israël) dat ook wel het Tienstammenrijk genoemd werd. De hoofdstad van Juda was Jeruzalem. Juda had een oppervlakte van 8900 km².

Het koninkrijk Juda ontstond nadat het koninkrijk Israël bij Sichem uiteenscheurde na onenigheid over de opvolging van koning Salomo. De bedoeling was dat Salomo's zoon Rechabeam de troonopvolger werd maar toen hij aankondigde dat hij Salomo's zware belastingdruk zelfs nog meer wilde opschroeven brak er een opstand uit. Aanvankelijk volgde alleen de stam Juda het huis van David en erkende Rechabeam als hun koning. De andere stammen kozen voor Salomo's vroegere generaal Jerobeam als nieuwe koning. Maar snel sloot de stam van Benjamin zich aan bij Juda. De stam van Simeon werd later samengevoegd met de stam van Juda en verloor zijn eigen identiteit.

Belangrijke gebeurtenissen[bewerken]

In de eerste zestig jaar van zijn bestaan voerde het koninkrijk Juda vooral oorlog tegen het koninkrijk Israël in een poging de autoriteit van het huis van David terug te winnen. De daarop volgende tachtig jaar was er nauwelijks sprake van oorlog. De twee staten leefden vreedzaam naast elkaar en werkten samen tegen gezamenlijke vijanden, zoals Damascus.

In 783 v.Chr. werd Uzzia (Azarja) koning van Juda. Hij versterkte Elat en bracht het weer onder Juda (Kon. 14:22).

In 734 v.Chr. weigerde Juda een coalitie met koning Pekah van het koninkrijk Israël. Koning Achaz zond een boodschapper met een enorme gift zilver en goud uit de tempel naar de Assyrische koning om diens hulp in te roepen tegen de daarop volgende belegering van Jeruzalem door Pekah. Juda mocht autonoom blijven tegen het betalen van schatting.

In 722 v.Chr. werd het koninkrijk Israël veroverd door de Assyriërs. Het koninkrijk Juda beleefde hierdoor een moeilijke periode van ongeveer anderhalve eeuw, waarin het feitelijk een vazalstaat van Assyrië was. Koning Achaz moest schriftelijk afstand doen van de onafhankelijkheid van zijn volk en erkende de goden van zijn meesters, de Assyriërs.

In 701 v.Chr., in de tijd van Hizkia, viel de Assyrische koning Sanherib Juda binnen en verwoestte hij de stad Lachis. Muurreliëfs in het paleis van Sanherib in Ninive tonen Sanherib terwijl hij vanaf zijn ivoren troon op 300 m afstand (een goede boogscheut verwijderd) toekijkt op de verwoesting van de stad. Sanherib belegerde ook Jeruzalem:

Aanhalingsteken openen Wat Hizkia de Jood aangaat, hij onderwierp zich niet aan mij, ik belegerde 46 van zijn versterkte steden, ommuurde vestingen en talloze dorpen en overmeesterde ze door aangestampte taluds en stormrammen, voetvolkaanvallen, mijnen, stootblokken, alsook sappeurswerk... Hemzelf maakte ik tot gevangene in Jeruzalem, in zijn koninklijke residentie, als een vogel in een kooi
— vertaling van Sanheribs annalen naar Ancient Near Eastern Texts
Aanhalingsteken sluiten

Het lukte Sanherib echter niet om Jeruzalem in te nemen en uiteindelijk nam hij genoegen met de schatting die Hizkia hem had aangeboden en keerde terug naar Nineve.

In 640 v.Chr. onder koning Josia kwamen er belangrijke godsdiensthervormingen. Juda herwon zijn onafhankelijkheid van Assyrië na de dood van Assurbanipal en kreeg zelfs greep op Samaria, een provincie van Assyrië.

In 609 v.Chr. probeerde Josia het oprukkend Egyptische hulpleger voor Assyrië te stoppen, maar hij sneuvelde in een veldslag bij Megiddo. Dit betekende het einde van Juda's onafhankelijkheid.

In 597 v.Chr. kwam plaatsvervangend koning Zedekia (Willibrordvertaling: Sidkia) in opstand tegen Babylon. Daarop viel Nebukadnezar II van Babylon Juda binnen.

In 586 v.Chr. werd Juda veroverd door Nebuzar-adan, die kapitein was in het leger van koning Nebukadnezar en hij voerde een aantal inwoners onder Babylonische ballingschap mee. Dit gebeurde toen hij Jeruzalem voor de tweede keer bezette. De eerste keer had Nebukadnezar al eens orde op zaken gesteld en een einde gemaakt aan het koningschap van de al te jonge Koning Jojachin. Die was toen uit zijn functie ontzet en vervangen door Zedekia. Maar ook die bleek niet in staat eenheid onder de Israëlieten en Joden te bewaren en bij de tweede bezetting maakte Nebukadnezar definitief een einde aan het hele zelfstandig voortbestaan van Juda. De Babylonische soldaten verwoestten de tempel van Jeruzalem met buitensporig geweld, en een deel van de bevolking, waaronder vooral de religieuze en politieke leiders en vooraanstaanden, werd met de strafexpeditie meegevoerd en lange tijd in ballingschap gehouden.

Hiermee kwam een einde aan het bestaan van Juda als zelfstandig koninkrijk. In totaal heeft Juda 389 jaar bestaan.

De vijandschap tussen de in 515 v.Chr. onder Perzisch bestuur terugkerende Joden en hun noorderburen in Samaria ontstond toen fel jahwistisch gezinde priesters hun hulpaanbod om de tempel te helpen herbouwen hadden afgewezen, omdat de Samaritanen volgens hen etnisch en theologisch niet zuiver genoeg waren. De Samaritanen besloten toen hun eigen tempel te bouwen op de berg Gerizim bij Sichem.

In 198 v.Chr. verdreven de Seleuciden de Egyptenaren uit Juda, dat in een absoluut dieptepunt zat tijdens en na de ballingschap. Traditionele vijanden vestigden zich in de zuidelijke gebieden: de Idumeeërs, afkomstig uit Edom in zuidelijk Jordanië.

De scheuring van het rijk staat in de Bijbel beschreven in I Koningen 12.

Zie ook[bewerken]