Sadrach, Mesach en Abednego

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sadrach, Mesach en Abednego in de brandende oven. (T'oros Ṙoslin, Mashtots, 1266)

Sadrach, Mesach en Abednego zijn de Babylonische namen van de drie Judese jongeren van hoge afkomst die volgens het Bijbelboek Daniël tijdens de ballingschap in opdracht van de Babylonische koning Nebukadnezar samen met Daniël werden opgeleid in filosofie, geloof en taal van de Chaldeeën.

Ze kregen nieuwe, Babylonische namen van de hoofdeunuch:

Babylonische naam Betekenis Oorspronkelijke,
Judese naam
Betekenis
Beltesassar Bescherm zijn leven Daniël God is mijn rechter
Sadrach bevel van Aku (maangod) Chananja JHWH is genadig
Mesach Wie is als Aku (maangod) Misaël Wie is als God (?)
Abednego Knecht van Nego of Naboe
(Chaldeeuws)
Azarja JHWH is mijn helper

Sadrach, Mesach en Abednego worden in de Bijbel steeds bij hun Babylonische namen genoemd, in tegenstelling tot Daniël die meestal met de Judese naam Daniël wordt aangeduid en niet met zijn Babylonische naam Beltesassar.

De brandende vuuroven[bewerken]

Het drietal weigerde het gouden beeld te aanbidden dat koning Nebukadnezar had opgericht. De koning gaf hen nog een kans om zich te bekeren, maar toen ze bleven volharden werden ze in de brandende vuuroven geworpen. Ze werden door een 'zoon der goden' (Daniël 3:25), of engel (Daniël 3:28) uit het vuur gered.[1] Een van de toevoegingen bij Daniël, die niet in de Hebreeuwse tekst is opgenomen maar wel in de Septuaginta is overgeleverd, bevat een gebed dat Azarja bij die gelegenheid zou hebben uitgesproken.[2]

Bronnen, noten en/of referenties