Brief van Jakobus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jakobus
Jakobus de rechtvaardige
Jakobus de rechtvaardige
Auteur Jakobus
Tijd tussen 50 en 125
Taal Grieks
Categorie katholieke brief
Hoofdstukken 5
Vorige boek Hebreeën
Volgende boek I Petrus
(bij Luther Judas)

De Brief van Jakobus (vaak kortweg Jakobus genoemd) is een van de Algemene zendbrieven in het Nieuwe Testament van de Bijbel. De brief werd geschreven in het Koinè-Grieks.

Auteur[bewerken]

De schrijver noemt zich "Jakobus, een dienstknecht van God en van de Here Jezus Christus". Omdat hij zich geen apostel noemt zou het volgens de overlevering gaan om Jakobus de Mindere, een van de broers van Jezus. Het verzorgde Grieks en de inhoud van de brief zouden er op te wijzen dat het gaat om een pseudepigrafisch geschrift uit het einde van de eerste eeuw of het begin van de tweede eeuw. Dat argument heeft veel van zijn kracht verloren nu, in recent onderzoek, duidelijk is gebleken hoeveel invloed het Hellenisme op de Joodse cultuur heeft gehad. Het is niet onwaarschijnlijk dat de brief door een secrataris, in opdracht van Jakobus, is opgesteld.[1] Een andere mogelijkheid is dat het gaat om een verzameling van preken en spreuken van Jakobus die door een latere redacteur op schrift gesteld zijn.

Datering[bewerken]

Net als bij het auteurschap zijn er bij de datering van de tekst in ieder geval twee varianten. Wanneer de Jakobusbrief van de hand van Jakobus de Mindere is, moet de brief voor de door Flavius Josephus en Eusebius van Caesarea berichte dood van Jakobus de Mindere in 62 ontstaan zijn. Het zou dan een van de oudste geschriften van het Nieuwe Testament zijn. Sommigen menen dat de brief is ontstaan tijdens het zogenaamde apostelconcilie (dat in Handelingen 15 beschreven wordt), omdat in de brief de heidenen niet genoemd worden. Theologen die de Jakobusbrief als pseudepigrafisch zien, dateren de brief aan het eind van de eerste of het begin van de tweede eeuw.

De brief is bekend bij de auteur van De herder van Hermas, een tekst uit het begin van de tweede eeuw.[bron?] De oudste bekende handschriften van de Jakobusbrief dateren van 250 n.Chr. (Papyrus 20 en 23). In die tijd was de brief dus al wijd verspreid.

Het geschrift werd in het Westen relatief laat bekend en erkend en het ontbreekt in enkele vroege lijsten van de Bijbelse canon, waaronder die van Tertullianus en de Canon Muratori.

Geadresseerden[bewerken]

De brief is gericht aan de "twaalf stammen in de diaspora" (1:1). Hiermee worden mogelijk specifiek de christenen van Joodse oorsprong in de diaspora bedoeld, maar gangbaarder is de uitleg waarbij dit beschouwd wordt als beeldspraak voor de christelijke gemeenschap.[2][3] Het boek bevat geen specifieke geadresseerde, geen duidelijke briefstructuur en geen formele afsluiting. Het gaat dan ook eerder om een tekst die bedoeld was voor publicatie en/of circulatie. Aangezien de brief voor het eerst wordt vermeld in een derde-eeuws geschrift uit Palestina, is het mogelijk dat de geadresseerden leefden in het grensgebied van Palestina en Syrië.[4]

Inhoud[bewerken]

De Jakobusbrief is overwegend praktisch georiënteerd ("Geloof zonder werken is dood") en bevat een aantal sociaal-ethische voorschriften en aanwijzingen. De schrijver richt zich tot Joodse christenen die de leer wel kennen, maar hulp in het alledaagse leven nodig hebben.

Structuur[bewerken]

  • 1:1 Groet
  • 1:2-18 Bewaring in verzoeking
  • 1:19-27 Dader van het woord, niet alleen hoorder
  • 2:1-13 De zonde van de vooringenomenheid
  • 2:14-26 Geloof en werken
  • 3:1-12 De zonden van de tong
  • 3:13-18 De wijsheid van boven en van beneden
  • 4:1-10 Vriendschap met de wereld is vijandschap met God
  • 4:11-17 Deemoed, de zonde van eigen eer
  • 5:1-6 Het gericht over de rijken
  • 5:7-11 Geduldig lijden
  • 5:12 Niet zweren
  • 5:13-18 Gebed voor zieken, macht van voorbede
  • 5:19-20 De terugkeer van de zondaar van zijn dwaalweg

Werkgerechtigheid[bewerken]

De Jakobusbrief werd vaak bekritiseerd of verworpen vanwege de daarin voorkomende nadruk op werkheiligheid: het geloof dat men door eigen werken en verdienste gered kan worden. Zo noemde Maarten Luther de Jakobusbrief een strooien brief.

Het voorbehoud van Jakobus[bewerken]

Men gebruikt in christelijke omgeving soms wel de uitdrukking onder het voorbehoud van Jakobus (Latijn: sub conditione Jacobi, afgekort s.c. of s.c.j.). Deze uitdrukking wordt gebruikt bij bijvoorbeeld afspraken, om aan te geven dat men als mens de toekomst niet onder controle heeft, maar afhankelijk is van God. Dit berust op de tekst uit Jakobus 4:13-15:

Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.

Eveneens op basis van deze tekst wordt de vaker gehoorde toevoeging Deo volente gebruikt.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. , The Oxford Bible Commentary, Oxford University Press, Oxford, 2001, p. 1256 ISBN 0198755007.
  2. Inleiding bij de Brief van Jakobus in de Nieuwe Bijbelvertaling.
  3. Bijbel met kanttekeningen (Baarn: Bosch & Keuning, z.j.), kanttekening 5 bij Jacobus 1:1. [Kanttekeningen bij de Bijbelvertaling NBG 1951
  4. A.F.J. Klijn, De wordingsgeschiedenis van het Nieuwe Testament (Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum, 1983; 7e druk), p. 166.