Concilie van Jeruzalem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Concilie van Jeruzalem, ook wel apostelconvent of apostelconcilie genoemd, was een concilie binnen het vroege christendom met verstrekkende gevolgen voor de latere kerkgeschiedenis.

Omschrijving[bewerken]

Het was een bijeenkomst van Paulus en Barnabas als afgevaardigden van de christelijke gemeente van Antiochië met de apostelen en de oudere mannen van de christelijke gemeente van Jeruzalem. Deze bijeenkomst vond plaats omstreeks 49 n. Chr. en wordt beschreven in het boek Handelingen van de Apostelen, een deel van het Nieuwe Testament.

De centrale vraag die werd besproken was of de heidenen die tot het christendom overgingen besneden moesten worden en zich aan de Joodse wet moesten houden.

Aanleiding[bewerken]

Het probleem ontstond in de gemeente van Antiochië, waar tot het christendom bekeerde joden eisten dat christenen zich ook aan alle Mozaïsche wetten hielden. Of deze mannen voordat ze tot het christendom werden bekeerd farizeeën waren geweest, wordt niet specifiek vermeld, maar in ieder geval lijkt het erop dat ze beïnvloed waren door de wettische ideeën van die joodse religieuze groepering.

Aanhalingsteken openen Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. 2 Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten.
— (Handelingen 15:1-2)
Aanhalingsteken sluiten

De kwestie was dus het al dan niet besnijden van bekeerlingen, zoals het bij Joden gebruikelijk was. Deze vraag kon oprijzen omdat het christendom als een joodse sekte bezien werd en de meeste gelovigen van Joodse afkomst waren.

Het concilie[bewerken]

Volgens Handelingen 11 was Petrus aanvankelijk van oordeel dat hij als Jood zich niet met heidenen (niet-Joden) kon inlaten. In Joppe kreeg Petrus echter een visioen waarin God hem gebood dat anders te zien: wat God rein verklaard heeft, mag Petrus niet voor onrein houden.

Toen het tijdens het concilie in Jeruzalem tot een hevige woordenstrijd kwam, nam Petrus het woord. Hij beargumenteerde dat door de genade van Jezus iedereen gered kon worden, en dat het niet nodig is om op de schouders van de nieuwe christenen een juk te leggen dat zijzelf als Joden al niet konden dragen.

Daarna luisterde men naar Paulus en Barnabas, die vertelden welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen had verricht. Daarna nam Jacobus het woord en beargumenteerde, met een beroep op de profeten, dat de heidenen geen te grote last opgelegd moest worden. Wel moeten ze zich onthouden van

  • -alles wat door de afgodendienst bezoedeld is,
  • -van ontucht (hoererij),
  • -van vlees waar nog bloed in zit ("dat wat verstikt is") en
  • -van het bloed zelf.

Tenslotte besloot de vergadering, op gezag van Petrus en Jacobus, dat bekeerlingen al genoeg aan hun hoofd hadden en zich niet hoefden te besnijden en ook de meeste andere Joodse geboden niet hoefden aan te houden.

Brief naar Antiochië[bewerken]

De apostelen en oudsten in Jeruzalem, in overleg met de gemeente, stuurden enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas mee naar Antiochië. Ze kregen een brief mee met de volgende inhoud, die de besluiten van het concilie weerspiegelde:

Aanhalingsteken openen

Van de apostelen en de oudsten. Aan hun broeders en zusters in Antiochië, Syrië en Cilicië die uit de heidense volken afkomstig zijn: gegroet!

Wij hebben vernomen dat enkele van ons u een bezoek hadden gebracht — zonder dat wij hun dat hadden opgedragen — en dat hun uitspraken aanleiding zijn geweest tot verwarring en verontrusting. Daarom hebben we eensgezind besloten enkele broeders naar u toe te zenden in het gezelschap van onze geliefde Barnabas en Paulus, mensen die hun leven op het spel hebben gezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. We hebben Judas en Silas afgevaardigd, en zij zullen de inhoud van deze brief mondeling toelichten. In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht. Als u zich hier aan houdt, doet u wat juist is. Het ga u goed.
— (Handelingen 15:23-30)
Aanhalingsteken sluiten

Reactie van de vroege gemeentes en gevolgen[bewerken]

“Toen de brief was voorgelezen, verheugde de gemeente zich over de bemoedigende inhoud.” (Handelingen 15:31) Het probleem van de besnijding dook later echter opnieuw op. De besluiten van dit apostelconvent zijn van grote invloed geweest voor de ontwikkeling van de christelijke kerk. Tevens werd hier een definitieve breuk met het traditionele jodendom gemarkeerd. Als gevolg van het concilie verdween de Joodse traditie, die nog steeds het dagelijkse leven van gelovige joden regelt, grotendeels uit het christendom.

Voorganger:
n.v.t.
Concilie van Jeruzalem
49
Opvolger:
Concilie van Arles