Sola scriptura

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Sola scriptura (betekenis: alleen door de Schrift, de Bijbel) is één van de Vijf sola's die een samenvattend uitgangspunt vormt van het protestantisme tijdens de Reformatie, maar ook heden ten dage nog steeds de belangrijkste uitgangspunten vormen voor het protestantisme.

Tegenover de rooms-katholieke Kerk benadrukten de reformatoren het gezag en de autoriteit van de Bijbel. Volgens de reformanten was Alleen de Bijbel het Woord van God en is deze toegankelijk voor iedereen. (Dat wil zeggen; iedereen kan de Bijbel lezen en interpreteren, waar ze over het behoud van de zondaar spreekt). Deze doctrine is in tegenstelling met de leer van de Rooms Katholieke Kerk dat de Bijbel alleen goed geïnterpreteerd kan worden door de Heilige Apostolische Traditie van het Magisterium (dat wil zeggen; de Bijbel kan alleen goed geïnterpreteerd worden door de Paus en de Bisschoppen tijdens kerkelijk overleg). Deze doctrine wordt ook wel de formele oorzaak van de Reformatie genoemd, omdat het de onderliggende reden was voor de onenigheid over sola fide.

Tijdens de Reformatie zei Luther dat hij noch de Paus noch de Raad zou geloven, aangezien zij zich vaak hadden vergist en elkaar dikwijls tegengespraken. Ik geloof enkel in de Bijbelse teksten die ik heb aangehaald, en mijn geweten wordt gebonden door het Woord van God. De rooms-katholieke Kerk heeft naast de Bijbel als het "Geschreven Woord van God" nog de kerkelijke overlevering, de Traditie als gezaghebbende instantie voor leer en leven.

Belangrijke Bijbelse passages[bewerken]

De volgende teksten zijn ontleend aan de Statenvertaling (Jongbloed-editie).

  • Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. (Psalm 84:12)
  • Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. (Psalm 119:18)
  • Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt. (Psalm 138:2)
  • En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn. (2 Kronieken 20:20)
  • Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt! (Matteüs 7:22-23)
  • Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt; En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. (2 Timotheüs 3:14-17)
  • En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven. (Lucas 5:20)
  • Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar. De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit. En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. (Lukas 18:10-14)
  • Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. (Lukas 23:40-43)
  • Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Johannes 3:16)
  • Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God. (Johannes 3:18)
  • Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. (Johannes 5:24)
  • Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft. (Johannes 6:28-29)
  • En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. (Johannes 6:40)
  • Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. (Johannes 6:47)

Externe link[bewerken]