Brief van Judas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Judas
Judas Taddeüs
Judas Taddeüs
Auteur Judas
Tijd tussen ca. 50 en 120
Taal Grieks
Categorie katholieke brief
Hoofdstukken 1
Vorige boek III Johannes
(bij Luther Jakobus)
Volgende boek Openbaring

De brief van Judas (vaak kortweg Judas genoemd) behoort tot de algemene zendbrieven in het Nieuwe Testament van de Bijbel. De brief is geschreven in het Koinè-Grieks en is niet gericht aan een specifieke persoon of kerk. De stijl van de brief is kort en krachtig; er wordt op dringende wijze een beroep gedaan op de lezers.

Inhoud[bewerken]

De brief is geadresseerd aan de christenen in het algemeen. Het hoofdthema van de brief vinden we in de verzen 20-23: een oproep om vast te houden aan het geloof zoals de apostelen dat doorgegeven hebben. De dwaalleraars in de gemeente die er een andere leer op nahouden, namelijk dat Gods genade zo groot is dat zij de redding van Jezus niet nodig hebben, zullen veroordeeld en gestraft worden. De auteur onderbouwt dit in vers 5-19 met verwijzingen naar onder andere Bileam, Sodom en Gomorra en een aantal gebeurtenissen uit buitenbijbelse Joodse geschriften, zoals het Eerste boek van Henoch .

Overeenkomst met 2 Petrus[bewerken]

In Judas 3-18 komen enkele verzen sterk overeen met 2 Petrus 1:5 en 2:1-18. Dit suggereert dat een van beide schrijvers kennis heeft gehad van het werk van de ander. Doordat deze brief korter is nemen de meeste theologen aan dat Judas de bron is waar de schrijver van 2 Petrus gebruik van maakte. Een tegenargument is dat 2 Petrus de komst van dwaalleraars aankondigt, terwijl Judas de vervulling van deze aankondiging meldt. Judas haalt 2 Petrus 3:3 letterlijk aan en zegt dat het de woorden van de apostelen zijn.

Auteurschap en canoniciteit[bewerken]

De schrijver duidt zichzelf aan als "Judas, dienaar van Jezus Christus en broer van Jakobus".[1] In de evangeliën worden Jakobus en Judas genoemd als broers van Jezus.[2] Het is dan ook waarschijnlijk dat met Judas in deze brief een broer van Jezus bedoeld is.[3] De "bescheidenheid" dat hij zich dienaar van Jezus noemt en niet broer, heeft het vermoeden gevoed dat de brief een pseudepigraaf is.[4]
De inleiding op de tekst in de Nieuwe Bijbelvertaling zegt hierover:

Aanhalingsteken openen

Over de authenticiteit van de brief bestaan verschillende opinies. Sommigen menen dat de brief inderdaad geschreven is door Judas, de broer van Jezus. Volgens hen is de brief tussen ongeveer 50 en 60 n.Chr. ontstaan. Anderen betogen echter dat de in de brief beschreven situatie op een latere ontstaanstijd wijst, namelijk het eind van de eerste of het begin van de tweede eeuw. In dat geval is het niet waarschijnlijk dat de brief van de hand van Jezus’ broer is, maar zou hij zijn van iemand die met de naam van Judas zijn betoog gezag wilde verlenen. Waar de brief is geschreven is niet bekend.[5]

Aanhalingsteken sluiten

De inhoud van de brief kan moeilijk worden gerijmd met de 'Galileeër' Judas en wel om de volgende redenen:

  • De nadruk op het "eens voor altijd overgeleverde geloof" (v. 3), de verwijzing naar door de apostelen vroeger gezegde woorden (v. 17) naast de Joodse overlevering (v. 14, 15).
  • De manier waarop tegen "dwaalleraren" wordt gesproken, doet vermoeden dat de brief ná de apostelen is geschreven.
  • De auteur schrijft goed Koinè[6] en is bekend met de Septuaginta en Joods-hellenistische werken.[7]

Per hoofdstroming heerst over de persoon van Judas de volgende opvatting:

  • Een aantal protestantse theologen nam/neemt aan dat Judas de (half)broer van Jezus was;
  • De Rooms-katholieke Kerk gelooft, zoals voor het eerst verwoord door Sint Hiëronymus, dat Judas een neef van Jezus was, een zoon van Clopas, de broer van Jozef of van Maria;
  • De Orthodoxe Kerk ziet de schrijver als een halfbroer van Jezus uit een vorig huwelijk;
  • Een lokale traditie in Oost-Syrië identificeert Judas met de apostel Tomas, hen bekend als Judas Tomas, een broer van Jezus.

Plaats en tijd van ontstaan[bewerken]

Hoewel de aard van de toespelingen op het Oude Testament, citaten uit niet-canonieke boeken als het Eerste boek van Henoch en het gebruik van de autoriteit van Judas, een schrijver met een Joods-christelijke achtergrond doen vermoeden, kan een zeer ruim gebied in aanmerking komen als plaats waarin de brief geschreven is.[8] Syrië wordt veel genoemd[9], maar ook Klein-Azië in het algemeen komt voor.[10] Er zijn geen argumenten om definitief te zeggen waar de brief geschreven is.

De datering van het werk hangt uiteraard af van wie als auteur wordt beschouwd. Als het inderdaad een broer van Jezus was (of een andere Judas in zijn naaste omgeving), wordt aan een jaartal als 70 gedacht of iets later. Als men de hypothese accepteert dat het werk onder een pseudoniem is geschreven, wordt een datering tussen 80 en 100 gehanteerd. Latere datering wordt nog weinig voorgesteld.[11]

Canon[bewerken]

De oudste referentie zekerheid is die in de Canon Muratori uit het laatste kwart van de tweede eeuw.[12] In de periode hiervoor zijn wel documenten die mogelijk uit deze brief citeren, doch deze citaten zijn niet met zekerheid vast te stellen.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Judas 1
  2. Marcus 6:3 en Matteüs 13:55, 56
  3. Zie R.Pesch (1976): Das Marcusevangelium I, Freiburg, blz. 322-324 over het al dan niet letterlijk vertalen van ἀδελφὸς (adelphos).
  4. Reeds bij Knopf; A. Jülicher (1913): Einleitung in das Neue Testament, Tübingen, blz. 200. Katholieke exegeten zijn geneigd dit te volgen (Wikenhauser-Schmid, 584) of plaatsen deze naast een erkenning als authentiek (Cantinat; Michl 2e ed.). Ook niet-katholieke auteurs blijven aarzelend of genuanceerd, zoals Reymond: "De pseudonimie is de meest voor de hand liggende oplossing, maar de leerling-hypothese mag niet worden uitgesloten" (1980: La deuxième épître de saint Pierre. L'épître de saint Jude, Neuchâtel, blz. 148)
  5. Inleiding op de Brief van Judas in de Nieuwe Bijbelvertaling
  6. Zie N. Turner (1976): A Grammar of New Testament Greek by J.H. Moulton, vol. IV, Style, Edinburgh, blz. 139, 140, 144
  7. Zoals blijkt uit de thema's die hij hieruit ontleende en invoegde in Judas 9, 14, 15
  8. Zie een opsomming in Reymond (1980): La deuxième épître de saint Pierre. L'épître de saint Jude, Neuchâtel, blz. 152, 153
  9. Door Knopf, Schelkle en Kelly
  10. Zie bijvoorbeeld Grundmann, Reymond.
  11. De laatste datering is die van Lohse in (1975): Die Entstehung des Neuen Testaments, Stuttgart, blz. 135: begin 2e eeuw.
  12. "Epistola sane Judæ et superscriptæ Joannis duae in catholica [scil. Ecclesia] habentur."