Plinius de Jongere

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Plinius de Jongere

Gaius Plinius Caecilius Secundus (bijgenaamd minor, d.i. de Jongere, Como 62 - circa 113) was een Romeins letterkundige en politicus. Hij was de neef en (na de dood van zijn vader) ook adoptiefzoon van Plinius de Oudere.

Leven[bewerken]

Plinius werd geboren in 62 na Chr. te Como in Noord-Italië, en ontving zijn opleiding te Rome, waar hij les kreeg van de pedagoog Quintilianus. Hij verwierf zich een naam als advocaat en staatsman, en bekroonde zijn ambtelijke loopbaan in 100 met het consulaat. Plinius was bevriend met keizer Trajanus. Hij werd in 112 n. Chr. stadhouder van Bithynia, toen de toestand er uit de hand dreigde te lopen en de financiële en politieke toestand dringende sanering behoefden. Trajanus verleende Plinius daarvoor consulaire bevoegdheden. Plinius overleed rond 113 na Chr.

Werk[bewerken]

Van Plinius is een dankrede (Panegyricus) bewaard gebleven, gericht tot keizer Trajanus, als dank voor het verlenen van het consulaat. Naar de mode van zijn tijd, is het werk geschreven in een gezwollen stijl, vol gevlei, eigen aan het genre. Plinius zet de regering van Trajanus af tegen die van Domitianus.

Zijn beroemdheid als schrijver dankt Plinius de Jongere echter vooral aan zijn verzameling brieven. In 103 publiceerde Plinius drie delen van deze correspondentie, en later de overige boeken. De eerste negen boeken bevatten de correspondentie met zijn brede kring van kennissen en relaties; het tiende boek bevat zijn correspondentie met keizer Trajanus. Deze brieven geven bijzonder waardevolle inlichtingen over eigentijdse gebeurtenissen en over het gezelschapsleven in die dagen. In de twee vermaardste brieven beschrijft hij aan de geschiedschrijver Tacitus de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., die hij als zeventienjarige heeft meegemaakt, en waarbij zijn oom Plinius de Oudere het leven verloor[1]. Plinius treedt ons uit zijn brieven tegemoet als een ontwikkeld en humaan persoon, die ondanks enige oppervlakkigheid en ijdelheid, een sympathieke figuur blijft, en die zich uitstekend thuis voelt in zijn tijd. Daardoor toont hij ons de keerzijde van het sombere en pessimistische tijdsbeeld geschetst door zijn tijdgenoot Juvenalis.

Christenen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Christenbestraffing rond 112 na Chr. voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Plinius is een van de eerste[2] Latijnse schrijvers die melding maken van ‘Christiani’ (= christenen). In 112 na Chr. schrijft hij zijn keizer Trajanus een lange brief, met de vraag of hij de vervolging en bestraffing van de christenen wel op de juiste wijze aanpakt. Hij snijdt het dilemma als volgt aan: "Ik ben nooit aanwezig geweest bij een feitenonderzoek betreffende christenen, en weet daarom niet, wat en tot hoe ver er gestraft, of onderzocht, behoort te worden."

Externe links[bewerken]

Primair:
Secundair:
Bronnen, noten en/of referenties
  1. De Latijnse tekst en een Nederlandse vertaling zijn te vinden op Wikisource. Tacitus heeft deze informatie gebruikt in zijn Historiae, maar dat deel van zijn werk is verloren gegaan.
  2. Zijn tijdgenoot Tacitus vermeldt in zijn Annalen (XV, 44) ook de Christenen.
Wikisource NL Meer bronnen die bij deze auteur horen, kan men vinden op de pagina Plinius de Jongere op de Nederlandstalige Wikisource.