Hel (mythologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
'De verdoemden gaan naar de hel' van Luca Signorelli
'De duivel martelt de verdoemden terwijl ook hij gemarteld wordt in de hel' uit de 'Très Riches Heures du Duc de Berry' van de gebroeders Van Limburg
Kaart van de Hel door Botticelli voor Dante Alighieri's De goddelijke komedie
Het Laatste Oordeel (detail), door Jheronimus Bosch.

De hel is een religieus concept en duidt een plek of bestaanssfeer aan waar men na de dood heen kan gaan en welke gekarakteriseerd wordt door een hoge mate aan fysieke en mentale pijn en lijden. In bijna alle religies is er sprake van de aanwezigheid van een of meerdere hellen. Het begrip hel komen we veel tegen binnen het christendom en de islam. Na te zijn gestorven, zouden de zielen naar het hiernamaals gaan. Conform de vroomheid, eerlijkheid, kuisheid en/of andere zaken wordt er door een hogere macht beslist of een ziel naar de hemel mag of dat deze naar de hel moet. De hel is in die zin het tegenovergestelde van de hemel, namelijk een verblijf in afwezigheid van God.

Woordafleiding[bewerken]

Het woord hel komt van het Oergermaanse woord *haljæ wat dodenrijk of onderwereld betekende.

De godin Hel was in de Noordse mythologie de koningin van de onderwereld (Helheim en Niflhel), zij had haar burcht in het diepste punt van de wereld. Dit punt heette, net als de burcht, Niflhel (Nevelhel) en dit was de plek waar alle doden naartoe gingen, ongeacht of zij goed of slecht geleefd hadden.

Garmr (een helhond) bewaakt de poort van het voorportaal Gnipahellir.

Voor de leefwijze in Niflhel hing het er wel vanaf hoe men geleefd had. Voor de zondigen was het er een straf. Naast Hels rijk was er nog een ander dodenrijk, het Walhalla. Zij die dapper gevochten hadden op het strijdveld en waren gesneuveld werden door de Valkyrja's (ofwel Walkuren) in Freya's en Odins naam uitgekozen om naar het Walhalla te gaan.

Hel in het jodendom[bewerken]

"Hel", Gehenna, 2007

Binnen het jodendom spreekt men - in bijbelse tijd - over de onderwereld, het dodenrijk in algemene zin, de sheool. De overledenen leiden daar een schimmig bestaan, in afwachting van het oordeel. Pas in het jodendom van na de ballingschap komt er een tweede begrip op dat verwijst naar een plaats waar doden verblijven, gehinnom (Hebreeuws: גהנום). De naam is afgeleid van de Gehennavallei die de Oude Stad van Jeruzalem, tezamen met een andere vallei, omringt. Waar de sheool een wachtplaats is waar allen verblijven in afwachting van de Olam Haba, is gehinnom een veel negatievere plaats, die nochtans niet met de christelijke voorstelling van de hel kan worden gelijkgesteld, omdat de duivel in de wereld van het jodendom niet die rol speelt als in het christendom.[1]

Hel in het christendom[bewerken]

Rooms-katholieken geloven dat de meeste zielen voor hun intrede in de hemel eerst nog tijdelijk gelouterd moeten worden in het vagevuur. Alle christenen die het Credo (de geloofsbelijdenis) belijden geloven dat de hel een plaats is waar de zielen van de verdoemden heen gaan. Deze zielen ondergaan geen loutering in het vagevuur om daarna het eeuwig leven te kunnen binnengaan, maar zijn voor eeuwig verloren. 'De hel zit vol zielen die geen geloof hebben gehecht aan het bestaan van de hel'. Voor rooms-katholieke en andere christenen is de hel een werkelijkheid die zich in het hier en nu kan manifesteren door de invloed van duivelse geesten en de satan. Zij is een werkelijkheid die bestaat naast de werkelijkheid van het leven van de mensen in de wereld en het leven van de zielen in de hemel en het vagevuur.
De rooms-katholieken geloven dat zij met hun gebed en geestelijke offers de zielen in het vagevuur vertroosting kunnen geven en een spoediger verlossing uit het vagevuur, terwijl de zielen in de hel niet meer gebaat zijn bij gebed of goede werken ter hunne verlossing gedaan, maar werkelijk reddeloos verloren zijn. Binnen de rooms-katholieke Kerk zijn middels vele privé-openbaringen heilsmiddelen gegeven aan de mensen om zich voor een eeuwige verdoemenis te bewaren. Zo is er het gebed van de drie weesgegroeten per dag in combinatie met het dragen van het scapulier. Of het rozenkransje van Barmhartigheid geopenbaard door de heilig verklaarde zuster Faustina Kowalska (Polen) waaraan de belofte verbonden is dat wanneer iemand dat gebed slechts één maal in zijn leven heeft gebeden, hij niet verloren zal gaan. Wat overigens niets zegt over de duur van het verblijf in het vagevuur. In de Bijbel is op meerdere plaatsen sprake van het bestaan van de hel, voornamelijk in het Nieuwe Testament.

In het Oude Testament wordt enkele malen gerefereerd aan een plaats waar de doden heengaan: de sheol. Deze conceptie van het hiernamaals maakt geen onderscheid tussen goede en slechte mensen. Het bestaan in de sheol is een bestaan van negaties, vergelijkbaar met dat van de Griekse schimmenwereld. Enkel in het boek Daniël wordt gesuggereerd dat er op het einde der tijden een oordeel geveld zal worden.[2]

In het Nieuwe Testament verwijst Jezus uitdrukkelijk naar een plaats van eeuwige bestraffing en lijden (onder meer in Matteüs en Lucas). De hel wordt hier geconcipieerd als eeuwig. De hel wordt derhalve ook wel "eeuwige straf" of "eeuwige verderfenis" genoemd. Uit de hel is volgens de christelijke leer geen bevrijding mogelijk.

Het christelijk concept van een bestaan na de lichamelijke dood als ziel is gedeeltelijk overgenomen uit onder meer de Egyptische en de Griekse mythologie (zie ook Plato en Pythagoras) en vermengd met mazdeïstische elementen. De christelijke leer beweert dat 'God een God van levenden is en niet van doden'. Wat wil zeggen dat de dood niet meer bestaat daar Christus haar heeft overwonnen door zijn Opstanding. De leer van de christenen dat de ziel onsterfelijk is en na de wederkomst van Christus met een verheerlijkt lichaam tot nieuw leven zal opstaan, verenigt lichaam en ziel opnieuw met elkaar. Sommigen zoals jehova's getuigen en zevendedagsadventisten, geloven in een tijdelijke rusttoestand van de dood tot de opstanding. In het Nieuwe Testament speelt de hel wel een rol als plaats waar na het eindoordeel op de Dag des oordeels, de goddelozen naartoe worden gezonden, terwijl de rechtvaardigen een nieuwe hemel (heelal) en een nieuwe aarde beërven (Openbaring 21:1-8)[3] waar voor de dood en het lijden geen plaats meer is.

Teksten uit het Oude Testament

  • In de Septuagint wordt de Tartaros genoemd in Job 40:20 (MT 40:15), 41:24 (MT 41:23) Spr 30:16 (MT 24:51).

Teksten uit het Nieuwe Testament:

Hel in de islam[bewerken]

De islam gebruikt namen die zijn afgeleid van de Gehennavallei nabij de Oude Stad van Jeruzalem. In het Arabisch al-nar (het vuur) of jahannam (جهنم). De hel is in de islam de bestraffingsplaats voor de menselijke ziel na de dood. Mensen kunnen na de dood, afhankelijk van hun aardse daden en geloof, naar de hel of naar het paradijs gaan. De hel is volgens de islam bestemd voor drie soorten mensen;

  • Kafirs (diegenen die één of meerdere geloofsbeginselen van de islam ontkennen)
  • Sjirks (diegenen die niet in de eenheid van God geloven)
  • Moenafieks (diegenen die zich voordoen als gelovigen in de islam maar in werkelijkheid niet geloven)

Deze groep mensen gaan uiteindelijk naar de hel die weer uit zeven graden of lagen bestaat. De hel is in de islam een plaats voor eeuwige vernedering en bestraffing voor ongelovigen. Volgens de islam gaan zondige moslims ook tijdelijk naar de hel. De zielen van deze zondige moslims worden daar zogenaamd "gereinigd" voordat ze de heilige bestemming, het paradijs, mogen betreden. Aangezien Gods aanwezigheid aldaar is, is het niet mogelijk om daar te komen als zondaar. Hoelang zij daar zullen verblijven is afhankelijk van de mate, soort van de zonde en van Gods genade.
Er bestaan overigens bij de islamitische stromingen wel wat afwijkingen op details over het bovengenoemde. De Koran noemt de hel ook wel met verschillende benoemingen zoals "vuur", "niet terugkeerbare val uit een afgrond", "ongelooflijke vuur en vlam" en "vuur zonder rook". Ook geeft de Koran in sommige aya de toestand van mensen die (al) in de hel zijn. Volgens de Koran zal God de moeshrieks voor eeuwig in de hel houden en zullen zondige, maar wel gelovige mensen, na de tijdelijke "zielenreiniging" in de hel, naar het paradijs gaan. Volgens de islam zullen de moeshrieks (diegenen die deelgenoten toekennen aan God) in de "laatste" (lees; ergste) hel komen. De heer en bewaker van de hel is volgens de islam, de engel Maalik (مالك). Daarentegen is de heer en bewaker van het paradijs, de engel Ridwan (رضوان).

Boeddhisme[bewerken]

De boeddhistische hel in het Chinees schimmenspel, het doorboren van de buik

Het boeddhisme maakt onderscheid tussen veel verschillende hellen, die variëren in de intensiteit en frequentie van de ervaren pijn. Er is in het boeddhisme geen sprake van een hogere macht die beslist of iemand naar een hel gaat of niet; alleen iemands eigen karma is hiervoor verantwoordelijk. Een leven in een hel is slechts tijdelijk; wanneer dat leven beëindigd is (doodgaan), kan men weer als een mens, als een dier, als een geest of in een hemel wedergeboren worden. (zie ook: Boeddhistische kosmos).

Volgens de boeddhistische leer bestaat er geen permanente, onveranderlijke ziel, en deze kan daarom ook niet in een hel wedergeboren worden. Wat volgens de boeddhistische theorie plaats vindt is dat het bewustzijn, na de dood, een nieuw leven 'oppakt' in een hel als gevolg van de slechte acties (slecht karma) die in het verleden gedaan zijn. Ook de huidige staat van geest is van invloed. Veel verhalen over de boeddhistische hel zijn te vinden in het literaire genre van de delok.

Galerij[bewerken]

Externe link[bewerken]

Noten