Jheronimus Bosch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jheronimus Bosch
Jacques Le Boucq (naar een onbekende meester). Portret van Jheronimus Bosch. Ca. 1550.
Jacques Le Boucq (naar een onbekende meester). Portret van Jheronimus Bosch. Ca. 1550.
Persoonsgegevens
Volledige naam Jheronimus Anthonissoen van Aken
Bijnaam Den Duvelmakere
Geboren circa 1450
Overleden augustus 1516
Geboorteland Hertogdom Brabant
Tegenwoordig
Flag of the Netherlands.svg Nederland
Beroep(en) kunstschilder
Website
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Jheronimus Bosch ('s-Hertogenbosch, circa 1450 – aldaar begraven, 9 augustus 1516), postuum ook Jeroen of Hiëronymus Bosch genoemd, eigenlijk Jheronimus van Aken, was een Zuid-Nederlands kunstschilder behorend tot de Noordelijke renaissance. Hij ging de geschiedenis in als ‘den duvelmakere’ (de schepper van duivels) en als schilder van satirische voorstellingen, maar hij is vooral van betekenis als vernieuwer van de bestaande beeldtraditie. Hij gaf op vindingrijke wijze invulling aan bestaande motieven en bedacht een reeks van nieuwe composities. Het gevolg hiervan is dat de precieze betekenis van een deel van zijn werk vandaag de dag onbekend is. Hoewel hij al tijdens zijn leven een beroemd schilder was, en hij zelfs opdrachten van het hertogelijk hof in Brussel kreeg, is er vrij weinig over hem bekend.

Leven[bewerken]

Hij was de derde zoon van de schilder Anthonis van Aken. Volgens Karel van Mander werd hij in 's-Hertogenbosch geboren. Zijn geboorte is echter niet gedocumenteerd. Mogelijk werd hij geboren in het huis van zijn grootvader, Jan van Aken, aan de Vughterstraat. De familie Van Aken was destijds een toonaangevende, Bossche schildersfamilie. Vrijwel alle familieleden van Jheronimus, of Joen zoals zijn roepnaam luidde, waren schilder, inclusief zijn oudere broer, Goessen. Hij groeide op in het huis dat zijn vader in 1462 aan de oostzijde van de Markt kocht en dat hij volgens de archivaris Jan Mosmans ‘In Sint Thoenis’ noemde. Een plaquette aan de buitenmuur van dit pand herinnert hieraan. Over zijn jeugd is verder niets bekend. In 1463 woedde er een grote brand in 's-Hertogenbosch, die Bosch als kind mogelijk heeft aanschouwd. Bij deze brand gingen 4000 huizen in vlammen op. In het latere werk van Bosch komen vaak stadsbranden voor.

 
 
Thomas van Aken
ca. 1355-1404/1411
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Thomas van Aken
† voor 1411
 
Jan van Aken
ca. 1380-1454
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Thomas van Aken
ca. 1407-1462
 
Jan van Aken
ca. 1413-1471 (?)
 
Goessen van Aken
ca. 1418-1467
 
Anthonis van Aken
ca. 1420-1478
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Goessen van Aken
ca. 1440-ca. 1497
 
Jheronimus van Aken
alias Bosch
ca. 1450-1516
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jan van Aken
ca. 1470-1537
 
Anthonis van Aken
ca. 1478-1516
 
 

Opleiding[bewerken]

Aangenomen wordt dat Jheronimus Bosch opgeleid werd in het atelier van zijn vader in 's-Hertogenbosch. Toen Bosch opgroeide was er in 's-Hertogenbosch sprake van een bescheiden en niet erg vernieuwingsgezinde, lokale kunsttraditie. In een enkel geval is de Bossche invloed ook daadwerkelijk merkbaar in zijn werk. Zo is zijn Calvarie met schenker gebaseerd op een fresco uit 1444 in de Sint-Jan, dat in verband wordt gebracht met zijn grootvader, Jan van Aken.[1] Er zijn aanwijzingen dat Bosch daarna een vervolgopleiding volgde al dan niet buiten 's-Hertogenbosch. Op 26 juli 1474 leent Bosch samen met zijn vader een vrij groot bedrag zonder daar een directe aanleiding voor te hebben, zoals trouwplannen of een verhuizing. Ook ontbreekt zijn naam na die datum zo’n 6 à 7 jaar in de Bossche archieven.[2]

Familieatelier Van Aken[bewerken]

Anoniem. De lakenmarkt te ’s-Hertogenbosch, het huis Inden Salvatoer, waar Bosch woonde, is het zevende huis van rechts. Ca. 1530. ’s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum.

In het boekjaar 1480-1481 wordt Bosch in een rekening ‘Jeroen die maelre’ genoemd, dus was hij uiterlijk op dat moment zijn carrière begonnen. Twee jaar daarvoor, in 1478, overleed zijn vader. Waarschijnlijk zetten Jheronimus en zijn broer Goessen het familieatelier voort. Dit atelier was gevestigd in ‘In Sint Thoenis’, dat tot 1523 in het bezit van de familie Van Aken was. Eén van de eerste werkstukken van de gebroeders Van Aken is mogelijk een verloren gegaan retabel voor het hoofdaltaar van de toenmalige Sint-Janskerk met als onderwerp de Schepping van de Wereld.

Op 30 juni 1481 beloofde Goessen, dat hij tussen die datum en aanstaande Bamis (1 oktober) twee vleugels voor het hoogaltaar van de Sint-Janskerk zou beschilderen. Veel later, in 1610, wordt dit altaarstuk in Jean-Baptiste Gramayes Taxandia omschreven als ‘opus creationis hexameron mundi’ (het werk van de schepping van de wereld in zes dagen). Bovendien wordt het daar niet als werk van Goessen van Aken genoemd, maar als dat van Jheronimus Bosch.[3] Deze Schepping van de Wereld wordt tegenwoordig in verband gebracht met de Tuin der Lusten, dat aan de buitenzijde hetzelfde onderwerp bevat. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat Bosch de hem zo kenmerkende manier van schilderen al vrij vroeg ontwikkelde binnen de context van een familieatelier.

Op 15 juni 1481 blijkt Bosch getrouwd te zijn met Aleid van de Meervenne (ca. 1447-1522/1523), een telg uit een welgestelde koopmansfamilie. Met dit huwelijk trouwde Bosch boven zijn stand, zowel in financieel opzicht – zijn vrouw bezat bijvoorbeeld een huis en wat landerijen – als in intellectueel opzicht – zo had Aleid een zwager die in Keulen gestudeerd had. Dit betekende echter niet dat Bosch nu een rijk man was. In het begin van hun huwelijk moest zijn vrouw zelfs een deel van haar landerijen verkopen om rond te komen. Pas in 1487 ging het zo goed, dat Bosch in staat was om zelf geld uit te lenen.[4] Rijk zou hij trouwens ook nooit worden, want na zijn dood liet hij – voor zover bekend – niet veel na.[5]

Via zijn huwelijk kwam hij in het bezit van het huis Inden Salvatoer, aan de noordzijde van de Markt. Waarschijnlijk stichtte Bosch hier een nieuw atelier. Het bood in ieder geval de ideale omstandigheden voor een schilder: de levendigheid van de markt aan de zuidzijde en stilte en het juiste licht om in te werken aan de noordzijde. Bovendien deed Bosch op 3 januari 1481 afstand van zijn deel van het ouderlijk huis ten gunste van zijn broer Goessen, nadat zijn broer Jan en zus Herbertke hetzelfde hadden gedaan.[6] Hoe Bosch’ atelier precies georganiseerd was, is niet duidelijk. Volgens een van de eerste biografen van Bosch, Felipe de Guevara, had hij een leerling die bijna even getalenteerd was als zijn meester en aan wie hij de Zeven Hoofdzonden toeschreef. Mogelijk was deze leerling identiek aan de Brusselse schilder Gielis Panhedel, die omstreeks 1522 in de stijl van Bosch twee zijvleugels van het Mariaretabel van de Lieve Vrouwe-Broederschap in de Sint Jan schilderde. Dat Bosch leerlingen c.q. assistenten had, is vrijwel zeker. In 1503-1504 wordt melding gemaakt van meerdere ‘Jheronimus knechten’.[7]

‘Meester Jheronimus’[bewerken]

Bosch’ eigenlijke familienaam was dus Van Aken. Vanaf omstreeks 1490 signeerde hij zijn werk echter met ‘Jheronimus Bosch’. In 1504 wordt hij voor het eerst onder die naam vermeld in de hertogelijke boekhouding, namelijk als ‘Jeronimus Van aeken dit bosch paintre dem[eurant] au bois le duc’ (Jheronimus van Aken, genaamd Bosch, schilder, wonend te 's-Hertogenbosch).[8] en in 1510 in 's-Hertogenbosch als ‘Jheronimus van Aken [...] die hem selver scrift Jheronimus Bosch’. Het aannemen van de artiestennaam Bosch is een aanwijzing dat hij op dat moment buiten 's-Hertogenbosch bekend was, maar het zou er ook op kunnen wijzen dat hij enige tijd in een vreemde stad heeft gewoond. Opvallend is dat Bosch pas na zijn dood – in 1545-1546 om precies te zijn – als meester vermeld wordt, terwijl zijn veel onbekendere broer in 1493 wel zo genoemd wordt.[9]

Illustre Lieve Vrouwe Broederschap[bewerken]

In 1486-1487 trad hij toe tot de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, een voornaam religieus broederschap in 's-Hertogenbosch. In 1488 werd hij benoemd tot gezworen broeder van deze broederschap, wat betekent dat hij opgenomen was in de geestelijke stand – zij het in de laagste rang.[10] Via de broederschap verwierf Bosch een aantal opdrachten, zoals de ‘deuren van der tafelen staende opt Onser liever Vrouwen autair' (luiken van het retabel staande op het Onze-Lieve-Vrouwe-altaar), die tegenwoordig in verband worden gebracht met de werken Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. Op het rechterpaneel zou hij zich, prominent boven zijn handtekening, als koorduivel hebben afgebeeld, een demon die alle zonden van de mens noteert en ze op de Dag des oordeels tegen hem zal gebruiken. Bewijs hiervoor ontbreekt, maar het is zeer van toepassing op Bosch, die veel misstanden die hij om zich heen zag, opnam in zijn werk. In 1493 of 1494 ontwierp hij een glas-in-loodraam voor de kapel van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in de Sint-Jan, dat door de glazenier Willem Lombart werd uitgevoerd.[7]

Jheronimus Bosch. Laatste Oordeel, buitenzijde. 1476-1516. Wenen, Academie van Beeldende Kunsten Wenen.

‘Seer vermaerd schilder’[bewerken]

Vlak voor 1504 ontving hij van Filips de Schone de opdracht een altaarstuk te schilderen met als onderwerp ‘le Jugement de dieu’ (het Laatste Oordeel). Het gaat hier om een 248 bij 303 cm groot drieluik met als voorstelling de Dag des oordeels. De hertog betaalde Bosch een voorschot van 36 pond, maar het is niet bekend of het werk ook daadwerkelijk is opgeleverd. Het is niet onmogelijk dat het Laatste Oordeel-drieluik in Wenen een verkleinde kopie van dit werk is, al is het maar vanwege de heiligen Jakobus de Meerdere en Bavo, de patroonheiligen van Castilië en de Nederlanden, de belangrijkste erflanden van Filips de Schone, aan de buitenzijde. Dat Bosch een geliefde schilder was aan het Brusselse hof blijkt ook uit de vermelding in een inventaris uit 1516 van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk van een Verzoeking van de heilige Antonius, die zij mogelijk bij Bosch had besteld.[11] Verder sierde de Tuin der Lusten eens de Grote Zaal in het paleis van de graven van Nassau in Brussel en bezat de weduwe van een van deze graven, Mencía de Mendoza, een drieluik van een navolger van Bosch, dat lange tijd opgesteld stond in haar grafkapel in de Spaanse stad Valencia (zie Passie-drieluik).

Vermelding van Bosch in het wapenboek van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Ca. 1742.

Maar Bosch’ faam reikte tot ver buiten de grenzen van het hertogdom Brabant. In Venetië, bijvoorbeeld, bevond zich in de verzameling van kardinaal Domenico Grimani werk van Bosch.[12] Ook bevinden zich in die stad het Heremieten-drieluik en het Drieluik van de gekruisigde martelares. Vanwege deze concentratie van door Bosch geschilderde werken in Venetië en omdat de figuren op één van deze werken Italiaanse kleding dragen, hebben sommige auteurs gesuggereerd dat Bosch hier enige tijd heeft doorgebracht.

Bosch overleed in 1516. Op 9 augustus van dat jaar vond ter ere van hem een ‘exequie’ (uitvaartmis) plaats, gevierd door de deken van de Broederschap, Willem Hameker, een sub-diaken, verschillende priesters en zangers, die allen betaald werden door vrienden van Bosch. Het is niet bekend waaraan hij stierf, maar in 1515-1516 doet een lokale kroniekschrijver melding van een vrij ernstige uitbraak van pleuritis, waar ‘menich mens af storft’ (menig mens aan stierf).[5] In een wapenboek van genoemde broederschap wordt hij vermeld als ‘Hieronimus Aquens, alias Bosch, seer vermaerd schilder, obiit 1516’.[13]

Portretten[bewerken]

Van Jheronimus Bosch bestaan niet meer dan drie portretten, die allemaal na zijn dood tot stand kwamen. Men gaat er tegenwoordig van uit dat het portret afkomstig uit het Recueil d'Arras uit omstreeks 1550 en de in 1572 uitgegeven gravure van Hieronymus Cock teruggaan op een verloren gegaan portret of zelfportret.[14] Daarnaast bestaat er een ongedateerd olieverfpaneel dat Bosch op veertigjarige leeftijd voor zou stellen, maar ook hiervan ontbreekt een origineel. Het in 1929 gemaakte en in 1930 onthulde Standbeeld Jeroen Bosch van de beeldhouwer August Falise op de Markt in 's-Hertogenbosch is gebaseerd op het portret uit het Recueil d'Arras.

Het mysterie Bosch[bewerken]

Slechts een klein aantal werken kan met zekerheid aan Bosch toegeschreven worden. Daarnaast zijn er talloze werken waarvan de echtheid betwist wordt of waarvan men vermoedt dat het om een kopie naar een al dan niet verloren gegaan werk van Bosch gaat. Het hoofdthema van het grootste deel van deze schilderijen is bekend. Zo zijn de Kruisdraging, het Driekoningen-drieluik en het drieluik Zondvloed en hel ontleend aan de Bijbel, de Heilige Hiëronymus, de Heilige Christoforus en het Antonius-drieluik aan heiligenverhalen en hebben De dood van een vrek, Het narrenschip, De keisnijding en het Hooiwagen-drieluik een moralistische boodschap. Alleen over de betekenis van De tuin der lusten en het Drieluik van de gekruisigde martelares lopen de meningen nog steeds sterk uiteen. Maar het zijn vooral de afzonderlijke taferelen en figuren binnen deze voorstellingen, die zich moeilijk laten verklaren, bijvoorbeeld de demon rechtsonder op Johannes de Evangelist op Patmos of de mysterieuze ‘vierde koning’ op het Driekoningen-drieluik.

Anoniem (naar Jheronimus Bosch?). ‘Ieronimus bosch drollen’. Gravure. Rotterdam, Prentenkabinet van Museum Boijmans Van Beuningen.

Bij het interpreteren van het werk van Bosch doen zich de volgende problemen voor. De beeldtaal van Bosch is plaats- en tijdgebonden. Veel symbolen, toespelingen of teksten waar hij mogelijk naar verwijst zijn verloren gegaan of zijn slechts indirect te achterhalen. Bovendien komt de beeldtaal uit Bosch’ tijd op de 21e-eeuwse mens vaak over als vergezocht.[15]

De eerste Bosch-auteurs hadden hier al moeite mee. Zo werd hij door de schrijver Lodovico Guicciardini gereduceerd tot ‘inventore nobilissimo miravigliose di cose fantastiche bizzare’[16] en omschreef hij het werk van Bosch als bestaande uit ‘vreemde drollen ende seltsame grillen’ (vreemde grappen en bijzondere grillen).

Dit eenzijdige beeld van Bosch werd mede veroorzaakt door het grote aantal navolgers, imitators en kopiisten. Deze navolgers legden de nadruk op zijn monsters en demonen en zochten daarbij niet zelden de grenzen van het natuurlijke op. De eerste verzamelaar van het werk van Bosch, de Spaanse humanist Felipe de Guevara, beklaagde zich over de vele imitaties die hem werden aangeboden en die men in rookkanalen hing om ze er ouder uit te laten zien.

Begin 17e eeuw werd Bosch, vanwege zijn ‘duvelriën’, van ketterij beschuldigd. De bibliothecaris van het Escorial, José de Sigüenza, nam het echter voor Bosch op. Hij schreef in 1605 dat zijn schilderijen beschouwd moeten worden als ‘boeken van wijsheid en kunst, en als er “onwijze” zaken te zien zijn, dan is het ónze onwijsheid, niet de zijne’.[17]

In de 20e eeuw verschenen de eerste wetenschappelijke studies naar Bosch. De eerste Bosch-auteurs wisten zich echter weinig raad met de ingewikkelde en persoonlijke beeldtaal van Bosch; zo hield de Duitse kunsthistoricus Max Friedländer zich opvallend op de vlakte en schreef de eveneens Duitse kunsthistoricus Erwin Panofsky:

Aanhalingsteken openen This, too high for my wit, I prefer to omit[18]

(Dit gaat ver boven mijn pet en laat ik liever onverlet)
Aanhalingsteken sluiten

In de jaren ’30 werd onder invloed van de psychoanalyse gedacht dat Bosch krankzinnig was of dat hij op zijn minst geobsedeerd zou zijn door zonde en schuld. Ook vermoedde men in dit verband dat Bosch door middel van droombeelden via het onderbewustzijn van de toeschouwer een beroep probeerde te doen op zijn of haar moraal.

De Duitse kunsthistoricus Wilhelm Fränger publiceerde in 1947 de idee dat Bosch lid was van de Adamieten. In samenwerking met deze sekte, die aan naaktloperij, vrije liefde en polygamie deed, zou Bosch de Tuin der lusten geschilderd hebben, die volgens Fraenger dan ook beter de Tuin der liefde genoemd zou moeten worden. De Adamieten waren echter een eeuw voor Bosch actief in Brussel en de meest oppervlakkige analyse van de Tuin der lusten leert dat de schilder hier iedere vorm van vrije liefde juist op subtiele wijze afwijst. Het beeld van auteurs als Charles de Tolnay en Ludwig von Baldass, die Bosch neerzetten als religieuze moralist en satiricus, bleven echter gangbaar.[19]

De tegenpool van Fränger was de neerlandicus Dirk Bax, die de beeldtaal van Bosch in zijn proefschrift Ontcijfering van Jeroen Bosch uit 1949 verklaarde vanuit de literatuur, folklore en cultuurgeschiedenis van de Nederlanden. In zijn voetspoor traden de kunsthistorici Roger-Henri Marijnissen en Paul Vandenbroeck en de neerlandicus Eric de Bruyn.[19]

In de jaren zestig vroeg men zich af of hij als hij schilderde gedrogeerd geweest zou kunnen zijn. De ongebreidelde fantasie van Bosch doet de toeschouwer zich inderdaad afvragen waar hij het allemaal vandaan haalt. Niet alle schilders die aan het eind van de Middeleeuwen leefden, hadden immers een dergelijk gruwelijke beeldtaal.

Jheronimus Bosch. Heremieten-drieluik. 1490-1499. Venetië, Dogepaleis.

Tegenwoordig gaat men ervan uit dat Bosch vrijwel uitsluitend in opdracht werkte en dat zijn opdrachtgevers tot de burgerlijke elite behoorden. Veel thema’s uit Bosch’ werk hebben betrekking op zaken waar de gegoede burgerij zich mee bezighield, of waar ze zich aan stoorde, zoals losbandigheid (Allegorie op de gulzigheid en Het narrenschip), bedrog (De keisnijding en De goochelaar), luiheid (Spotprent op de luiheid) en bedelarij (Sint-Maarten in de haven). In een alleen in prentvorm bewaard gebleven werk van Bosch, de Hekeling van krijgslieden en pretmakende armoezaaiers, wordt niet alleen gemeen volk aan de kaak gesteld, maar ook (indirect) de heersende klasse, die een constante bedreiging vormde voor de burgerij.[20]

Ook wordt Bosch in verband gebracht met de Moderne Devotie. Deze toen nieuwe richting binnen het katholicisme predikte de navolging van het leven van Christus buiten de kerk om, bij voorkeur in broederschappen als de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap. De Moderne Devotie was een reactie op de corruptie binnen de Kerk en kenmerkte zich door een persoonlijke geloofsbelijdenis en praktische levenswijsheid. Dat Bosch een aanhanger van deze stroming zou zijn, blijkt o.a. uit de vaak in zijn werk terugkerende hekeling van zowel hoge als lage geestelijken (zoals op het middenpaneel van het Hooiwagen-drieluik)[21] en zijn vernieuwingsdrang en toepassing van tot dan toe in de schilderkunst onbekende (literaire) motieven (zoals in de Tuin der Lusten).[22]

Ook had Bosch een voorliefde voor kluizenaars (zie bijvoorbeeld het Heremieten-drieluik en de Heilige Hiëronymus). Deze vroeg-christelijke heiligen, met hun vrome en ascetische levenswijze, zijn waarschijnlijk voorbeelden van een nieuw levensideaal: de nieuwe asceet. Ook dit ideaal hangt samen met de Moderne Devotie. In de geest van de Broeders van het Gemene Leven wil de nieuwe asceet ‘godvruchtig leven en werken binnen de wereld’.[23]

Invloeden[bewerken]

Hoewel Bosch bij leven een beroemd schilder was, werd hij relatief laat nagevolgd. De enige kunstenaars waar hij bij leven invloed op had, waren de prentkunstenaar Alaert du Hamel, een stadsgenoot van Bosch, die enkele gravures maakte naar zijn tekeningen, en de schilders Joachim Patinir en Jan de Cock.[12]

Via Jan de Cock kwam het werk van Bosch onder de aandacht van de groep Antwerpse maniëristen, waartoe onder meer Peter Huys, Herri met de Bles, Marcellus Coffermans, Jan Mandijn en zijn leerling Gilles Mostaert (I) worden gerekend, die een oneindige reeks van kopieën en parafrases van zijn werk maakten. Tot deze groep behoort ook een anonieme meester, aan wie Bosch-kenner Gerd Unverfehrt onder meer de Antonius met monsters en het Laatste Oordeel-fragment in München toeschreef. Ook de Mechelse schilder Frans Verbeeck is door Bosch beïnvloed, en van de Duitse schilder Lucas Cranach is bekend dat hij werk van Bosch kopieerde. De bekendste navolger van Bosch was echter Pieter Bruegel de Oude, die zich niet alleen Bosch’ stijl eigen maakte, maar ook diens thematiek verder uitwerkte. Friedländer verklaarde deze korte, maar heftige herleving vanuit een fascinatie voor het absurde, waar rond het midden van de 16e eeuw aan de Europese hoven sprake van was.[24]

In de Noordelijke Nederlanden is zijn invloed merkbaar in werken van onder meer Lucas van Leyden. Ook de De doornenkroning met stichtersportret, die mogelijk teruggaat op een verloren gegaan origineel van Bosch, is waarschijnlijk in Utrecht ontstaan. Maar de navolging zoals hij die kreeg in Antwerpen, heeft in het noorden nooit plaatsgevonden.[12] Ook surrealistische schilders als Salvador Dalí, Max Ernst en Joan Miró zijn schatplichtig aan Jheronimus Bosch te noemen.

Werk[bewerken]

Schilderijen[bewerken]

Al vanaf het eind van de 19de eeuw wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het werk van Bosch. Bij gebrek aan technische hulpmiddelen werd aanvankelijk nauwelijks onderscheid gemaakt tussen authentiek werk en dat van navolgers. In de loop van de tijd vielen met behulp van moderne technieken als röntgenstraling en dendrochronologie een groot aantal werken van het Bosch-repertoire af, maar er kwamen er ook enkele bij, zoals de Verzoeking van de heilige Antonius in São Paulo. Uit dit geschuif met toeschrijvingen is een vrij heldere, vastomlijnde groep werken naar voren gekomen, die het kernoeuvre, de canon van Bosch vormt. Dit kernoeuvre kenmerkt zich door:

  • grote, alleenstaande figuren of figuurgroepen in een soort schuldig landschap, waarin herinnerd wordt aan de slechtheid van de mens;[25]
  • een – ook voor zijn tijd – ouderwetse, hoge horizon.[26]
  • vervreemdende elementen, zoals monsters, vliegende vissen en uitvergrote flora en fauna; zijn bouwwerken en steden doen organisch aan, terwijl zijn natuur juist iets kunstmatigs heeft;[27]
  • figuren met individuele gelaatstrekken;[28]
  • spaarzaam materiaalgebruik en schilderijen met een tamelijk ruw oppervlak, waarin de verfstreken duidelijk zichtbaar zijn.

In de lijst hieronder zijn de werken opgenomen die aan deze criteria voldoen en die de juiste dendrochronologische datering bezitten. Zie voor alle schilderijen die in verband gebracht worden met Bosch het artikel Lijst van schilderijen van Jheronimus Bosch.

Achterkant/buitenkant Voorkant/binnenkant Titel
Hieronymus Bosch 101.jpg   Hieronymus Bosch 054.jpg   Kruisdraging
Hieronymus Bosch - The Garden of Earthly Delights - The exterior (shutters).jpg Garden delights.jpg Tuin der Lusten
  Calvary with Donor Bosch.jpg Calvarie met schenker
  Hieronymus Bosch 012.jpg Heilige Hiëronymus
Hieronymus Bosch 062.jpg J. Bosch Adoration of the Magi Triptych.jpg Driekoningen-drieluik
  Hieronymus Bosch 085.jpg Heilige Christoforus
  Jheronimus Bosch Scenes from the Passion (full).jpg Jheronimus Bosch 090 reconstruction 01.jpg Johannes op Patmos Jeroen Bosch.jpg Twee fragmenten van een altaarstuk (?):
TriptychOfTemptationOfStAnthony(OuterWings).jpg Jheronimus Bosch 001.jpg Verzoeking van de heilige Antonius
Jheronimus Bosch 112.jpg Jheronimus Bosch 011 reconstruction 01.jpg   Jheronimus Bosch 050.jpg Vier fragmenten van een drieluik:
  Hieronymus Bosch - Hermit Saints Triptych - WGA02566.jpg Heremieten-drieluik
  Triptych of the Martyrdom of St Liberata.jpg Drieluik van de gekruisigde martelares
  Jheronimus Bosch Terrestrial Paradise.jpg Hieronymus Bosch 013.jpg Jheronimus Bosch Fall of the Damned.jpg Hieronymus Bosch 058.jpg Visioenen uit het hiernamaals
The Hell and the Flood P3.jpg The Hell and the Flood P4.jpg The Hell and the Flood P1.jpg   The Hell and the Flood P2.jpg Zondvloed en hel

Tekeningen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lijst van tekeningen van Jheronimus Bosch

Prenten naar Bosch[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lijst van prenten naar Jheronimus Bosch

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Externe links

Bronnen

Noten

  1. De Tolnay (1984): p. 10-11.
  2. Van Dijck (2001): p. 73.
  3. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 66, 69.
  4. Van Dijck (2001): p. 47-48.
  5. a b Van Dijck (2001): p. 49.
  6. Van Dijck (2001): p. 47.
  7. a b Van Dijck (2001): p. 57.
  8. Koldeweij (1991): p. 5.
  9. Van Dijck (2001): p. 56.
  10. Van Dijk (2001): p. 42. Zie ook de pagina BHIC/ILVB/Register 1485-1495/fol. 42v/regel 26-35 op Wikisource.
  11. Friedländer (1969): p. 46.
  12. a b c De Tolnay (1984): p. 51.
  13. Romein en Romein-Verschoor (1977): p. 59.
  14. Friedländer (1969): p. 45.
  15. Marijnissen (1996): pp. 11-12.
  16. Aangehaald in Friedländer (1969): p. 45.
  17. Gerlach (1967): p. 34.
  18. Aangehaald in De Bruyn (2001): p. 10.
  19. a b De Bruyn (2001): p. 10.
  20. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 123.
  21. De Tolnay (1984): p. 23.
  22. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 62.
  23. De Tolnay (1984): p. 35.
  24. Friedländer (1969): p. 60.
  25. Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 91.
  26. Friedländer (1969): p. 63).
  27. Friedländer (1969): p. 62.
  28. Anoniem, De schilderstijl van Jheronimus Bosch (Thuis in Brabant), zonder datum.
  29. Objecten in het Museum Boijmans Van Beuningen
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Jheronimus Bosch op Wikisource