Statenvertaling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Statenvertaling
Een eerste druk van de Statenvertaling uit 1637 met een stadsgezicht op Leiden. (Uit de collectie van het NBG)
Een eerste druk van de Statenvertaling uit 1637 met een stadsgezicht op Leiden. (Uit de collectie van het NBG)
Oorspronkelijke titel BIBLIA, Dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de Canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen TESTAMENTS.
Vertaler OT: Johannes Bogerman, Willem Baudartius en Gerson Bucerus

NT en apocriefen: Jacobus Rolandus, Hermannus Faukelius († 1625), Petrus Cornelisz. († 1619), Festus Hommius en Antonius Walaeus

Taal (Zuid-) Nederlands
Uitgever Machteld Aelbrechtsdochter
Uitgegeven 1637
Portaal  Portaalicoon   Christendom

De Statenvertaling (of Statenbijbel) is de eerste officiële Nederlandstalige Bijbelvertaling, die rechtstreeks uit het oorspronkelijke Hebreeuws, Aramees en Grieks werd vertaald. De opdracht voor de vertaling werd in 1618 gegeven op de Synode van Dordrecht; de Staten-Generaal werd gevraagd de vertaling te betalen.

Tot dan toe werd er gebruikgemaakt van verschillende vertalingen, waaronder de Bijbelvertaling van Maarten Luther in het Hoogduits. Deze werd echter als een lutherse interpretatie beschouwd. Er waren al eerder bijbels in het Nederlands verschenen, zoals de Delftse Bijbel (1477), Liesveldtbijbel (1526), de Biestkensbijbel (1560) en de Deux-Aesbijbel (1562), maar dat waren vertalingen van vertalingen en vaak incompleet[1]; de Leuvense Bijbel (1548) was lange tijd de enige door de Roomse kerk goedgekeurde 'katholieke' vertaling[2]. De synode achtte het nodig dat er een goede, eigen (hervormde) vertaling kwam, naar het voorbeeld van de Engelse Authorized Version (King James Version, 1611), die zo dicht mogelijk bij de brontalen lag. Voor het Oude Testament zijn dit Hebreeuws en Aramees, voor het Nieuwe Testament en de apocriefen van het Oude Testament is dit Grieks.

De Staten-Generaal gingen pas in 1626 akkoord met het verzoek van de synode, waarop de vertalers aan de slag konden. Het vertaalwerk gebeurde in Leiden. In 1635 was de Statenvertaling gereed en in 1637 werd ze door de Staten geautoriseerd. De stad Leiden betaalde 2500 gulden voor het octrooi om de bijbel in Leiden te laten drukken. Tussen 1637 en 1657 werd een half miljoen exemplaren gedrukt. Ook nu nog blijft de Statenvertaling gezaghebbend in sommige protestantse kerken.

Behalve op religieus terrein, heeft de Statenbijbel ook op taalkundig en politiek terrein een niet te onderschatten betekenis. De taal van de Statenbijbel vormt de grondslag voor het Standaardnederlands, dat zich in de 17e eeuw heeft ontwikkeld, en als belangrijk instrument in de culturele eenwording van Nederland heeft gefungeerd.

Het Nieuwe Testament van de Statenvertaling (en ook van bijvoorbeeld de King James Version), is een vertaling van de Textus receptus, de naam die de drukker, Abraham Elsevier gaf aan de Griekse tekst die door Erasmus was gepubliceerd met behulp van enkele handschriften met de Byzantijnse tekst. Het Oude Testament is een vertaling van de betrouwbare Masoretische tekst. Meer moderne vertalingen daarentegen baseren zich gewoonlijk op de Nestle-Aland editie van het Grieks Nieuwe Testament, die gebaseerd is op sindsdien ontdekte Handschriften van het Oude - en van het Nieuwe Testament. Zie tekstkritiek van de Bijbel.

In vele tientallen kerkelijke gemeenten in Nederland (vooral bevindelijk gereformeerde) wordt de Statenvertaling nog altijd gebruikt in de erediensten.

De geschiedenis van de vertaling[bewerken]

Op de Dordtse Synode is gesproken over de totstandkoming van een nieuwe Bijbelvertaling. Van 19 november 1618 tot 27 november 1618 heeft de Synode in zeven zittingen over de vertaling van de Bijbel gesproken. Drie belangrijke vragen waren op de Synode aan de orde:

  • Als eerste vraag is ingegaan op de noodzaak van een nieuwe vertaling van de Bijbel. Die vraag werd positief beantwoord.
  • In de tweede plaats werd de vraag gesteld hoe een zo getrouw mogelijke vertaling tot stand zou kunnen komen. Ook werd de vraag gesteld hoe een en ander zo vlug mogelijk zijn beslag zou kunnen krijgen. De Synode heeft concrete richtlijnen voor het vertaalwerk opgesteld.
  • Ten slotte werd de vraag onder ogen gezien wie en op welke wijze het vertaalwerk ter hand zou moeten worden genomen. De Synode heeft vertalers aangesteld en ook aangegeven dat er gecorrigeerd zou moeten worden.

In de notulen (of acta) van de synode lezen we over de vragen het volgende:

Ten eerste, of het nodig en de kerk tot voordeel zoude zijn een nieuwe overzetting des Bijbels voor te nemen. Ten andere, op welke wijze deze tot nut en stichting van de Kerken te bekwaamste zoude kunnen gedaan worden. Ten derde, hoe velen en wien deze arbeid, uit naam der Nederlandse Kerken opgelegd zoude worden (Acta Dordtse Synode, zesde zitting, d.d. 19 november 1618, pagina 18).

Richtlijnen voor het vertaalwerk[bewerken]

De Synode heeft ook uitvoerig stilgestaan bij de regels voor de vertaling. Op de achtste zitting van de Synode, op 20 november 1618 werden concrete regels voor het vertaalwerk vastgesteld. De vertalers moesten zich houden aan de volgende, uit vier punten bestaande, instructie:

I. Dat zij altijd bij de oorspronkelijke tekst zorgvuldiglijk blijven, en de manier van spreken der oorspronkelijke talen zoo veel de duidelijkheid en eigenschap der Nederlandse spraken kan toelaten, behouden. Maar indien ergens een Hebreeuwsche of Grieksche wijze van spreken voorviel, die harder ware dan dat ze wel in de tekst gehouden zou kunnen worden, dat zij deze aan den kant naarstiglijk aanteekenen.

II. Dat zij, om de zin van de tekst, die niet ten volle uitgedrukt is, te vervullen, zo weinig woorden daarbij doen als mogelijk is, en deze in den tekst met eene andere letter, en tusschen haakjes besluiten, opdat ze van de woorden van den tekst mogen onderscheiden worden.

III. Dat zij voor ieder boek en hoofdstuk een korten en duidelijke inhoud stellen, en alleszins aan den kant de gelijkluidende plaatsen der Heilige Schriftuur aan tekenen.

IV. Dat zij enige korte verklaringen er bij voegen, waarmede reden gegeven wordt van de overzetting in de duistere plaatsen; maar de waarnemingen der leerpunten daarbij voegen, is noch noodig noch raadzaam te zijn. (Acta, Dordtse Synode, Achtste zitting, d.d. 20 november 1618).

De apocrief genoemde boeken[bewerken]

Tot de Bijbel van alle christenen behoorden tot de Hervorming ook de boeken die door Hiëronymus van Stridon deuterocanoniek waren genoemd. De Hervormers besloten echter dat het Oude Testament beperkt werd tot de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach. Ongeveer[3] tien boeken maken geen deel uit van de Hebreeuwse Bijbel, maar zijn bewaard gebleven via de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint en de Vulgaat. Ze zijn oorspronkelijk deels in het Hebreeuws en deels in het Grieks geschreven, maar op een enkele uitzondering na staat alleen het Grieks ter beschikking.[4] De synode besloot dat deze boeken wel in de vertaling werden opgenomen, maar achter de boeken van het Oude Testament geplaatst en voorzien van een 'waarschuwing voor de lezer'.[5] Met het verstrijken van de tijd zijn deze boeken in de protestantse kerken steeds meer in onbruik geraakt. Andere kerken houden ze in ere. De volgorde en indeling van de Septuagint werden wel gehandhaafd, Ruth staat bijvoorbeeld tussen Richteren en 1 Samuël; Klaagliederen na Jeremia en Daniël na Ezechiël.

De vertaling van de Godsnaam[bewerken]

In de Hebreeuwse Bijbel staat de Godsnaam aangeduid met vier letters: יהוה (jod-hee-vav-hee: JHWH of JHVH). Joden spraken deze naam tegen de 3e eeuw v.Chr. niet meer uit;[6] sindsdien is het onduidelijk geworden hoe deze naam moet worden uitgesproken. Op de twaalfde zitting besloot de Synode dat de Godsnaam in het Oude Testament zou worden vertaald met HEERE. In de kantlijn van Genesis 2:4 wordt aangegeven: "Na de voleyndinge van het werck der scheppinge/ wort hier aldereerst Gode de naem van IEHOVAH gegeven/ beteeckenende de selfstandigen/ selfwesenden/ van hem selven zijnde van eeuwicheyt tot eeuwicheyt/ ende den oorspronck ofte oorsake van het wesen aller dinge; daerom oock dese naem de ware Godt alleen toecomt. Onthoudt dit eens voor al; waer ghy voortae het woort HEERE met groote letteren geschreven vindt/ dat aldaer in 't Hebr. het woort IEHOVAH, oft korter/ IAH staet." [7] Verder rees een probleem over hoe God aangesproken moest worden: met gij of met du? De tweede persoon enkelvoud verschilde van streektaal tot streektaal, en in sommige dialecten was het woord gij meervoud; dat strookte niet met de monotheïstische opvatting dat er maar één God is. Na beraadslaging dat men voor de tweede persoon meervoud gij lieden zou gebruiken, stemde men met een krappe meerderheid voor gij om God mee aan te spreken.[8] Dit had grote gevolgen voor het Nederlands: du verdween, gij werd later jij en gij lieden (gijlieden) werd jullie.

De vertalers[bewerken]

Tijdens de dertiende zitting op 26 november 1618, werden de vertalers aangewezen. Johannes Bogerman, Willem Baudartius en Gerson Bucerus werden de vertalers van het Oude Testament. Zij moesten echter wel kanttekeningen maken bij de vertaling, waarin ze moesten zetten waarom ze voor een bepaalde vertaling hadden gekozen. Voor het Nieuwe Testament en de apocriefe boeken werden Jakobus Rolandus, Herman Faukelius en Petrus Cornelisz aangewezen als vertalers. Herman Faukelius en Petrus Cornelisz overleden voordat ze aan de vertaling konden beginnen. Daarom werden hun taken overgenomen door Festus Hommius en Antonius Walaeus. Ook werden overzieners die de gemaakte vertalingen moesten controleren aangesteld.

De taalkundige betekenis[bewerken]

In 1637 kwam de Statenbijbel gereed. De Staten-Generaal hebben de totstandkoming van deze Bijbelvertaling bekostigd, vandaar de benaming Statenbijbel. De Statenbijbel heeft enige invloed gehad op de standaardisering van de Nederlandse taal, vooral door de woordkeuze (veel oorspronkelijk Duitse woorden), de opname van allerlei nieuwe uitdrukkingen en gezegden en het typische gebruik van bepaalde naamvallen zoals de genitief[9][10]. Ook werden er grammaticale elementen uit diverse streektalen zoals het Nedersaksisch in de vertaling opgenomen[11]. Daarnaast zorgde deze bijbelvertaling voor een gemeenschappelijke spelling van woorden, zodat het Diets (Middelnederlands) steeds meer één taal werd. De Statenvertaling vormde zo in veel opzichten het beginpunt van het Nieuwnederlands, al is de invloed op de standaardisering van de Nederlandse spelling uiteindelijk niet heel groot gebleken[10]. Doordat de vertalers dichtbij de grondteksten bleven, staat de Statenvertaling verder vol met on-Nederlands aandoende zinnen[10]. Tegelijk zijn echter een aantal zinswendingen uit deze vertaling zo vergroeid met de Nederlandse taal dat men hun afkomst uit het boek der boeken nauwelijks herkent.

Huisvesting in Leiden[bewerken]

Pas op 22 mei 1625 kwamen de benoemde vertalers in Den Haag bijeen, met twee gemachtigden van de synode. Op dat moment waren al twee van de zes vertalers overleden. De overgebleven vier (uit Leeuwarden, Zutphen, Veere en Amsterdam) werden aangevuld met Antonius Walaeus (de Waele), hoogleraar theologie te Leiden, en Festus Hommius (Homminga), predikant en regent van het Staten-College, een internaat voor de opleiding van Hervormde predikanten, te Leiden. De vergadering te Den Haag besloot dat het niet doenlijk was het gewone werk naast het vertalen te blijven doen. De Staten-Generaal besloten daarom op 18 juli 1625 dat de vertalers in Leiden zouden wonen, met vergoeding van huur (behalve de twee Leidenaars) en andere kosten, terwijl men vrijstelling van werk en doorbetaling van salaris aan hun respectievelijke besturen zou vragen.

Statenvertaling uit 1921

De vertalers van het Oude Testament hielden op 13 november 1626 hun eerste bijeenkomst ten huize van Johannes Bogerman aan het Pieterskerkhof. De vertalers van het Nieuwe Testament kwamen bijeen bij Jacobus Rolandus thuis. Het werk dat af was werd gedrukt bij Jan Claess. van Dorp in Leiden, zodat de herzieners het konden nakijken.In 1632 was het Oude Testament af. Op 9 juli 1633 kwamen de acht overzieners met de twee vertalers in Leiden bijeen om de moeilijke stukken te bespreken. Dat duurde uiteindelijk veertien maanden. Hetzelfde gebeurde vanaf 16 november 1634 voor het Nieuwe Testament ten huize van Walaeus aan het Rapenburg te Leiden. Na het overzien moest er gedrukt worden.

De eerste Leidse drukker[bewerken]

Op 8 december 1634 sloot de stad Leiden een overeenkomst met Machteld Aelbrechtsdr., weduwe van Hillebrand Jacobsz. van Wouw, om de bijbel te drukken, uit te geven en te verkopen, mits de vertalers hun octrooi aan de stad wilden overdoen. Dat deden de vertalers van het Oude Testament op 10 februari 1635. Machteld Aelbrechtsdr. en de erfgenamen van Hillebrand Jacobsz. van Wouw hadden al op 11 december 1632 het recht van drukken voor 15 jaar gekregen van de Staten-Generaal. Op 12 februari 1635 maakte de stad Leiden een uitgebreider overeenkomst met hen over het drukken. In 1636 werden soortgelijke overeenkomsten t.a.v. het Nieuwe Testament gesloten. De stad betaalde 2500 gulden aan de vertalers. Het drukken werd vertraagd door de schaarste en duurte van het papier en omdat een meesterdrukker uit Amsterdam pas na een strenge winter naar Leiden kwam met zijn gereedschap. Het drukken gebeurde in huis D'Oliphant aan de Hooglandse Kerkgracht. Op 17 september 1637 werd het eerste exemplaar in groot formaat, verguld op snee en gebonden in paars fluweel door Walaeus, Hommius en Andreas Rivet aangeboden aan de Staten-Generaal.

Toezicht op autographa in Leiden[bewerken]

Enige jaren na de voltooiing van de vertaling zonden de Staten-generaal het in 1637 aangeboden boek naar Leiden, om bewaard te worden bij de oorspronkelijke stukken, de stukken die door de overzieners besproken waren (de zogenaamde autographa). De Staten-Generaal hadden in 1639 besloten dat die op het Leidse stadhuis bewaard moest worden. Vanaf 1641 kwam er om de drie jaar een afvaardiging van twee man van de Staten-Generaal en twintig predikanten naar Leiden om de stukken te inspecteren. Zij logeerden dan in logement De Burcht. Ze werden dan ontvangen door een burgemeester, waarna men in plechtige stoet naar het stadhuis trok. Omdat al die losliggende stukken toch wat door elkaar raakten heeft men na het inspectiebezoek van 1662 besloten dat de stukken moesten worden ingebonden. Tot 30 augustus 1800 verbleven deze stukken in Leiden. Toen is door het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafse Volks toegestaan dat ze zouden worden afgegeven aan het hervormde kerkgenootschap. De autographa liggen nu bij het archief van de Nederlandse hervormde kerk in Het Utrechts Archief, de kist waar ze in bewaard werden ligt in het Museum Catharijneconvent te Utrecht.

Hertalingen[bewerken]

Over de loop van de eeuwen is de statenvertaling verschillende malen hertaald. In 1762 ('Jehova-bijbel') werden taal en spelling voor het eerst bijgewerkt.[12]

Jongbloededitie[bewerken]

In 1888 verscheen een editie die door een commissie van theologen was herzien. Deze versie werd aanvankelijk Proost en Brandt uitgegeven, en later door onder meer Jongbloed.Deze editie, bekend geworden als de Jongbloededitie, is een van de meest gebruikte versies van de Statenvertaling geworden.

Statenvertaling-1977[bewerken]

In 1977 verscheen bij het Nederlands Bijbelgenootschap een versie van de Statenvertaling waarin vooral de spelling was gemoderniseerd. Hij was verzorgd door een commissie onder leiding van ds. C.A. Tukker (vandaar ook wel de Tukkervertaling genoemd). Deze editie was geen volledige ‘hertaling’, doch slechts een sobere, vooral taalkundige bewerking, waarbij meteen de spelling gemoderniseerd zou worden. Tevens moet de tweede, verbeterde druk van de Statenvertaling (de zogenaamde Ravesteyneditie uit 1657) ernaast worden gelegd om in de loop der jaren ontstane fouten te verbeteren. Erg populair is deze editie nooit geworden.

Revisies[bewerken]

Herziene Statenvertaling[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Herziene Statenvertaling voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Herziene Statenvertaling, afgekort HSV, is een „revisie” (nadrukkelijk géén hertaling) van de oude Statenvertaling uit 1637 in meer hedendaags Nederlands. Vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijke Gereformeerde Kerken is de Stichting Herziene Statenvertaling opgericht, die in juni 2002 is begonnen aan een volledige revisie van de Statenvertaling. In de loop van 2010 was deze revisie gereed en op 4 december 2010 is hij in Dordrecht – en op 11 december in Vlaanderen – officieel gepresenteerd.[13]

Digitalisering van de Statenvertaling[bewerken]

In de periode 2007-2008 is de tekst van de Statenbijbel uit 1637 volledig gedigitaliseerd. Een team van 135 vrijwilligers onder leiding van Nicoline van der Sijs heeft de tekst overgetypt en gecorrigeerd. Het ging hierbij om 2.590.583 woorden, waarvan 931.309 in de eigenlijke bijbeltekst, 1.317.155 in de kanttekeningen en de rest in de inleidingen tot de diverse bijbelboeken.[14][15]

Op 22 mei 2008 zijn de websites[16] waarop de gedigitaliseerde Statenvertaling te vinden is, officieel geopend door Frits van Oostrom.

Externe links[bewerken]

Noten
  1. Reformatorische Bijbelvertalingen
  2. Leuvense Bijbel (1548)
  3. Volgens de Statenvertalers: het derde ende vierde boeck Esdre, de historie van Tobias, ende Iudith, het boeck der Wijsheyt, Ecclesiasticus Iesu Syrach, seven capittelen ghevoeght by het boeck van Esther, het boeck van Baruch, ende de brief van Ieremias, eenige Aenhanghselen van het boeck Daniels, namelick de Historie van Susanna, van Bel ende den Draeck, het gebedt van Azarias, ende de lof-sanck der mede-gesellen Daniels in den vyerigen oven, het gebedt van Manasse, ende de dry boecken der Machabeen.
  4. Sinds 1896 is van Sirach een deel van de Hebreeuwse versie bekend; de Dode-Zeerollen breidden dit nog uit, bovendien trof men daar fragmenten van Tobit aan
  5. Waerschouwinge Aen de LESERS VANDE APOCRYPHE BOECKEN
  6. (en) Stephen L. Harris, Understanding the Bible: a reader's introduction (Mayfield 1985) blz. 21. 2e druk Palo Alto.
  7. NBG Statenvertaling op internet
  8. De Statenvertaling: een taalkundig probleem
  9. http://www.meesterkoen.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=53&Itemid=89
  10. a b c http://www.statenvertaling.net/info.html
  11. http://www.gatim.nl/taalgidsen-nederlands-over.html
  12. In deze context worden ook wel de Leidse vertaling (Van der Palm, 1822; herzien door Oort, 1912) en de vertaling van Obbink en Brouwer (ook bekend als de Utrechtse vertaling, 1920-1924). Deze zijn echter geen bewerkingen van de Statenvertaling. Deze vertalingen worden vooral populair bij vrijzinnigen, en die van Obbink en Brouwer vooral in de zogenaamde ‘ethische richting’ binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.
  13. www.statenvertaling.nu/
  14. www.dbnl.org, pagina Verantwoording van de digitale uitgave van de Statenvertaling 1637, paragraaf De Statenvertaling 1637 in cijfers.
  15. Sommige bronnen, zoals www.statenvertaling.net, geven iets afwijkende getallen. Vermoedelijk betreffen die een andere editie van de Statenvertaling.
  16. www.bijbelsdigitaal.nl/statenvertaling-1637