Godfried van Bouillon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Godfried van Bouillon
1060-1100
Godfrey of Bouillon, holding a pollaxe. (Manta Castle, Cuneo, Italy.jpg
Hertog van Neder-Lotharingen
Periode 1089-1100
Voorganger Koenraad
Opvolger Hendrik I
Voogd van het Heilig Graf
Periode 1100
Voorganger Nieuwe titel
Opvolger Boudewijn I van Jeruzalem
Graaf van Verdun
Periode 1086-1095
Voorganger Mathilde van Toscane
Opvolger Diederik I van Montbéliard
Heer van Bouillon
Periode 1076-1095
Voorganger Godfried III van Lotharingen
Vader Eustaas II van Boulogne
Moeder Ida van Verdun

Godfried van Bouillon (Boulogne-sur-Mer of Baisy-Thy, 18 september 1060 - Jeruzalem, 18 juli 1100) was (als Godfried IV) hertog van Neder-Lotharingen (van 1089-1100) en één van de leiders van de Eerste Kruistocht. Hij werd tevens uitgeroepen tot de eerste koning van het koninkrijk Jeruzalem maar weigerde die titel.

Godfrieds ouders waren graaf Eustaas II van Boulogne en Ida van Verdun, zuster van hertog Godfried met de Bult die hem in 1076 had aangeduid als zijn erfgenaam. Keizer Hendrik IV van het Heilige Roomse Rijk echter besloot het hertogdom aan zijn eigen zoon Koenraad te geven en enkel Bouillon en het markgraafschap Antwerpen aan Godfried. In 1089 kreeg Godfried dan toch het hertogdom in handen, als beloning voor zijn diensten in de oorlog van de keizer tegen de Saksen en tegen paus Gregorius VII.

Beginjaren[bewerken]

Godfried zou al op jonge leeftijd vertrokken zijn vanuit Boulogne naar Bouillon; sommigen beweren voor zijn gezondheid (hij zou als kind vaak ziek geweest zijn) en de bossen van de Ardennen zouden hem goed doen. Daar werd hem geleerd hoe hij met wapens moest omgaan en hij werd voorbereid als leider van zijn toekomstig domein. Godfried was 16 toen zijn kinderloze oom Godfried III (met de Bult), die hem zijn erfenis had toegezegd, overleed, maar hij kreeg alleen de zeggenschap over Bouillon en het markgraafschap Antwerpen. Zijn tante, Mathilde van Toscane, die in eerste huwelijk getrouwd was geweest met Godfried III, probeerde Godfried op slinkse wijze van zijn zetel te lichten. Ze had hiervoor de hulp ingeroepen van de graaf Albert III van Namen. Dit mislukte echter.

In 1080 trok keizer Hendrik IV ten oorlog tegen paus Gregorius VII. Als trouwe vazal sloot Godfried zich bij de keizer aan en trok mee op naar Rome. Deze slag werd in 1084 gewonnen door het leger van Hendrik IV. Rome brandde gedeeltelijk af. Gregorius VII werd verdreven en afgezet.(Zie ook Investituurstrijd).

Godfried werd in 1089 alsnog benoemd tot hertog van Neder-Lotharingen. Hij deed belangrijke schenkingen aan verschillende kloosters, zoals het Sint-Michielsklooster (de latere Sint-Michielsabdij) te Antwerpen, de abdijen van Munsterbilzen, Genepiën en Gorze. In het klooster te Antwerpen richtte hij ook drie kapellen op, gewijd aan Sint Maarten, aan Maria Magdalena en aan de heiligen Marcellinus en Petrus.

In 1095 werd het Concilie van Clermont-Ferrand gehouden. Paus Urbanus II en Pieter de kluizenaar riepen op tot het houden van een kruistocht ter bevrijding van Jeruzalem.

Godfried gaf hieraan onmiddellijk gevolg. Hij verkocht en verpandde (vooral aan de prins-bisschop van Luik) al zijn bezittingen, inclusief de burcht van Bouillon.

Persoonlijk leven[bewerken]

In eerste instantie waren er geen huwelijken en nakomelingen van Godfried bekend. Wel was bekend dat hij uitgehuwelijkt zou worden aan Maria of Ingegerd, een van de dochters van Harald III van Noorwegen maar dat ging niet door. Nieuwe genealogische bevindingen geven aan dat Godfried op jonge leeftijd in Engeland getrouwd is met Beatrijs, een dochter van Geoffrey (Godfried) de Mandeville. Zij zou de tante van de eerste graaf van Essex geweest zijn. Er zou ook een zoon zijn geboren uit hun huwelijk, genaamd Willem van Boulogne.

Eerste Kruistocht[bewerken]

In augustus 1096 sloot hij zich, samen met zijn broers Eustaas en Boudewijn van Boulogne (de latere Boudewijn I van Jeruzalem), aan bij de Eerste Kruistocht en vertrok met een leger van 40.000 man, dat onderweg nog aangevuld werd met heren en ridders, maar ook veel avonturiers, tot een leger van 100.000 man. Jeruzalem werd in 1099 veroverd, de stad en haar inwoners werden daarbij blootgesteld aan brute plunderingen, moorden, verkrachtingen en vernielingen.

Godfried legt eed af bij Alexis Komnenos

Eed van Loyaliteit in Constantinopel[bewerken]

In november 1096 was hij de eerste van de kruisvaarders die in Constantinopel aankwam en hij raakte al snel in een conflict verwikkeld met Alexius I van Byzantium, die erop stond dat de kruisvaarders een eed van trouw aan hem zouden zweren. Godfried weigerde eerst maar gaf dan uiteindelijk toch toe in januari 1097. Godfried was ook de eerste bij de verovering van Nicea (het tegenwoordige Iznik). In deze stad waren vooraf al kruisvaarders aangekomen, vooral boeren en dieven, maar die waren in de minderheid en werden verdreven door de Seltsjoeken. Godfried wist alsnog de stad te veroveren tijdens het Beleg van Nicea. De legers van Raymond van Toulouse en Bohemund van Taranto sloten zich al gauw aan. Het leger zou rond de Bosporus uitgroeien tot zo'n 300.000 man. Over de grootte van de legers wordt door historici nog steeds gediscussieerd; sommigen reduceren het leger tot circa 30.000 manschappen.

Bolwerken van Klein-Azië[bewerken]

Er is nog maar weinig bekend over de lotgevallen van de kruisvaarders in Klein-Azië. Wel is bekend dat Bohemund de grote strateeg was achter het slechten van de bolwerken van Klein-Azië. De grootste veldslag was de Slag bij Dorylaeum (1097). Dit is na de Eerste Kruistocht nooit meer gelukt; bij de volgende kruistochten stak men meestal de Middellandse Zee over. De christenen veroverden ook steden als Turbessel, Konya en Tarus. De staat Cilicië, in het zuidoosten van wat nu Turkije is, werd grotendeels beroofd van zijn rijkdommen. De kruisvaarders werden steeds onverwacht aangevallen door de Seltsjoeken, die ver in de minderheid waren, en daarom hun toevlucht hadden genomen tot guerrillatactiek om het christenleger uit te dunnen. In 1098 veroverden de kruisvaarders Antiochië, na het Beleg van Antiochië, en ontstond er verdeeldheid. Raymond IV van Toulouse, die op dat moment beschouwd werd als leider van de kruistocht, aarzelde om naar Jeruzalem op te rukken. De kruisvaarders verbleven de rest van het jaar 1098 in Antiochië. Godfried kon begin 1099 niet meer wachten op Raymond en besloot met een groot gedeelte van het leger op te rukken naar Jeruzalem.

Verovering van Jeruzalem[bewerken]

Begin juli bereikten de kruisvaarders de stad Jeruzalem om vervolgens het Beleg van Jeruzalem te beginnen. Volgens de schrijver Robert de Monnik bestond het leger toen nog maar uit 50.000 man doch historici reduceren dit tot 15.000 eenheden. Velen waren omgekomen in Klein-Azië, maar er keerden ook velen weer huiswaarts, zoals Steven van Blois en Hugo I van Vermandois. Uiteindelijk sloten er nog enkele duizenden burgers en geronselde soldaten aan vanuit Antiochië. Op 15 juli 1099 viel Jeruzalem en was Godfried met zijn broer Eustaas een van de eerste kruisvaarders die de stad binnentraden. Er werden leuzen geroepen als: "God wil het" (vulgair Latijn: Deus lo vult of Frans "Dieu le veut") en "Wij zijn de bevrijders". De verovering onder leiding van Tancred van Normandië, leeft nog altijd voort in het collectieve geheugen van de islamitische wereld. Op 22 juli weigerde Raymond koning van Jeruzalem te worden, en werd Godfried in zijn plaats gekozen. Godfried weigerde tot koning gekroond te worden in de stad waar Jezus een doornenkroon had gedragen, maar aanvaardde wel de titel Advocatus Sancti Sepulchri (beschermer van het Heilig Graf).

Heerser van Jeruzalem[bewerken]

In het daaropvolgende jaar moest hij het koninkrijk Jeruzalem verdedigen tegen de Egyptische Fatimiden, die bij Ashkelon verslagen werden, en tegen Dagobert van Pisa en de patriarch van Jeruzalem die van het koninkrijk een theocratie onder leiding van de paus wilden maken. In 1100 kwamen Akko, Ashkelon, Arsuf, Jaffa, en Caesarea onder zijn gezag. Dagobert slaagde erin om een bestand af te dwingen; het koninkrijk zou verhuizen naar Caïro wanneer Egypte veroverd werd, en Jeruzalem en Jaffa zouden aan de kerk gegeven worden. Godfried werd op 17 juli 1099 gekozen tot 'Verdediger van het Heilig Graf'. Godfried stierf echter in juli, zonder Egypte veroverd te hebben, en Dagobert moest toestaan dat Godfrieds broer Boudewijn van Boulogne op 25 december 1100 tot koning gekroond werd.

Godfried van Bouillon op de Koudenberg te Brussel (10 mei 2005)

Tijdlijn (1099-1100)[bewerken]

Een overzicht van het jaar dat Godfried over Jeruzalem heerste en tevens zijn laatste levensjaar.

  • 15 juli 1099 - De stad Jeruzalem viel in handen van de kruisvaarders.
  • 17 juli 1099 - Godfried werd gekroond als beschermer van het Heilige Graf, en werd heerser over het rijk van Jeruzalem
  • Augustus 1099 - Godfried verdedigde het rijk tegen de Fatimiden uit Egypte en versloeg ze bij Ascalon.
  • September 1099 - kwam in conflict met Dagobert, de patriarch van Jeruzalem.
  • Februari 1100 - De steden Akko en Arsuf werden veroverd door de kruisvaarders.
  • Maart 1100 - De stad Jaffa werd veroverd.
  • Mei 1100 - Er werden plannen gemaakt om Egypte binnen te vallen
  • Juni 1100 - Caesarea werd veroverd, maar men ondervond veel weerstand.
  • 18 juli 1100 - Godfried overleed in Caesarea, na vergiftigd te zijn. (Aan de datum van overlijden wordt nog getwijfeld)
  • 25 december 1100 - Godfrieds broer Boudewijn volgde hem op als eerste koning van Jeruzalem

Zijn dood[bewerken]

Bij de verovering op Akko zou volgens de Arabische schrijver Ibn al-Qalanis Godfried getroffen zijn door een pijl en daaraan uiteindelijk in Jeruzalem overleden zijn. Maar door de westerse schrijvers Albert van Aken en Ekkehard van Aura wordt daar geen melding van gemaakt, volgens hen zou Godfried tijdens zijn verblijf aan het hof van Caesarea vergiftigd zijn door de emir van de stad. Tijdens een wandeling net buiten de stad zou hij op een rotsblok het bewustzijn hebben verloren om later in Jeruzalem te overlijden.

Nog voor hij stierf gaf hij opdracht aan zijn broer Eustaas, die naar huis zou terugkeren, drie relikwieën van het Heilig Bloed van Jezus mee te nemen om ze te schenken aan de steden Boulogne-sur-Mer, Lens (Frankrijk) en Antwerpen. Hij werd 39 jaar oud. Zijn stoffelijk overschot zou begraven zijn in de Heilige grafkerk aan de Calvarieberg.

De legendes[bewerken]

Omdat Godfried als eerste christen heerste over Jeruzalem werd hij in verscheidene vertellingen verheerlijkt en ontstonden er legendes over hem. Hij werd voorgesteld als de volmaakte christelijke ridder: groot van gestalte, een aangenaam uiterlijk, buitengewoon moedig in de strijd en zeer vroom.

Zo vertelt men dat hij tijdens de Eerste Kruistocht na de verovering van een stad in Cicilea gevochten had met een beer die hij met de blote hand versloeg. Ook zou hij een kameel met één slag van zijn zwaard onthoofd hebben.

Hij is ook opgenomen in de Van neghen den besten (omstreeks 1300), een beschrijving van negen historische helden.

Godfried zou ook een afstammeling zijn van de Zwaanridder. Deze sage werd door Richard Wagner bewerkt tot de opera Lohengrin.

In Händels opera Rinaldo (1711) wordt Godfried betiteld als Gofreddo.

Godfried is ook een sleutelfiguur in de boeken Het heilige bloed en de heilige graal van Henri Lincoln en De Da Vinci Code van Dan Brown.

Trivia[bewerken]

Voorouders[bewerken]

De voorouders van Godfried van Bouillon
Godfried van Bouillon
Vader:
Eustaas II van Boulogne
Grootvader:
Eustaas I van Boulogne
Overgrootvader:
Boudewijn II van Boulogne
Overgrootmoeder:
Adelina van Holland
Grootmoeder:
Mathilde van Leuven
Overgrootvader:
Lambert I van Leuven
Overgrootmoeder:
Gerberga van Neder-Lotharingen
Moeder:
Ida van Verdun
Grootvader:
Godfried II van Lotharingen
Overgrootvader:
Gozelo I van Verdun
Overgrootmoeder:
?
Grootmoeder:
Doda
Overgrootvader:
?
Overgrootmoeder:
?
Bronnen, noten en/of referenties
  • Robert de Monnik
  • Richard van Aguiliers
  • Willem van Tyre, Gesta Orientalium. Willem van Tyre (†1186) schreef pas omstreeks 1170 over Godfried van Bouillon.
  • John C. Andressohn, The ancestry and life of Godfrey of Bouillon (1947).
  • Amin Maalouf, The Crusades through Arab eyes (vert. in Engels; Parijs 1984).
  • Hans E. Mayer, Geschichte der Kreuzzüge (Stuttgart 1965).
  • Frédéric A.F.Th. Baron de Reiffenberg, M.A. Borgnet en E.L.B. Gachet, Le Chevalier au Cygne et Godefroid de Bouillon: poème historique publié pour la première fois avec de nouvelles recherches sur les légendes qui ont publication commencée par le Baron de Reiffenberg (3 dln., Brussel 1846-1859).