Kruistocht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Kruisvaarders)
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor de gelijknamige strip, zie Kruistocht (strip).
De verovering van Jeruzalem in 1099

De kruistochten of ook wel kruisvaarten waren militaire ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina. Het was een vroeg voorbeeld van de Europese expansiebeweging die op gang kwam nadat er in de tiende eeuw een einde was gekomen aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren. De krijgsheren die zich daarop tegen elkaar en de bevolking richtten, werden nu bij elkaar gebracht door de overtuiging dat de door het christendom als rechtmatig eigendom beschouwde heilige plaatsen in het Heilige Land bevrijd moesten worden van de islamitische heersers, die ze sinds 638 in bezit hadden.

Relatief onbekend zijn de noordelijke kruistochten, waarvan die door de Duitse Orde of Teutonische Ridders de belangrijkste waren. Hun actiegebied was vooral gelegen rond de Oostzee. Een groot deel van de aldaar gevestigde wereldlijke macht verloren zij weer in de Slag bij Tannenberg (1410).

Ook in andere religieus gemotiveerde conflicten gedurende de late middeleeuwen zette de Katholieke Kerk het middel van de kruistocht in, zoals tegen ketters als de katharen en heidenen. Latere militaire operaties op land en ter zee tegen de moslims, zoals de Slag bij Lepanto in 1571, kunnen worden gezien als een voortzetting van de kruistochten.

In overdrachtelijke zin kan met kruistocht elke ideologisch gemotiveerde, heftige poging om verandering te bewerkstelligen, aangeduid worden, al dan niet met een positieve of negatieve connotatie.

Kenmerken[bewerken]

De kruistochten begonnen als een poging van de christenen om Jeruzalem, de heiligste plaats in het christendom, op de moslims te heroveren. De kruistochten waren dan ook een laat antwoord op de verovering van het Nabije Oosten.[1] Ze hadden een aantal specifieke kenmerken. Zo begonnen ze meestal met een oproep door de paus. De oproep werd daarop verspreid door middel van een pauselijke bul en preken van geestelijken. Formeel waren alleen kruisridders gerechtigd om op kruistocht te gaan (dat veranderde in 1213). De kruistochten werden gefinancierd door een specifieke belasting, zoals de cruzada of de 'Saladintiende'. Een laatste kenmerk is dat kruisvaarders een aflaat ontvingen.

Hoewel kruistochten later als een bijzondere categorie oorlogen werden beschouwd, zagen tijdgenoten dat anders. De kenmerken van de kruistocht liepen parallel aan de zogenaamde rechtvaardige oorlog (bellum justum). De rechtvaardige oorlog was een Romeins concept dat in de christelijke traditie geïntegreerd werd door Augustinus. Thomas van Aquino en Gratianus werkten zijn ideeën verder uit. Drie kenmerken stonden centraal: de oorlog moest worden uitgeroepen door een legitieme autoriteit, worden gevochten voor een rechtvaardig doel, en gevochten worden met een juiste intentie. De kruistocht voldeed aan al deze voorwaarden: de legitieme autoriteit was de paus, het doel was de bevrijding van Jeruzalem, en de intentie van de strijders was juist, omdat ze religieus gemotiveerd was.

Overigens werd de term kruistocht of kruisvaarder aanvankelijk niet gebruikt, hoewel wel gesproken werd van ridders van het kruis of ridders van Christus. De kruisvaarders zagen zichzelf vooral als pelgrims.

Historische achtergrond[bewerken]

De tijd vóór de kruistochten[bewerken]

De oorspronkelijke verovering van Palestina door islamitische strijdmachten had aanvankelijk nauwelijks een storende werking op de pelgrimage of bedevaart naar de heilige plaatsen van de christenen, zoals Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth. In het jaar 1009 echter liet de Fatimidische kalief van Caïro, Al-Hakim, de Heilig Grafkerk vernietigen. Zijn opvolger stond het Byzantijnse Keizerrijk toe om de kerk te herbouwen en pelgrimage werd weer toegestaan. In 1056 werden 300 Christenen verbannen uit Jeruzalem en werd het Europese christenen verboden om de Heilig Grafkerk binnen te gaan.[2]

Oorzaak van de kruistochten[bewerken]

Oorzaken in het Midden-Oosten[bewerken]

Het beslissende verlies van het Byzantijnse leger tegen de Seltsjoekse Turken in de Slag bij Manzikert in 1071 zorgde voor de eerste bedes om hulp en troepen uit het westen. Het was dus niet alleen het heroveren van Jeruzalem, maar ook het bijstaan van het Byzantijnse leger tegen de Turken, het voorkomen van gebiedsuitbreiding van de islamieten, en het vergroten van de invloed van het westen in het oosten, waar op gemikt werd. De bede om hulp die keizer Alexius I van Byzantium in 1091 naar paus Urbanus II en Robrecht I de Fries, de graaf van Vlaanderen, stuurde was overigens eerder bedoeld als een verzoek om meer huurlingen en zeker niet om wat er door de paus en vele landhongerige edelen van gemaakt werd. De keizer zat dan ook flink met de kruisvaarders in zijn maag.

De voornaamste reden voor de kruistochten was het feit dat de Seltsjoeken, nadat ze Palestina veroverd hadden, christelijke pelgrimages naar Jeruzalem en andere steden moeilijk of zelfs onmogelijk maakten. Die waren in de voorgaande tijd wel mogelijk geweest, alhoewel het gebied onder islamitisch bestuur stond van de Abbassieden. De Seldjoeken slokten na 1017 het Abbassinische Rijk en voerden een politiek van eenheidswording in de islam. Met name pelgrims naar Jeruzalem werden slachtoffer van deze heilige bekeringsoorlog.[3] Tevens werd de snelle opmars van de Seldjoeken en de verovering van Anatolië als zeer bedreigend ervaren door Europese leiders. Voor het eerst sinds de val van het West-Romeinse Rijk en de volksverhuizingen kon christelijk Europa iets terugdoen, na bijvoorbeeld de veroveringen van Jeruzalem in 614 en 637, en de verwoesting van de Heilig Grafkerk door de Fatimidische kalief Al-Hakim.

Oorzaken in Europa[bewerken]

In de 10e eeuw was er een einde gekomen aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren. De hierop volgende stabiliteit zorgde vanaf de 11e eeuw voor een expansiebeweging. Venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en grond werd ontgonnen. Door de groeiende bevolking ontstond een Drang nach Osten en met de verovering van Zuid-Italië door de Normandiërs vanaf 1029 begon een eeuwenlange kolonisatie, eerst rond de Middellandse Zee, onder andere door de Repubbliche Marinare, later ook in de rest van de wereld.

Nu de dreiging van buitenaf was weggevallen, richtten de krijgers die aanvankelijk de Vikingen en andere binnenvallende volken bestreden hadden, zich tegen elkaar en tegen de lokale bevolking. Als reactie hierop ontstond de godsvredebeweging. Was dit aanvankelijk een oproep aan lokale heren, later werd dit ook een oproep aan christelijke staten om onderling geweld te stoppen. Paus Urbanus II gebruikte dit argument om de onderlinge strijd te staken en zich te richten op de gemeenschappelijke vijand van het geloof.

In de vroege middeleeuwen werd met relatieve openheid gesproken over de inhoud van de leer. Dit bracht met zich mee dat er verschillende interpretaties van die leer waren, wat de eenheid van de Kerk niet ten goede kwam. Augustinus zag ketterij — of heresie van het Griekse hairesis voor keuze — als afwijking van christenen van het ware geloof. Men begon dogma's vast te stellen om het ware geloof te definiëren. Met de ontwikkeling van de dogmatiek werd niet alleen duidelijk wat het ware geloof inhield, het maakte ook duidelijk wat hier niet mee overeenkwam. Dit kon niet meer getolereerd worden en aanhangers hiervan werden vanaf de 12e eeuw vervolgd, wat Moore de Persecuting Society heeft genoemd.[4]

Vanaf de 12e eeuw waren zowel de Kerk als de grote Europese koninkrijken in staat om hun ideologieën en doelen beter te definiëren. Dit resulteerde in een afwijzing van corruptie en verwereldlijking binnen de Kerk, maar ook in een afwijzing van groepen die afweken van die ideologieën. Dit was niet alleen de islam, maar ook bewegingen als de bulgarelli, de waldenzen en de katharen. Andere bewegingen als de franciscanen en de humiliati werden wel erkend, waarbij niet altijd duidelijk is wat de overwegingen waren om de ene groepering wel op te nemen en de andere niet.

In 1063 gaf paus Alexander II zijn zegen aan de kruistochten van de Reconquista. In 1085 namen de Spanjaarden de taifa Toledo in, en in 1092 werden de moslims van Sicilië verdreven. Ongetwijfeld werden de kruisvaarders gesterkt door deze successen tegen de islam.

Paus Innocentius III besloot dat tegen de katharen krachtiger moest worden opgetreden. In 1209 verzamelde hij een leger voor een kruistocht naar Occitanië. Tijdens het Vierde Lateraans Concilie werd een aantal religieuze groepen veroordeeld en andere erkend. Er werden decreten tegen de katharen en de waldenzen afgekondigd. Joden moesten een geel insigne gaan dragen en ook moslims moesten onderscheidende tekenen gaan dragen. Paus Gregorius IX gaf in 1232 bevel aan de nieuwe orde der dominicanen om de taak van de inquisitie op zich te nemen. De katharen waren hier het eerste slachtoffer van, maar ook de joden — die bij Augustinus weliswaar een aparte status hadden, maar wel bescherming genoten — leprozen en homoseksuelen werden al snel het slachtoffer. Dit was de schaduwzijde van de economische expansie en de nieuwe spiritualiteit.

Motivaties om op kruistocht te gaan[bewerken]

  • Bevrijding van Jeruzalem.
  • De islamitische veroveringen ongedaan maken.
  • De Oosterse Kerk herenigen met de Kerk van Rome.
  • Uitbreiding van de wereldlijke macht naar het oosten.


Na paus Gregorius VII is een toenemende vroomheid zichtbaar, waardoor er een voedingsbodem ontstond voor de kruistochten. Het oproepen tot de kruistochten gaf de paus ook een zekere autoriteit ten aanzien van de Duitse keizer: het lag immers niet voor de hand dat een geestelijk leider opriep tot gewapende strijd, dat was de taak van wereldlijke leiders. In die zin moet de rivaliteit tussen paus en keizer ook gezien worden als een opmaat tot de Investituurstrijd. De kruistochten waren ook een uitlaatklep voor de interne problematiek binnen West-Europa. Voor de katholieke kerk waren ze een uitstekende manier om dreigende conflicten met het wereldlijk gezag te exporteren en om te buigen in een goede zaak voor het christendom. Vele edelen en ridders gingen uit puur eigenbelang, om land of fortuin te verwerven. Vele van deze avonturiers deden al hun bezittingen van de hand om de veroveringstocht naar het Beloofde Land te financieren. Handelaars volgden in hun kielzog om de handel met het Midden-Oosten te ontwikkelen. Dit laatste moet echter niet gezien worden als de voornaamste drijfveer voor deelname aan de ondernemingen. De kerk gaf deelnemers een volle aflaat, dat wil zeggen dat boetes die tijdens de biecht waren opgelegd, werden kwijtgescholden. Velen misinterpreteerden dit als een vergiffenis voor alle zonden in de ogen van God, ook de niet opgebiechte. Ook op het vlak van economisch gewin moet men er rekening mee houden dat buit allesbehalve zeker was en dat de kosten voor zo'n onderneming ontzettend hoog waren. Deelnemers moesten zichzelf vaak diep in de schulden steken en velen keerden berooid terug. Het was waarschijnlijk het spirituele aspect dat de grootste motivatie vormde.

Overzicht van de verschillende kruistochten naar Jeruzalem[bewerken]

Eerste Kruistocht (1096-1099)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Eerste Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Paus Urbanus II

Op 26 november 1095 hield paus Urbanus II een vurige rede tijdens het Concilie van Clermont waarin hij opriep tot het houden van een kruistocht. Deze toespraak werd enthousiast onthaald. In de voorbereiding van het concilie had de Byzantijnse keizer Alexius I militaire hulp gevraagd tegen invallen van de Turkse Seldjoeken. De paus stond er voor open, maar had nog meer op het oog. Hij hoopte met een positief antwoord op de vraag ook de eenheid in de Kerk te kunnen herstellen na het Schisma van 1054 en hij wilde bovenal het Heilige Land bevrijden na de invallen van de moslims, zodat Jeruzalem weer een veilige plek werd voor de christenen. Wie deelnam aan de kruistocht kreeg materiële steun: zijn persoon en goederen stonden voor de duur van de kruistocht onder de bescherming van de Kerk; elke deelnemer kreeg ook een algemene aflaat, vrijstelling van belasting, opschorting van schulden en bevrijding van de lijfeigenschap.

De deelnemers aan de eerste kruistocht waren voor het grootste deel Franse ridders, Duitse ridders en de in die tijd nog los van Frankrijk opererende Normandiërs. De Franse en Duitse ridders gingen in naam van Godfried van Bouillon en de Normandiërs gingen in naam van koning Robert Curthose van Normandië, zoon van Willem de Veroveraar.

Drie volkslegers onder leiding van de Franse prediker Peter de Kluizenaar en de Duitse ridder Walter Zonder Have begonnen eerst aan de tocht van meer dan 4.000 km naar Jeruzalem. De meeste deelnemers van deze Volkskruistocht waren militair onkundig en sneuvelden onder de aanvallen van Bulgaren en Turken. Later vertrokken de overige vier legers onder het commando van getrainde edellieden. In de eerste jaren haalden de kruisvaarders de grootste successen, geholpen door de verdeeldheid van de islamitische leiders. Zij werden heer en meester over de meeste steden van het Heilige Land, maar hadden te weinig soldaten om het platteland continu onder de duim te houden. Ze stichtten vier kruisvaardersstaten:

  1. Graafschap Edessa: De stad Edessa was in handen van Cilicische Armeniërs. Zij vroegen hulp tegen de Seldjoeken aan de kruisvaarders die Antiochië belegerden. Boudewijn van Boulogne, broer van Godfried van Bouillon, ontzette Edessa en werd in 1098 graaf.
  2. Vorstendom Antiochië: Op weg naar Jeruzalem belegerden de kruisvaarders de stad Antiochië. Na de inname riep de Siciliaan Bohemund I van Tarente zich in 1098 uit tot vorst.
  3. Koninkrijk Jeruzalem: Op 15 juli 1099 veroverden de kruisvaarders Jeruzalem en vermoordden bijna alle joodse en islamitische inwoners. De Vlaming Godfried van Bouillon werd uitgeroepen tot de eerste koning van Jeruzalem, maar aanvaardde slechts de titel van Beschermer van het Heilige Graf.
  4. Graafschap Tripoli: Raymond IV van Toulouse liet zijn oog vallen op Tripoli. De stad werd pas na zijn dood ingenomen en zijn zoon Bertrand van Toulouse werd in 1109 graaf.

Tweede Kruistocht (1147-1149)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Tweede Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De als eerste opgerichte kruisvaardersstaat, Edessa, was ook de eerste die weer viel. In 1144 werd Edessa veroverd door de Seltsjoekse Turken. Als reactie riep de monnik Bernard van Clairvaux in opdracht van paus Eugenius III op tot een nieuwe kruistocht. De Tweede Kruistocht begon in 1147, en eindigde in 1149 voor Damascus.

Reynauld van Châtillon viel in 1181, ondanks het verdrag van 1180 tussen Saladin en Boudewijn IV van Jeruzalem, moslimkaravanen aan. Saladin trok ten strijde tegen de christelijke heersers, veroverde in 1187 Jeruzalem en had binnen de drie maanden heel het "Heilige Land" in handen.

Derde Kruistocht (1189-1192)[bewerken]

Saladin
Nuvola single chevron right.svg Zie Derde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Toen het nieuws van de veroveringen van Saladin werd vernomen in Europa, riep Paus Clemens III op tot een nieuwe kruistocht. Deze kruistocht stond onder leiding van de Engelse koning Richard Leeuwenhart, de Duitse keizer Frederik Barbarossa en de Franse koning Filips II. Om deel te kunnen nemen aan deze Derde Kruistocht staakten de Franse en Engelse koning tijdelijk hun vijandelijkheden. Ook hertog Hendrik III en zijn zoon Walram III van Limburg, en graaf Willem I van Holland namen deel aan de kruistocht.

Het eerste doel was om Akko in Palestina te veroveren. De Duitse keizer reisde over land naar Akko maar verdronk onderweg in de rivier Selef op 10 juni 1190, waarna het Duitse leger uiteenviel en grotendeels huiswaarts keerde. Richard en Filips daarentegen gingen per schip. Kort na zijn vertrek uit Sicilië werd Richards vloot getroffen door een hevige storm en enkele afgedreven schepen werden geplunderd door Comnenus, de keizer van Cyprus. Beide partijen kwamen tot een overeenkomst, die Comnenus echter al spoedig weer verbrak. Daarop veroverde Richard Cyprus. De Franse en Engelse koningen veroverden ook Akko in 1191. Tijdens het beleg stierf de Graaf van Vlaanderen Filips I van de Elzas op 1 juni 1191.

Wegens aanhoudende wrijvingen met Richard trok Filips van Frankrijk zich terug. Daarna kon de koning van Engeland niet echt meer een vuist maken tegen Saladin. Hij slaagde er niet in Jeruzalem te heroveren en verkreeg van Saladin slechts vrije toegang voor christelijke pelgrims tot de heilige plaatsen. Richard veroverde wel een deel van de kuststreek.

Vierde Kruistocht (1202-1204)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Vierde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Vierde Kruistocht, met als doel het veroveren van het Heilige Land via Egypte, werd in 1202 in gang gezet door paus Innocentius III. Door een gebrek aan middelen haalde men Palestina niet eens; in plaats daarvan veroverden de kruisvaarders Constantinopel, de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. Daar stichtten ze het Latijnse Keizerrijk, met Boudewijn van Vlaanderen als eerste keizer. De Kerk kwam onder die van Rome te staan.

Deze kruistocht zorgde ervoor dat de reeds weinig vriendschappelijke relatie tussen de Oosterse en Westerse christenen nog verslechterde. In 1261 kon de keizer van Nicea Constantinopel heroveren, maar het Oost-Romeinse Rijk was danig verzwakt.

Vijfde Kruistocht (1213–1221)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Vijfde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De vijfde Kruistocht werd in 1213 door paus Innocentius III uitgevaardigd, omdat hij met de toestand in het Heilige Land geen genoegen nam. Hollanders en Friezen speelden een grote rol op zee tijdens deze kruistocht. De Vijfde Kruistocht werd door de bemoeienis van het Vaticaan een volledige mislukking.

Zesde Kruistocht (1228–1229)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Zesde Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Keizer Frederik II was de centrale figuur van de Zesde Kruistocht. Hij beschikte over weinig soldaten, hield een wapenschouw met zijn leger langs de kust en heeft nauwelijks gevochten. Maar via onderhandelingen met de Egyptische sultan kwamen Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth in 1229 weer in het bezit van de christenen; de Tempelberg bleef in de handen van de moslims.

Veel christenen gingen niet akkoord met het diplomatiek succes van Frederik II en lagen al langer met de keizer overhoop. Nog voor zijn aankomst in het Heilige Land had de paus hem in de kerkelijke ban gedaan, omdat hij koning van Jeruzalem wilde worden. Daarmee pleegde hij inbreuk op de rechten van zijn zoon, de kleinzoon van Jan van Brienne. De keizer steunde op de Duitse Orde, maar leefde op gespannen voet met de tempeliers en de hospitaalridders die trouw waren aan de paus. Frederik kroonde zich in 1229 tot koning van Jeruzalem, terwijl de aartsbisschop en de tempeliers troepen verzamelden om hem af te zetten. Toen viel een pauselijk leger zijn grondgebied in Sicilië aan en was Frederik gedwongen om snel naar daar te vertrekken. Zo werd een openlijke oorlog voorkomen in Jeruzalem. Ondanks de verdeeldheid waren de kruisvaardersstaten weer bijna zo groot als op het toppunt van hun macht in 1150.

Zevende Kruistocht (1248–1254)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Zevende Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Jeruzalem viel in 1244 weer in de handen van de sultan van Egypte. Koning Lodewijk IX van Frankrijk, de Heilige, probeerde de kruisvaardersstaten te helpen. Hij viel Cyprus, Egypte en Syrië aan, doch zonder succes. Voor de Zevende Kruistocht liet Lodewijk de Heilige in Zuid-Frankrijk een haven aanleggen: Aigues-Mortes.

Achtste Kruistocht (1270)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Achtste Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1270 was het weer Lodewijk IX van Frankrijk die het voortouw nam in een nieuwe kruistocht. Onderweg naar het Heilige Land werd hem echter gevraagd om zijn broer te helpen met zijn strijd tegen het islamitisch 'piratennest' Tunis. Uiteindelijk gaf hij hieraan gehoor, maar toen het leger bij Tunis zijn tenten had opgeslagen brak de pest uit, waarbij Lodewijk stierf samen met een groot deel van zijn leger. Zijn dood betekende het einde van de grote kruistochten.

Negende Kruistocht (1271–1272)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Negende Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Eduard I van Engeland was al op weg om zich bij het leger van Lodewijk IX van Frankrijk te voegen. Samen wilden zij optrekken voor de Negende Kruistocht naar het Heilige Land. Na de dood van Lodewijk IX trok Eduard I zelf op naar het Heilige Land, om te strijden tegen sultan Baibars.

Na 1270 waren het alleen nog kleine legertroepen die zo nu en dan een stad veroverden op de Turken. Maar die aanvallen hadden weinig succes en de Turken rukten steeds verder op. Zo ver zelfs dat in 1453 de stad Constantinopel viel.

Na de kruistochten[bewerken]

Het Byzantijnse Keizerrijk wist uiteindelijk in 1261 Constantinopel terug te veroveren, maar zijn macht keerde nooit volledig terug en het rijk viel uiteindelijk in 1453 in handen van de islamitische Turken, de Ottomanen.

In de steek gelaten door het Westen, konden de ridderorden de christelijke enclaves niet langer houden tegen de steeds toenemende druk van de islam. Het sterke Krak des Chevaliers van de Hospitaalridders viel in 1271, Tripoli in 1289, Sidon en Beiroet, Tyrus en Akko ten slotte in 1291.

Saraceense reacties[bewerken]

De moslims noemden de kruisvaarders Franken en zagen hen als handlangers van de Byzantijnen, die curieus genoeg nooit een concept van kruistocht hadden ontwikkeld. Zij hadden een bescheidener doel met de voor hen al eeuwen oude strijd tegen de moslims, namelijk zelfverdediging. De kruisvaarders wisten Jeruzalem in te nemen met een relatief kleine macht, omdat de islamitische rijken uitgeput waren door hun onderlinge machtsstrijd. De aanvankelijke reactie in de islamitische wereld was desinteresse. De kalief in Bagdad negeerde oproepen uit Palestina om te hulp te schieten, wegens een tijdelijke verzwakking van zijn (soennitische) rijk, dat in strijd verwikkeld was met de sjiitische Fatamiden in Caïro. Bovendien was de kalief Malik-Shah in 1092 overleden, wat de politieke stabiliteit geen goed deed. Pas in 1105 zou al-Sulami oproepen tot een jihad tegen de christelijke invasie en zou het conflict met de kruisvaarders ook van islamitische kant een religieus karakter verwerven. Niettemin zou het tot 1183 duren voordat een serieus religieus tegenoffensief begon onder leiding van Saladin, die de jihad uitriep tegen de kruisvaarders. Deze oproep ging gepaard met een oproep tot interne heiliging en islamitische vroomheid.

De kruistochten hebben, ondanks wat uit fundamentalistische hoek wordt beweerd, weinig tot geen blijvende wrok van de Arabische kant veroorzaakt. Pas in de 20e eeuw werd de term geassocieerd met 'Westers imperialisme'.
Tijdens de twee eeuwen durende periode van kruistochten en aanwezigheid van de Kruisvaarders in het Midden-Oosten besteedden de Arabische geschiedschrijvers opvallend weinig aandacht aan hen, terwijl literaire, politieke en theologische schrijvers hen zelfs nauwelijks vermelden. Wel geven islamitische schrijvers uit deze periode blijk van intense bezorgdheid over de verdeeldheid binnen de moslimwereld zelf; de Isma'ilitische sjiieten werden door soennieten algemeen gezien als de grootste bedreiging[5].

Andere kruistochten[bewerken]

De benaming "kruistocht" werd/wordt ook gebruikt voor andere christelijke 'heilige oorlogen' tegen heidenen en ketters:

Latere verbeelding[bewerken]

Vanaf de Verlichting raakten de idealen van de kruistochten ietwat in diskrediet. Ze werden bestempeld als "bloeddorstig", en het religieus fanatisme waarmee de ondernemingen gepaard gingen sloten niet aan bij de opkomende rationele en seculiere beweging. Daarentegen omarmde de Romantiek de kruistochten wel weer, maar gaf daar een geheel andere invulling aan. De kruisvaarder werd nu vereerd vanwege zijn inzet en passie, en bewonderd om zijn reizen naar exotische landen. De religieuze motivatie als zodanig verdween naar de achtergrond. Een herwaardering voor de Middeleeuwen speelde hierbij ook een rol. Een bekend voorbeeld hiervan is de roman van Sir Walter Scott, The Talisman. Ook het nationalisme eigende zich de kruisvaarderssymboliek toe: de kruisvaarder werd een archetypische nationale held. Zo gingen de Engelsen Richard Leeuwenhart bewonderen, de Belgen Godfried van Bouillon, de Fransen Lodewijk XI en de Spanjaarden El Cid. Van al deze figuren werden rond het midden van de 19e eeuw standbeelden geplaatst op prominente locaties (Leeuwenhart voor het parlementsgebouw in Londen, Bouillon op het Koningsplein te Brussel). De islamitische wereld gaf zijn eigen invulling aan de kruistochten in die tijd. Ook daar werden de Kruistochten in de 19e eeuw herontdekt en geïnterpreteerd als Westers kolonialisme avant la lettre. Pas aan het einde van de 19e eeuw bedacht men in het Arabisch een woord voor kruisvaarder.[7]

Huidige discussie[bewerken]

Tegenwoordig wordt de term in overdrachtelijke zin in elke context gebruikt voor een strijd voor een goed doel, bijvoorbeeld een kruistocht tegen armoede.

Ook de a-historische interpretatie zoals onder andere verdedigd door Karen Armstrong lijkt weinig zinvol. Zij schreef: ‘I now believe that the Crusades were one of the direct causes of the conflict in the Middle East today’. Richard Fletcher daarentegen stelde: ‘Liberal critics of today are frequently to be heard denouncing the Crusades. A typical recent authority Karen Armstrong has described them as ‘disgraceful’. But rebuking the past from the different moral standpoint of the present does not advance historical understanding.’ De visie van vooraanstaande specialisten op dit gebied sluit daarbij aan. Een aardig voorbeeld van hun kritiek op het populistische beeld zijn hun recensies van de film Kingdom of Heaven van Ridley Scott. Jonathan Philips meende dat de romantische kijk op Saladin (als tegenhanger van de bloeddorstige kruisvaarders) verdacht veel leek op die van Saddam Hoessein en Hafiz al-Assad, die Saladin vereren als een vechter tegen het westerse kolonialistische christendom. Jonathan Riley-Smith meende eveneens over de film: 'It's Osama bin Laden's version of history. It will fuel the Islamic fundamentalists.' Ook de Arabische historicus Amin Maalouf, zelf van christelijke origine, sluit zich hierbij aan: 'It does not do any good to distort history, even if you believe you are distorting it in a good way. Cruelty was not on one side but on all.'

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • (fr) René Grousset, Histoire des croisades, 3 vol., Plon, 1934-1936
  • (fr) René Grousset, Les croisades, Que sais-je ?, 1948
  • (fr) Cécile Morrisson, Les croisades, Que sais-je ?, 1969
  • (en) Steven Runciman, A History of the Crusades, 1951-1954
  • (en) Kenneth M. Setton, ed., A History of the Crusades, 6 vols, Madison: University of Wisconsin Press, 1969-1989
  • (en) Phillips, Jonathan (2007), The Second crusade, Extending the frontiers of christendom. Londen: Yale University Press, 364.
  • (nl) Phillips, Jonathan (2009), In naam van God, een nieuwe geschiedenis van de kruistochten. Tielt: New Lannoo, 464.
  • (nl) Asbridge, Thomas, (2006), De eerste Kruistocht, De oorsprong van het conflict tussen Islam en Christendom. Amsterdam: Athenaeum, 384.
  • (nl) Asbridge, Thomas (2010), De Kruistochten. De strijd om het Heilige Land. Houten: Spectrum, 784.
Bron
  • Rudolf Pörtner, De strijd om het Heilige Graf (Waarheid en legende van de kruistochten) – Boeiende studie inclusief een jaartallenoverzicht en typering van de belangrijkste personen die bij de geschiedenis van de kruistochten van belang waren. Portner laat de kruistochten beginnen op 27 november 1095 (oproep van Paus Urbanus) en eindigen op 20 september 1187 met het begin van het beleg van Jeruzalem en daarmee het einde van de christelijke heerschappij in het "Heilige Land".

Referenties

  1. Yves Bruley, L'Histoire du Catholicisme, Ques sais-je ? N° 365, 2004, p. 51
  2. Robert Spencer, The Guardian of Islamic Extremism, FrontPage Magazine, 21 september 2006
  3. Colin Platt. Panorama van de Middeleeuwen. Gaade Uitgevers Veenendaal, 1980. ISBN1197411466. pag. 35
  4. Moore, R.I., (1987): The Formation Of A Persecuting Society: Power And Deviance In Western Europe, 950-1250, New York
  5. Bernard Lewis, Het Midden Oosten, 2000 jaar culturele en politieke geschiedenis, pag. 235, Uitg. Forum, Amsterdam (1996), ISBN 90-225-2029-3
  6. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. "Reconquista". Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  7. Robert Irwin, ‘Islam and the Crusades’, in Jonathan Riley Smith, red., The Oxford Illustrated History of the Crusades (Oxford, 1995), 259