Akko (stad)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Akko
עַכּוֹ
عكّا
Stad in Israël Vlag van Israël
Akko (stad)
Akko (stad)
Situering
District (mechoz) Noord
Coördinaten 32° 56′ NB, 35° 5′ OL
Algemeen
Inwoners (2003) 45.600
Foto's
De oude stad van Akko, vanaf de haven
De oude stad van Akko, vanaf de haven
Portaal  Portaalicoon   Israël
Acre ( Akko )
Werelderfgoed cultuur
Acre - Akko Tower.jpg
Land Vlag van Israël Israël
UNESCO-regio Azië en Pacific
Criteria ii, iii, v
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 1042
Inschrijving 2001 (25e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst
Het historische centrum van Akko vanuit de lucht.

Akko (ook Acre) (Hebreeuws: עַכּוֹ, Arabisch: عكّا, ʻAkkā), is een oude havenplaats in het noorden van Israël, gelegen aan de Middellandse Zee. In het jaar 2003 had de stad 45.600 inwoners. Ten zuiden van de stad bevindt zich een vissershaven, aan de Baai van Akko. De stad ligt 23 kilometer ten noorden van Haifa. Akko heeft een karakteristieke middeleeuwse en oosterse uitstraling, met veel oude gebouwen en muren. In de hellenistische en de Romeinse tijd droeg de stad de naam Ptolemaïs. De oude stad is een van de steden in Israël met een overwegend Arabische bevolking. Volgens het Israëlische statistische bureau zijn 95% van de bewoners van de Oude Stad etnische Arabieren.[1] Slechts 15% van de huidige Arabische bevolking in de stad stamt af van families die voor 1948 al in de stad woonden[2]. Het overgrote deel migreerde er vanuit het omliggende platteland (West-Galilea) tijdens de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948.

Geschiedenis[bewerken]

Al in de Kanaänitische tijd woonden er mensen in Akko, ongeveer twee kilometer ten oosten van de huidige stad. Later vestigden er zich Feniciërs, die nog weer later door Assurbanipal werden gedeporteerd. Vanaf 1973 worden hier archeologische opgravingen gedaan.

Griekse en Romeinse tijd[bewerken]

Griekse historici noemen de stad "Ake" (Ἄκη) wat "genezing" betekent. Volgens Griekse mythen zou Hercules hier kruiden gevonden hebben waarmee hij zijn wonden kon laten genezen.

Flavius Josephus noemde de stad Akre. De naam was gewijzigd naar Antiochia Ptolemais vlak na de verovering van Alexander de Grote. Daarna werd de stad Ptolemais genoemd, waarschijnlijk naar Ptolemaeus I Soter de opvolger van Alexander, na de verdeling van het rijk waarbij deze Ptolemaeus Egypte en het huidige Israël kreeg.

In 165 vóór Chr. versloeg Simon Makkabeüs de Syrische troepen in Galileä en verdreef hen richting Ptolemais. De heerser van Syrië Demetrius II Nicator probeerde Simon om te kopen en er zo voor te zorgen dat hij hem steunde in de strijd tegen zijn rivalen voor de troon, onder meer Alexander Balas. Uiteindelijk kregen de Makkabeëen de stad in handen, zonder zich aan één van de partijen te binden. Dit gebeurde door Alexander Janneüs.

Koning Herodes I bouwde hier een gymnasium en ook de Romeinen bouwde de stad verder uit.

Na de definitieve verdeling van het Romeinse rijk in 395 na Chr viel Akko toe aan het Oost-Romeinse, later Byzantijnse Rijk.

Kruisvaarderstijd[bewerken]

In de Byzantijnse tijd floreerde de stad.

Nadat het leger van de Byzantijnse keizer Heraclius was verslagen door het moslimleger van Khalid ibn Walid tijdens de slag bij de Jarmuk en Jeruzalem was veroverd door de legers van Kalief Omar, viel Akko in handen van het Rashidum-kalifaat. Later ging ze over in handen van de Omajjaden en de Abbasiden totdat ze werd veroverd door koning Boudewijn I van Jeruzalem in 1104, na de Eerste Kruistocht. Akko werd toen de belangrijkste havenstad van het Heilige Land.

In 1187 werd de stad veroverd door de moslimleider Saladin en in 1189 probeerde koning Guy de Lusignan, koning van Jeruzalem, de stad te heroveren. De belegering was nog bezig toen de troepen van de Derde Kruistocht het land bereikten en het was uiteindelijk Richard Leeuwenhart die de stad in 1191 na het beleg van Akko wist in te nemen. Omdat de stad Jeruzalem in handen van de moslims was en niet heroverd kon worden, werd Akko hoofdstad van het koninkrijk Jeruzalem onder de naam Saint Jean d'Acre. De kruisvaarders lieten veel bouwwerken na en versterkten de stad. De hospitaalridders bouwden hun ziekenhuis en hadden er hun hoofdkwartier.

De stad werd het laatste bolwerk van de kruisvaarders en viel pas in de handen van de Mammeluken, die over Egypte heersten, na een bloederige belegering in 1291. De stad werd verwoest en verlaten. Om te voorkomen dat ze opnieuw door de Kruisvaarders gebruikt zou worden, werden de overgebleven gebouwen opgevuld en overdekt met aarde. De meeste overblijfselen uit deze tijd zitten thans dan ook ondergronds.

Ottomaanse tijd[bewerken]

De Ottomaanse sultan Selim I veroverde de stad in 1517 en liet ze daarna verder vervallen. In 1697 stonden er alleen nog een karavanserai, een moskee en enkele boerderijen in dit gebied. Tegen het eind van de 18e eeuw viel het gebied onder Dhaher al-Omar, een plaatselijke sheik. Zijn opvolger (en moordenaar) Jezzar Pasha (bijgenaamd Al-Jazzar, de slager) besloot het gebied weer op te bouwen en te versterken. De stad werd in deze tijd Acre genoemd.

In 1799 belegerde Napoleon Bonaparte de stad als onderdeel van zijn expeditie naar Egypte. Hij was opgetrokken vanuit Egypte na de slag bij Aboekir en wilde naar het noorden om zo terug te kunnen naar Frankrijk en de Ottomanen te verslaan. Na een belegering van twee maanden, waarbij de Turken geholpen werden door een eskader van de Engelse vloot onder leiding van Sir Sidney Smith, moest Napoleon de terugtocht blazen.

Jezzar werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Suleiman. Hij voerde een milder regiem dan zijn vader, waardoor de welvaart toenam. In 1831 werd hij afgezet door Ibrahim Pasha na een belegering van de stad. Uiteindelijk kwam de stad weer rechtstreeks onder Turks bestuur.

Brits Mandaat[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog werd in 1918 het gebied door de Volkenbond toegewezen aan Groot-Brittannië om het als mandaatgebied te besturen. De stad was toen het hoofdkwartier van het leger en de citadel werd de belangrijkste gevangenis van het land. Vele politieke gevangenen, vooral Joodse activisten en ondergrondse strijders werden hier gevangengezet. Enkele bekende gevangenen waren Zeev Jabotinsky en Shlomo Ben-Yosef. De laatste, een Irgun strijder, was de eerste jood die geëxecuteerd werd door de Engelsen.

Op 4 mei 1947 bestormde de Irgun de Acrecitadel-gevangenis om de Joodse activisten te bevrijden. Circa 255 gevangenen ontsnapten, waarvan de meesten niet Joods, maar Arabisch waren. 27 Irgun strijders wisten te ontsnappen. Direct na de ontsnapping werden er 9 mensen gedood, waarvan er 5 bij de aanvallers hoorden. 8 gevangenen werden weer gepakt.

Na de onafhankelijkheid van Israël[bewerken]

In het verdelingsplan van de Verenigde Naties van 1947 werd Acre toewezen aan de toekomstige Arabische staat. Dit plan werd door de Arabische landen verworpen en Israël riep daarop de onafhankelijkheid uit. In de oorlog, die daarop volgde, werd de stad op 17 mei 1948 veroverd door de Israëlische troepen.

De stad, zoals ze er vandaag uitziet, is grotendeels tijdens het Ottomaanse Rijk opgebouwd en voor een deel in de 17e eeuw door Druzen. Vele muren werden neergezet op de plaats van de ruïnes van de bouwwerken van de kruisvaarders. Sommige resten zijn echter nog zichtbaar.

Akko is in 2001 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst.

De Ridderzaal[bewerken]

Ridderzaal

Onder de citadel en gevangenis van Akko hebben archeologische opgravingen een deel van de oudere stad van de kruisvaarders blootgelegd. Het betreft een complex van hallen, waarvan de Ridderzaal de grootste is. Dit complex werd gebouwd en gebruikt door de Orde van Hospitaalridders. De Ridderzaal wordt gedomineerd door drie dikke zuilen die de kruisgewelven ondersteunen. De opgravingen gaan nog steeds door. Daardoor kan Akko op toeristische belangstelling rekenen.

Bezienswaardigheden[bewerken]

De haven van Akko

Geboren[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.cbs.gov.il/www/statistical/arabju.pdf
  2. Stern, Yoav. For Love of Acre. Haaretz Gearchiveerd van het origineel op 19 October 2008 Geraadpleegd op October 20, 2008