Neerslag (atmosfeer)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Neerslag is het atmosferische verschijnsel van naar de aarde neervallend water in de vorm van waterdruppels, ijs, of sneeuw, meestal afkomstig uit wolken. Pas wanneer de water of ijs bevattende neerslag de grond bereikt, wordt officieel van neerslag in weerkundige zin gesproken. De hoeveelheid neerslag wordt gemeten met een regenmeter (pluviometer), zo nodig gesmolten en daarna in millimeters (mm) uitgedrukt. Eén millimeter neerslag komt overeen met 1 liter op een horizontaal gelegen oppervlakte van 1 m². De neerslag op aarde varieert sterk, tussen 50 en 200 mm per jaar in woestijngebieden tot meer dan 10 000 mm per jaar zeer lokaal in tropische gebieden.

Inhoud

Vorming van neerslag [bewerken]

Neerslag valt uit wolken die gevormd zijn door condensatie van afgekoelde waterdamp. Wolken bestaan uit wolkenelementen, kleine waterdruppeltjes en ijskristallen. Door de geringe massa zweven deze min of meer en worden vooral meegevoerd door de luchtstromen. De valsnelheid is dusdanig laag dat het enkele dagen kan duren voordat het aardoppervlak bereikt wordt, zodat het dan zeer waarschijnlijk al verdampt is. Dat er toch neerslag valt, komt door twee processen, coalescentie en het Wegener-Bergeron-Findeisen-proces.

Vormen [bewerken]

Men onderscheidt de volgende vormen:

Hierboven werd reeds gezegd dat de hoeveelheid neerslag gemeten wordt nadat hagel en sneeuw gesmolten zijn. In populaire weerberichten wordt daar wel eens van afgeweken. Vers gevallen sneeuw is zeer volumineus. Zegt men dat ergens een grote hoeveelheid sneeuw is gevallen, bijvoorbeeld een halve meter, dan wordt meestal ongesmolten sneeuw bedoeld.

Stratiforme bewolking [bewerken]

In gelaagde of stratiforme bewolking zijn de verticale luchtbewegingen meestal beperkt tot slechts enkele cm/s. De intensiteit van de neerslag is over het algemeen licht of matig, maar de motregen kan lang aanhouden in een groot gebied. Het merendeel van de neerslag op gematigde breedten valt uit dit type bewolking. Als de temperatuur bovenin de bewolking onder de -13°C daalt, kan het Wegener-Bergeron-Findeisen-proces plaatsvinden, waardoor de intensiteit toeneemt.

Convectieve bewolking [bewerken]

In convectieve wolken (cumulus en cumulonimbus) zijn de verticale luchtstromingen door convectie over het algemeen veel krachtiger dan die in stratiforme bewolking. Veelal is dit meer dan 1 m/s en kan in zware buien oplopen tot meer dan 25 m/s. De wolkenelementen kunnen daardoor snel aangroeien, zodat er al zo'n 20 tot 30 minuten na het ontstaan van de wolk intensieve neerslag kan vallen. Door de krachtige verticale luchtbewegingen kunnen ijskristallen meerdere malen omhoog worden gevoerd en aangroeien tot grote hagelstenen. Aangezien de convectie sterker wordt in de zomer, zal er dan meer hagel vallen.

Neerslagstatistieken Nederland [bewerken]

Normalen [bewerken]

Hieronder volgen de normale gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheden, en de absolute en relatieve neerslagduur, van dertien officiële KNMI-weerstations, over het tijdvak 1971-2000.[1]

Weerstation Gemiddelde jaarlijkse
Hoeveelheid Duur
Abs. Rel.
Valkenburg 789,1 mm 566,4 uur 6%
De Kooy 742,9 mm 581,5 uur 7%
Schiphol 779,5 mm 605,5 uur 7%
De Bilt 792,9 mm 623,8 uur 7%
Soesterberg 831,1 mm 675,1 uur 8%
Leeuwarden 767,2 mm 692,4 uur 8%
Eelde 773,7 mm 620,3 uur 7%
Weerstation Gemiddelde jaarlijkse
Hoeveelheid Duur
Abs. Rel.
Twente 758,2 mm 705,6 uur 8%
Vlissingen 720,8 mm 578,2 uur 7%
Rotterdam 815,5 mm 688,0 uur 8%
Gilze-Rijen 793,6 mm 707,2 uur 8%
Volkel 712,1 mm 628,7 uur 7%
Maastricht 740,0 mm 642,8 uur 7%

Extremen [bewerken]

De grootste hoeveelheid neerslag in een etmaal sinds het begin van de metingen betrof 208 mm en viel op 3 augustus 1948 in Voorthuizen.[2]

Hieronder volgen ranglijsten van diverse extreme neerslagsommen, zoals gemeten op het KNMI-station in De Bilt tussen 1901 en 2013.[3]

Nr. Natste jaar Natste seizoen Natste maand
1. 1998 1239,6 mm herfst 1998 468,2 mm augustus 1912 220,5 mm
2. 1965 1151,9 mm zomer 1966 411,3 mm september 1957 213,2 mm
3. 1966 1148,0 mm herfst 1974 402,7 mm september 2001 210,7 mm
4. 2001 1038,9 mm zomer 1912 386,2 mm augustus 1969 198,0 mm
5. 1912 1027,0 mm herfst 1930 359,8 mm oktober 1932 193,4 mm
6. 1994 1025,2 mm zomer 1930 358,6 mm juli 1930 192,0 mm
7. 1981 993,0 mm zomer 1965 358,3 mm juli 1966 190,8 mm
8. 1974 992,7 mm zomer 1917 354,8 mm december 1965 190,3 mm
9. 1950 951,6 mm winter 1966 338,0 mm oktober 1981 188,5 mm
10. 2000 932,4 mm herfst 1944 337,2 mm augustus 1917 187,8 mm
Nr. Droogste jaar Droogste seizoen Droogste maand
1. 1921 387,3 mm herfst 1953 52,2 mm april 2007 0,3 mm
2. 1933 510,9 mm herfst 1920 52,3 mm februari 1986 0,4 mm
3. 1959 535,8 mm lente 1996 60,8 mm februari 1985 1,9 mm
4. 1976 536,3 mm winter 1964 63,7 mm september 1959 3,0 mm
5. 1971 561,8 mm lente 1976 66,2 mm januari 1997 3,6 mm
6. 1996 575,7 mm winter 1934 69,0 mm februari 1959 5,1 mm
7. 1953 597,4 mm lente 1991 69,8 mm oktober 1953 5,5 mm
8. 1982 600,7 mm winter 1985 72,1 mm februari 1934 5,6 mm
9. 2003 612,7 mm zomer 2003 73,6 mm mei 1989 5,6 mm
10. 1929 630,4 mm lente 1918 75,5 mm februari 1917 6,2 mm

Zie ook [bewerken]

Externe link [bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties