Mandaatgebied Palestina
| Mandaatgebied Palestina | |||||
|
|||||
|
|
|||||
| Kaart | |||||
| Algemene gegevens | |||||
| Hoofdstad | Jeruzalem | ||||
| Oppervlakte | 26.990 km² (inclusief Transjordanië: 116.332 km²) | ||||
| Bevolking | exclusief Transjordanië: 752.048 (1922) 1.912.112 (1946) inclusief Transjordanië: 1.455.000 (1922) |
||||
| Religie(s) | islam, jodendom, christendom | ||||
Het mandaatgebied Palestina, of Brits Mandaat Palestina, was een A-mandaat van de Volkenbond dat toevertrouwd werd aan het Verenigd Koninkrijk toen het Ottomaanse Rijk in 1920 bij de Vrede van Sèvres werd verdeeld.
Inhoud |
Geschiedenis [bewerken]
De mandaatstekst[1] werd vastgesteld op 24 juli 1922. Op dat moment waren de grenzen van het mandaat nog niet definitief bepaald. In artikel 2 van het mandaat werd de verantwoordelijkheid van Groot-Brittannië vastgelegd voor het creëren van omstandigheden die de ontwikkeling van een Joods nationaal tehuis mogelijk moesten maken. In artikel 25 werd vastgelegd dat Groot-Brittannië de bepalingen van het mandaat met betrekking tot de vrijheid van godsdienst ten oosten van de rivier de Jordaan alleen hoefde toe te passen als de omstandigheden dit toelieten. In september 1922 presenteerde Groot-Brittannië een memorandum aan de Volkenbond waarin het voorstelde het gebied ten oosten van de Jordaan uit te sluiten van Joodse immigratie. Op 23 september stemde de Volkenbond daarmee in.
Op 25 mei 1923 werd Abdoellah benoemd tot emir van Transjordanië, het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan, en werd het mandaatgebied door Groot-Brittannië bestuurlijk gesplitst. Op 25 mei 1946 werd Transjordanië onafhankelijk. Het overige deel zou worden opgesplitst in een Joods deel (Israël) van 56% en een Arabisch deel van 43%; waarbij Jeruzalem een speciale, internationale status zou krijgen. De Joden accepteerden en riepen op 14 mei 1948 als Israël de onafhankelijkheid uit. De Arabieren verwierpen dit voorstel. Op 15 mei 1948 eindigde het mandaat en brak de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 in volle hevigheid los toen Arabische landen Israël binnenvielen. Na deze oorlog besloeg Israël 77% van het overgebleven, westelijke mandaatgebied, Jordanië hield 22% van het gebied bezet (de Westelijke Jordaanoever, die in 1950 door Jordanië werd geannexeerd). Israël werd door een groot aantal landen erkend en werd op 11 mei 1949 lid van de Verenigde Naties. De annexatie van de Westelijke Jordaanoever door Transjordanië werd alleen erkend door Groot-Brittannië en Pakistan. De door Egypte bezette Gazastrook had een Palestijnse regering. Deze regering werd erkend door Egypte, Syrië, Libanon, Irak, Saoedi-Arabië en Jemen, maar niet door Transjordanië, noch door enig ander land.
Immigratie [bewerken]
In de periode van het Mandaat vond een omvangrijke immigratie plaats. Tussen 1920 en 1945 vestigden zich volgens officiële Britse cijfers 401.149 mensen in Palestina, onder wie 367.845 Joden (91,7%)[2]. Naast een legale Arabische immigratie vond ook een illegale immigratie plaats. Vaak waren dit seizoensarbeiders uit omliggende landen die zich zonder te registreren in Palestina vestigden en vaak ook weer ongeregistreerd vertrokken.[3]
De Joodse immigratie leidde tot gewelddadige protesten van de Arabische bevolking. Op paaszondag 1920 viel een Arabische menigte de Joodse bevolking van Jeruzalem aan. Hierbij vielen 5 doden en 211 gewonden. Bij het herstellen van de orde werden door Britse troepen 4 Arabieren gedood en 21 gewond. [4] De protesten verhevigden in 1921 toen op 1 mei 47 Joden werden gedood en 146 verwond merendeels door Arabisch geweld. Aan Arabische kant vielen merendeels bij het herstellen van de orde door Britse troepen en de politie 48 doden en 73 gewonden.[5] Tot 1929 bleef het relatief rustig, maar in augustus 1929 laaide het anti-Joodse geweld weer op. Hierbij vielen aan Joodse kant 133 doden en 339 gewonden. Aan Arabische kant vielen merendeels bij het herstellen van de orde door Britse troepen en de politie 116 doden en 232 gewonden.[6] Na Hitlers machtsovername van 1933 nam de Joodse immigratie zeer sterk toe. Dit leidde in 1936 tot de grote opstand die tot 1939 duurde.
Arabische bevolkingsgroei [bewerken]
Ook de Arabische bevolking groeide sterk in de jaren van het Britse mandaat. De moslimbevolking nam toe van 589.177 in 1922 tot 1.143.336 in 1946. De belangrijkste factor was de daling van het sterftecijfer en de toegenomen levensverwachting. Tussen 1927 en 1944 nam de Palestijnse levensverwachting met 12 jaar toe en daalde de kindersterfte met 39%. De Britten schreven dit toe aan de moderne gezondheidszorg die de Joodse immigranten in Palestina introduceerden[7].
Britse Hoge-Commissarissen [bewerken]
| Naam | Periode |
|---|---|
| Sir Herbert Louis Samuel | 1920–1925 |
| Herbert Onslow Plumer | 1925–1928 |
| Sir Harry Charles Luke (interim) | 1928 |
| Sir John Chancellor | 1928–1931 |
| Arthur Grenfell Wauchope | 1931–1938 |
| Sir Harold MacMichael | 1938–1944 |
| Viscount John Vereker | 1944–1945 |
| Sir Alan G. Cunningham | 1945–1948 |
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Zie de categorie British Mandate of Palestine van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
| Mandaatgebieden van de Volkenbond 1920-1945 |
|---|
|
A-mandaten: Mesopotamië · Palestina · Syrië (Alawietenstaat · Alexandretta · Aleppo · Damascus · Dzjebel ed-Droez · Groot-Libanon · Staat Syrië · Syrische Federatie) |