Mandaatgebied Palestina

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Mandaatgebied Palestina
 Ottomaanse Rijk 1920–1948 Israël 
Jordanië 
Palestijnse regering (1948-1959) 
Palestine-Mandate-Ensign-1927-1948.svg
Kaart
PalestineAndTransjordan.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Jeruzalem
Oppervlakte 26.990 km² (inclusief Transjordanië: 116.332 km²)
Bevolking exclusief Transjordanië:
752.048 (1922)
1.912.112 (1946)
inclusief Transjordanië:
1.455.000 (1922)
Talen Arabisch,Hebreeuws,Engels
Religie(s) islam, jodendom, christendom

Het Mandaatgebied Palestina, of Brits Mandaat Palestina, was een A-mandaat van de Volkenbond dat toevertrouwd werd aan het Verenigd Koninkrijk gecreëerd na de Eerste Wereldoorlog toen het Ottomaanse Rijk in 1920 gesplitst werd bij de Vrede van Sèvres. In Klein-Azië werden vier mandaatgebieden gevormd. De Britten controleerden de mandaatgebieden Palestina en Mesopotamië (het huidige Irak), en de Fransen Libanon en Syrië. Het Mandaat eindigde op 15 mei 1948.

Geschiedenis[bewerken]

Kaart VN Verdelingsplan voor Palestina, (1947)
Joodse staat: 56,4%
Arabische staat: 42,9%
Jeruzalem: 0,7%

De mandaatstekst[1] werd vastgesteld op 24 juli 1922. Op dat moment waren de grenzen van het mandaat nog niet definitief bepaald. In artikel 2 van het mandaat werd vastgelegd dat Groot-Brittannië verantwoordelijk was voor het scheppen van condities voor de ontwikkeling van een Joods nationaal tehuis en ook voor de bescherming van de burgerlijke en religieuze rechten van alle inwoners van Palestina, ongeacht ras of godsdienst. In artikel 25 werd vastgelegd dat de mandataris de bepalingen van het mandaat met betrekking tot deze rechten in het gebied ten oosten van de Jordaan niet hoefde toe te passen als de lokale omstandigheden dit niet toelieten, zolang echter daarbij artikelen 15, 16 en 18 niet geschonden werden.

In september 1922 presenteerde Groot-Brittannië een memorandum aan de Volkenbond waarin werd voorgesteld het gebied ten oosten van de Jordaan uit te sluiten van Joodse immigratie. Op 23 september stemde de Volkenbond daarmee in.

Op 25 mei 1923 werd het mandaatgebied door Groot-Brittannië bestuurlijk gesplitst en werd Abdoellah I van Jordanië benoemd tot emir van Transjordanië, het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan. Op 25 mei 1946 werd Transjordanië onafhankelijk.

De Joodse immigratie naar Palestina leidde tot gewelddadige protesten van de Arabische bevolking. In 1920 vielen Arabische Palestijnen tijdens het islamitische Nebi Musa-feest de Joodse bevolking in Jeruzalem aan. Hierbij vielen 5 doden en 211 gewonden. Bij tussenkomst van Britse troepen werden 4 Arabieren gedood en 21 gewond.[2] Tijdens onlusten in Jaffa op 1 mei 1921 werden tijdens protesten 47 Joden gedood en 146 verwond, merendeels door Arabisch geweld. Aan Arabische kant vielen bij het herstellen van de orde door Britse troepen en de politie 48 doden en 73 gewonden.[3][4]

Tot 1929 bleef het relatief rustig, maar in augustus 1929 laaide het geweld weer op. Hierbij vielen aan Joodse kant 133 doden en 339 gewonden. Aan Arabische kant vielen, merendeels door ingrijpen van politie en militairen, 116 doden en 232 gewonden.[5]

Na Hitlers machtsovername van 1933 in Europa nam de Joodse immigratie zeer sterk toe. In 1936 brak de grote Arabisch-Palestijnse opstand uit tegen het Britse gezag en tegen de Joodse immigratie. Deze gewapende opstand werd geleid door het Arabisch Hoge Comité, voorgezeten door Amin al-Hoesseini. Er werden bomaanslagen gepleegd op de oliepijpleiding van Kirkoek naar Haifa en op spoorlijnen en treinen. Ook werden Joodse nederzettingen en Joods-Palestijnse burgers aangevallen. In deze periode verlieten 20.000 - 30.000 Arabieren Palestina, op de vlucht voor het ook onderlinge Arabische geweld, waarmee een aanzienlijk deel van de Palestijnse elite verdween. Als reactie op de aanvallen op de Joodse gemeenschap begon ook deze zich te bewapenen. De Britten werkten inofficieel samen met de Haganah en vormden de Jewish Settlement Police, de Jewish Auxiliary Forces en de Special Night Squads. De Joodse organisatie Etsel (ook bekend als Irgun) koos voor een tactiek van terreur en vergelding: zij pleegden aanslagen op een Arabische bus en op de markt van Haifa en in Jaffa en Jeruzalem. De Arabische opstand werd financieel ondersteund door nazi-Duitsland.[6] Aan het eind van de opstand in maart 1939 waren meer dan 5000 Arabieren, 400 Joden en 200 Britten om het leven gekomen.[7]

Op 17 mei 1939 publiceerde Groot-Brittannië het MacDonald White Paper met daarin de volgende punten:

  • Binnen 10 jaar zou een Arabisch-Joodse eenheidsstaat in Palestina moeten worden gesticht. Hiermee werd het concept verlaten van het Joodse Nationaal Tehuis dat ten grondslag lag aan het Britse mandaat.
  • De Joodse immigratie werd beperkt tot 25.000 eenmalig en 10.000 per jaar over een periode van 5 jaar.
  • Verdere immigratie na die periode van vijf jaar wordt afhankelijk gemaakt van toestemming van de Arabische gemeenschap.

Dit White Paper vormde de basis van het Britse beleid tot 1948.

De zionistische beweging streefde naar het uitroepen van een Joodse staat in het resterende mandaatgebied Palestina, het gebied ten westen van de Jordaan. Na de machtsovername door de nazi's in Duitsland was de emigratie sterk toegenomen en ook na de Tweede Wereldoorlog probeerden overlevenden van de naziconcentratiekampen massaal naar Palestina te emigreren. Het Britse bestuur hield vast aan strikte immigratiequota, maar de diverse zionistische bewegingen, zoals Jewish Agency for Israel organiseerden op grote schaal illegale immigratie en charterden voor de overlevenden van de concentratiekampen 66 schepen, die voor een groot deel door de Britse marine werden onderschept en naar Cyprus werden gestuurd. Het Britse bestuur werd bestreden met bomaanslagen, door Hagana en Etsel, waaronder de bomaanslag op het Koning Davidhotel, het hoofdkwartier van het Britse Bestuur, door Etsel op 22 juli 1946, die aan 91 mensen het leven kostte en de Haganah-aanslag op het SS Ocean Vigour, waarmee de illegale Joodse immigranten naar Cyprus werden gedeporteerd.[8]

In maart 1946 verklaarde Abdul Rahman Hassan Azzam namens de Arabische Liga de zionistische claim op Palestina te verwerpen en te beschouwen als kolonialisme.[9]

Verdelingsplan van de Verenigde Naties[bewerken]

Groot-Brittannië had aan de Verenigde Naties laten weten dat zij hun mandaat over Palestina wilden beëindigen. De Verenigde Naties stelden daarom op 15 mei 1947 een United Nations Special Committee on Palestine (UNSCOP) in. Op 3 september kwam dit comité met een verslag, waarin het volgende verdelingsplan van het mandaatgebied Palestina was opgenomen:[10]

Gebied Arabische bevolking
incl. alle niet-Joodse inwoners
 % Arabisch Joodse bevolking  % Joods Totale bevolking
Arabische staat 725.000 99% 10.000 1% 735.000
Joodse staat 407.000 45% 498.000 55% 905.000
Jeruzalem
(Internationaal bestuur)
105.000 51% 100.000 49% 205.000
Totaal 1.237.000 67% 608.000 33% 1.845.000

De Arabische staat, die 42,9% van het grondgebied van het mandaatgebied zou beslaan, bestond uit het hoogland (met uitzondering van Jeruzalem) en ongeveer een derde van de kustlijn van de Middellandse Zee. In dit hoogland lagen de belangrijkste aquifers van Palestina die de kustvlakte van en steden als Tel-Aviv van water voorzagen.
Aan de Joodse staat zou 56,4% van het grondgebied van het mandaatgebied worden toegewezen. Deze bestond uit de Sjaron, de Vlakte van Jizreël en de noordelijke Jordaanvallei. Het grootste deel van het voorgestelde grondgebied van de Joodse staat zou worden gevormd door de Negev-woestijn, die destijds noch voor de landbouw, noch voor stedelijke ontwikkeling geschikt was. Hiermee kreeg de Joodse staat een toegang tot de Rode Zee.
De stad Jeruzalem en omgeving, waar de belangrijkste religieuze locaties van het land waren, zou een internationale status krijgen en door de Verenigde Naties zou worden bestuurd.

Dit verdelingsplan werd ingediend bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Na hevig gelobby van voor- en tegenstanders nam de Algemene Vergadering het verdelingsplan in Resolutie 181 van 29 november 1947 aan met 33 stemmen voor, 13 tegen en 10 onthoudingen. Onder voorstemmers waren de meeste Europese landen, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, onder de tegenstanders waren de Arabische landen en Groot-Brittannië was een van de landen die zich van stemming onthielden. Deze resolutie werd aangenomen 'without reference to a Committee'[11] (meer over de betekenis hiervan [12])

Arabisch-Israëlische oorlog[bewerken]

Van Arabische zijde werd resolutie 181 veroordeeld als zeer onrechtvaardig. De Joodse gemeenschap, georganiseerd in de Jewish Agency onder leiding van David Ben-Goerion, stemde er wel mee in. De gewelddadigheden tussen de Joodse en de Arabische bevolking kwamen toen in een stroomversnelling. In januari 1948 kwam een Arabisch vrijwilligerslegioen de Arabische Palestijnen te hulp. De voorzitter van de Arabische Liga, Abdul Rahman Hassan Azzam, reageerde in oktober 1947 op de voorgestelde verdeling van Palestina en gaf het Arabische standpunt aan: "Het zal een oorlog zijn van uitroeiing en van reusachtige slachting, waarover gesproken zal worden zoals over de Mongoolse bloedbaden en de kruistochten."[13] Op 11 december 1947 verklaarde Groot-Brittannië dat het mandaat zou eindigen op 14 mei 1948 en dat de enige activiteit de terugtrekking zou zijn voor 1 augustus 1948.[14] Op 14 mei 1948 riep het Jewish Agency de onafhankelijke staat Israël uit. Op 15 mei escaleerde de toen al hevige burgeroorlog verder tot een echte oorlog toen de reguliere legers van de Arabische landen Palestina binnenvielen in een poging de opdeling van Palestina en de stichting van Israël te verhinderen. Tijdens die oorlog, die nadien de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 zou genoemd worden, werden 700.000 tot 900.000 Arabische Palestijnen van hun woongebieden verdreven of vluchtten, waardoor het Palestijnse vluchtelingenprobleem ontstond[15] en dat nu jaarlijks herdacht wordt als de Al-Nakba.

Bij de wapenstilstand van 1949 besloeg de nieuwe staat Israël 77% van het grondgebied van het voormalige mandaatgebied Palestina. Transjordanië hield 22% van het gebied bezet (de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem) en annexeerde dat in 1950, waarbij de naam Transjordanië gewijzigd werd in Jordanië. Israël werd door een groot aantal landen erkend en werd op 11 mei 1949 lid van de Verenigde Naties. In het verdelingsplan van de Verenigde Naties werd Jeruzalem als een aparte entiteit gezien, die onder bestuur van de VN zou moeten komen. De annexatie van West-Jeruzalem door Israël en van Oost-Jeruzalem door Jordanië werd niet erkend in enig internationaal verdrag, maar slechts de facto erkend in de wapenstilstandsovereenkomsten. Israël werd door de Arabische wereld niet erkend, maar wel door Turkije. De annexatie van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem door Transjordanië werd alleen erkend door Groot-Brittannië en Pakistan. De door Egypte bezette Gazastrook had een Palestijnse regering. Deze regering werd erkend door Egypte, Syrië, Libanon, Irak, Saoedi-Arabië en Jemen, maar niet door Transjordanië, noch door enig ander land.

In 2014 worden beide staten erkend door de meerderheid van de 193 landen die lid zijn van de UN: Israel wordt door 161 (83%) landen erkend, en Palestina wordt door 135 (70%) landen erkend.

Bevolking[bewerken]

In de jaren van het Britse mandaat groeide de bevolking sterk. Deze nam toe van 757.182 in 1922 tot 1.764.526 in 1945[16].

In deze periode groeide de niet-Joodse bevolking sterk: van 668.258 in 1922 tot 1.237.334 in 1946.[17] De belangrijkste factor in deze bevolkingsgroei was de daling van het sterftecijfer en de toegenomen levensverwachting. Onder de moslimbevolking daalde de kindersterfte van 201/1000 in 1925 tot 94/1000 in 1945, terwijl de levensverwachting in deze bevolkingsgroep steeg van 37 jaar in 1926 tot 49 jaar in 1943.[18] De Britten schreven dit toe aan de moderne gezondheidszorg die de Joodse immigranten in Palestina introduceerden.[19]

De Joodse bevolking groeide eveneens sterk: van 83.790 in 1922 tot 608.225 in 1946[17], voor een groot deel als gevolg van de Joodse immigratie.[20] Het geboortenoverschot van de Joodse bevolking bedroeg van 1922 tot eind 1944 117.226 personen.[21]

Tijdens de burgeroorlog, die vanaf 1947 in het mandaatgebied woedde, kwam een vluchtelingenstroom op gang. Eind maart 1948 waren al 100.000 Arabieren uit de stedelijke hogere en middenklasse vertrokken uit Jaffa, Haifa, Jeruzalem en uit gebieden die aan de Joodse staat waren toegewezen. Zij vertrokken naar Arabische plaatsen als Nazareth, Nabloes en Bethlehem of vertrokken naar het buitenland.[22]

Immigratie[bewerken]

In de periode van het Mandaat vond een omvangrijke immigratie plaats.

Tussen 1920 en 1945 vestigden zich volgens officiële Britse cijfers 401.149 mensen in Palestina, onder wie 367.845 Joden (91,7%).[23]

Behalve legale Joodse immigratie vond er tussen 1945 en 1948 ook illegale Joodse immigratie plaats. Arabische Illegale migratie uit omliggende landen, was marginaal. Het betrof veelal ongeregistreerde seizoenarbeiders die ook weer vertrokken.[24][25]

Grondbezit[bewerken]

Van het Palestijnse grondgebied ten westen van de Jordaan was 8253 km², ruwweg een derde, geschikt voor de landbouw. Aan het begin van het Britse mandaat was een groot deel daarvan in bezit bij Arabische grootgrondbezitters en lokale sjeiks. Daarnaast was er ook grondbezit van christelijke organisaties, met name de Grieks-orthodoxe kerk, en bij zionistische organisaties. Een erfenis van de Ottomaanse periode was dat de registratie van het grondbezit niet goed geregeld was. Vanuit de zionistische organisaties bestond een toenemende vraag naar landbouwgrond. De Arabische grootgrondbezitters, die vaak buiten het mandaatgebied woonden, waren bereid om grond te verkopen aan het Joods Nationaal Fonds. De lokale boerenbevolking raakte daarbij landloos, hetgeen tot spanningen in het land leidde. Als vervolg op het MacDonald White Paper van 1939 voerden de Britten in 1940 de Land Transfer Regulations in. Het land werd verdeeld in drie zones: in zone A (16.680 km²) mocht land alleen aan Palestijnse Arabieren worden verkocht; in zone B (8348 km²) mochten Arabieren alleen land verkopen aan Joden met toestemming van de Britse overheid; in de rest van het land (1292 km²) kon het land vrijelijk worden verkocht. Aan het eind van het Britse mandaat was in het gebied dat uiteindelijk de staat Israël zou vormen 9% van het land in Joods bezit, 3% van het land in het bezit van de lokale Arabische bevolking, 18% in bezit bij Arabieren die het land verlaten hadden en 70% was "Public land" van het Britse mandaat.[26]

Britse hoge-commissarissen[bewerken]

Naam Periode
Sir Herbert Louis Samuel 1920–1925
Herbert Onslow Plumer 1925–1928
Sir Harry Charles Luke (interim) 1928
Sir John Chancellor 1928–1931
Arthur Grenfell Wauchope 1931–1938
Sir Harold MacMichael 1938–1944
Viscount John Vereker 1944–1945
Sir Alan G. Cunningham 1945–1948


Zie ook:[bewerken]

Externe link[bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Mandaatstekst
  2. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 17
  3. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 18
  4. Tom Segev: One Palestine Complete, pg. 173 - 202
  5. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 24
  6. Mallmann, Klaus-Michael en Cüppers, Martin (2006), Halbmond und Hakenkreuz. Das Dritte Reich, die Araber und Palästina, Darmstadt, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, p. 61
  7. Aljazeera: The history of Palestinian revolts
  8. Halamish, Aviva:The Exodus Affair: Holocaust Survivors and the Struggle for Palestine Syracuse University Press (1998), p. 211
  9. Quoted Richard H.S. Crossman, Palestine Mission: A Personal Record, NY, Harper & Brothers, 1947, pp. 109–110
  10. UNSCOP-rapport van 3 september 1947: CHAPTER 4: A COMMENTARY ON PARTITION
  11. Resolution 181 (II). Future government of Palestine zie onder Notes punt 2
  12. 1948 LEST WE FORGET – Palestine and the Nakba - Resolution 181: The Partition Resolution of 29 November 1947
  13. David Barnett en Efraim Karsh (2011), "Azzam's Genocidal Threat" in Middle East Quarterly, Fall 2011, pg. 85-88
  14. Roza El-Eini (2006) Mandated landscape: British imperial rule in Palestine, 1929–1948. Abindon: Routledge
  15. The expulsion of the Palestinians re-examined
  16. Population British Mandate
  17. a b UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946
  18. The Arabs in Palestine
  19. Malcolm MacDonald (staatssecretaris van Koloniën), Rede tot het Britse Lagerhuis, 24 november 1938
  20. [McCarthy (1995). The population of Palestine: population history and statistics of the late Ottoman period and the Mandate. Princeton, N.J.: Darwin Press.] Immigration accounted for most of the increase of Jewish population, while the non-Jewish population increase was largely natural
  21. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 142
  22. Benny Morris (2004) The Birth of the Palestinian Refugee Problem Revisited Cambridge University Press, p. 67
  23. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 185
  24. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 210 e.v.
  25. [McCarthy (1995). The population of Palestine: population history and statistics of the late Ottoman period and the Mandate. Princeton, N.J.: Darwin Press.] pp. 212: "The conclusion is that Arab illegal immigration for the purpose of permanent settlement is insignificant".
  26. Moshe Aumann (1975) "Land Ownership in Palestine 1880 - 1948" in Michael Curtis, Joseph Neyer, Chaim Waxman, Allen Pollack eds., The Palestinians: People, History, Politics. New Brunswick, N.J.: Transaction Books, p. 29.