Geschiedenis van Israël

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg De geschiedenis van het moderne Israël betreft het ontstaan en de ontwikkeling van de staat Israël (Hebreeuws: מדינת ישראל, Medinat Yisrael). Voor de geschiedenis van de regio die bekend staat als de Levant of Palestina, zie Geschiedenis van Palestina (regio).
Vlag van Israël

De staat Israël werd in 1948 gesticht na bijna 2000 jaar Joodse diaspora en 55 jaar van zionistische actie. In de 60 jaar na de onafhankelijkheid waren er conflicten en oorlogen met de Arabische buurlanden, maar Israël heeft ook vaak onderhandeld over vrede. In Israël overleefde de democratie onder moeilijke omstandigheden en het land kende welvaart ondanks oorlog, etnische en religieuze conflicten, internationale boycots, massale immigratie en terreuraanvallen. Sinds de oprichting van de zionistische beweging verhuisde een steeds groter deel van de Joodse wereldbevolking naar Israël. In 2000 woonde ongeveer 40% van alle Joden in Israël.[1]

Opkomst van het zionisme[bewerken]

In de 19e eeuw ontstond er onder seculiere Joden van Oost-Europa een ideologie, zionisme genaamd, die streefde naar het stichten van een nationale Joodse staat. Het zionisme was een antwoord op enerzijds de voortdurende antisemitische vervolgingen waaraan Joden in Europa blootstonden en anderzijds de angst voor het verdwijnen van de Joodse cultuur doordat onder invloed van de verlichting steeds meer Joden wilden assimileren. Het zionisme is sterk geïnspireerd door het nationalisme en de romantiek, stromingen die gedurende de 19e eeuw in zwang waren. Als locatie voor dit project werd vooral aan de landstreek Palestina gedacht, aangezien men dit zag als de geboortestreek van het Jodendom.

Balfour-verklaring en Brits Mandaat 1917-1930[bewerken]

Joodse bewoners van Jeruzalem op een foto uit 1895, uit: Funk en Wagnalls: Jewish Encyclopedia 1901-1906
Palestijns meisje uit Ramallah, foto Amerikaanse kolonie in Jerusalem, tussen 1889 en 1914.

Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog en met de capitulatie van het Ottomaanse Rijk nabij wordt op 2 november 1917 in het Verenigd Koninkrijk de Balfour-verklaring uitgegeven. Hierin zegt de Britse overheid de Joden steun toe voor de stichting van een Joods nationaal tehuis in Palestina. Generaal Edmund Allenby verslaat in 1918 de Ottomaanse troepen in Palestina en de Britten vestigen er hun gezag. De Conferentie van San Remo en de Volkenbond nemen de Balfour-declaratie in 1920 over en verklaren haar tot internationaal geldend recht.

Gesteund door deze ontwikkelingen neemt de Joodse immigratie naar Palestina in de periode 1919-1923 toe. 35.000 Joden vestigen zich in het gebied waarmee hun aandeel in de totale bevolking groeit tot 12%. Het Eerste Palestijns-Arabische Nationale Congres in Jeruzalem wijst enerzijds de Balfour-verklaring af en eist aan de andere kant tevergeefs de heropname van Palestina in de voormalige Ottomaanse provincie van Groot-Syrië.

De Arabieren beschouwen het trekken van een grens tussen het Franse mandaat over Syrië/Libanon en het Britse mandaat over Palestina als een Am al-Nakba (catastrofe of rampjaar)(niet te verwarren met de al-Nakba van 1948 als gevolg van de uitroeping van de Joodse staat en de daaropvolgende verdrijving van de Palestijnen). Een jaar later wordt het Britse militaire bestuur vervangen door een civiel bestuur onder leiding van de Joods-Britse diplomaat Herbert Samuel. Na een aantal bloedige aanvallen op Joodse nederzettingen wordt, met toestemming der Britten, de paramilitaire Hagana opgericht om Joden tegen Arabisch geweld te beschermen. Zij vormt de basis van het latere Israëlische leger (IDF, Israel Defense Force). In 1920 vonden in Jeruzalem (Nebi Musa-pogrom) en in 1921 in Jaffa grootschalige anti-Joodse rellen plaats. Tientallen mensen komen daarbij om het leven.

In 1922 wordt door de Volkenbond officieel aan de Britten het mandaat over Palestina gegeven waarbij een groot gebied ten oosten van de Jordaan is inbegrepen. In 1946 wordt dit oostelijke deel onder de naam Transjordanië een onafhankelijke Arabische staat. De Joodse immigratie wordt er verboden. De bevolking van Palestina is begin jaren twintig 78% moslim, 11% Joods en 9,6% christen. In de jaren tot 1928 neemt het aandeel Joden toe tot 16% van de bevolking na een instroom van 67.000 personen. De Palestijnse Arabieren bestaan uit arme pachtboeren, die in de 19e eeuw hun land hebben moeten verkopen door de Ottomaanse belastingdruk. De elite heeft weinig contact met hen en bestaat uit een aantal families in de steden, die voornamelijk twee ruziënde facties vormen: de Husseini's en de Nashashibi's.

In 1929 komt het in Jeruzalem tot een conflict over de toegang van Joden tot de Klaagmuur. De hoogste leider der Arabieren in Palestina, Amin al-Hoesseini, laat het gerucht verspreiden dat Joden de Tempelberg willen veroveren. Vervolgens breken in Jeruzalem, Safed en Hebron gevechten uit waarbij 133 Joden worden vermoord. Britse troepen uit Egypte worden ingezet om de onlusten te onderdrukken en 116 Arabieren komen om bij de aanhoudende gevechten.[2] In 1930 beveelt een Britse onderzoekscommissie onder leiding van Shaw naar aanleiding van de rellen van 1929 onder meer een beperking van de Joodse immigratie aan alsmede een betere bescherming van de niet-Joodse bevolking.[3] Boycotacties over en weer zorgen voor een opdeling van de Palestijnse economie in een Joodse en een Arabische sector.

Opkomst van het nazisme in Europa[bewerken]

Dode gevangenen van het kamp Mittelbau-Dora (Lager Nordhausen), waar veel Joden gevangen zaten. Tijdens de Holocaust kwamen tussen de vijf en zes miljoen Joden om het leven

De nationaalsocialistische regering van Adolf Hitler, die in 1933 in Duitsland de macht grijpt, voert anti-Joodse maatregelen in, in de door Duitsland beheerde gebieden. (Zie bijvoorbeeld de Kristallnacht). Ruim 50.000 Joden ontvluchten nazi-Duitsland en een groot deel hiervan trekt naar Palestina door gebruik te maken van het Ha'avara-Abkommen van 1933. Slechts een deel van de Joden wordt opgevangen; het merendeel wordt teruggestuurd.[4]

Opstand en vroege delingsplannen[bewerken]

Tussen 1936 en 1939 breekt de Arabisch-Palestijnse opstand uit. Arabieren organiseren een algemene staking tegen het Britse bestuur en de Joodse inwoners van Palestina. De staking slaat al snel om in een volksopstand en de gewelddadigheden worden hardhandig door de Britten neergeslagen. Ruim 5.000 Arabieren, 400 Joden en 200 Britten komen hierbij om. In reactie op de Arabische opstand leggen de Britten beperkingen op aan de Joodse instroom in Palestina. De leider van de Husseini-partij Amin al-Hoesseini vlucht en werkt tenslotte in Berlijn samen met het naziregime door antisemitische propaganda-uitzendingen te verzorgen. De leiders van gematigde partij van de Nashashibi's blijft in Palestina.

In 1937 adviseert de commissie-Peel, die door de Britten in het leven was geroepen om over de situatie in Palestina te oordelen, om Palestina op te delen in twee delen waarbij één derde een Joodse staat zou moeten worden. De Britse regering neemt dit plan vanwege Arabische tegenstand niet over. In 1939 neemt het Britse Lagerhuis het MacDonald White Paper aan waarbij de Joodse immigratie in Palestina wordt beperkt en de Palestijnen zelfbestuur in het vooruitzicht wordt gesteld. Kort hierop breekt de Tweede Wereldoorlog uit. De Duitse heerschappij over grote delen van Europa leidt tot de Holocaust (in Israël de Shoah genoemd). Bij de systematische vervolging van en moord op de Europese Joden komen naar schatting tussen vijf en zes (5,3 à 6,1) miljoen Joden op brute wijze om het leven.

Na de oorlog wordt de roep om een Joodse staat luider. Ook in Palestina komt er meer verzet, van beide zijden, tegen de Britten. Zo komen bij een Bomaanslag op het Koning Davidhotel, gepleegd door de Irgoen-militie van de latere Israëlische premier Menachem Begin, 91 mensen om het leven.

Delingsplan Verenigde Naties[bewerken]

Het VN-delingsplan voor Palestina (1947)
Geel: Arabische staat (42,9%)
Oranje: Joodse staat (56,4%)
Wit: Internationaal statuut (0,7%)

Op 29 november 1947 stemt de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in met het plan van de internationale UNSCOP-commissie (United Nations Special Comité on Palestine) voor de opdeling van het mandaatgebied Palestina in verschillende delen: een Israëlisch, Arabisch en internationaal bestuurd deel (Jeruzalem en Bethlehem). De Joodse gemeenschap (die zich Yishuv noemde) zou krijgen

  1. Oost-Galilea met Safed en Tiberias,
  2. de vruchtbare kustvlakte van in het noorden Haifa tot voorbij Tel Aviv in het zuiden en
  3. het grootste deel van de Negevwoestijn.

De Arabische Palestijnen krijgen toegewezen

  1. West-Galilea met Acre en Nazareth,
  2. de Westoever van de Jordaan tot Beersheba in het zuiden
  3. de Gazastrook met Isdud en Rafah en een aansluitende strook van de Negev langs de Egyptische grens tot 30 km voorbij El Auja.

Internationaal toezicht door de VN op de raakpunten ("kissing points", bruggen en onderdoorgangen) van de samenstellende delen zou ervoor zorgen dat elke staat een aaneengesloten gebied vormde. Van de 1,6 miljoen inwoners is op dat moment 1 miljoen Arabier en 600.000 Jood. Het land is grotendeels publiek bezit van het Britse mandaatsgezag. 16,5% is in handen van Arabieren die elders in de Arabische wereld (onder andere Beiroet en Damascus) wonen. De Joden hebben 8,6% van het land in handen terwijl de lokale Arabische bevolking 3,3% bezit.[5]

In het voor de Joodse staat bedoelde deel vormen Joden met 55% van de bevolking (niet meegerekend 90.000 nomadische bedoeïenen die er een deel van het jaar verbleven)[6] een meerderheid. De Joodse leiding wilde aanvankelijk heel Palestina, maar accepteert de VN-deling, de Palestijnse leiding niet en vrijwel onmiddellijk breekt er een burgeroorlog uit tussen Joden en Arabieren.

Burgeroorlog november 1947 - mei 1948[bewerken]

De kritische Israëlische historicus Morris onderscheidt in zijn boek 1948 twee perioden tot 15 mei 1948:

  1. november 1947 - maart 1948. Een guerrillaoorlog breekt uit, waarin Palestijnse milities de overhand hebben Zij worden gesteund door 6000 tot 8000 vrijwillige strijders van buiten Palestina, vooral uit Egypte, Syrië en Irak die het Arab Liberation Army onder leiding van Fawzi al-Qawuqji) kwamen versterken. De Joodse Haganah-militie stelt zich defensief op, door gebrekkige organisatie en later om de vertrekkende Britse militairen niet te provoceren.
  2. april - mei 1948. De Haganah gaat in het offensief om strategische posities te verwerven met het oog op de verwachte invasie van buitenlandse Arabische legers op 15 mei 1948. Onder meer worden de corridor Tel Aviv-Jeruzalem en de steden Haifa, Jaffa en Tiberias veroverd. Vooral na half mei 1948 kwamen meer dan 4000 buitenlandse joodse en niet-joodse vrijwilligers het Israëlische kamp versterken: onder meer piloten, zeelui en specialisten in communicatie en tanks.

Een groot deel van de Arabische bevolking vlucht voor het geweld of wordt verdreven. Tussen 4 april en 10 mei 1948 voert het Joodse leger het Plan-Dalet uit dat de gebieden die aan de Joodse staat waren toegekend moest verdedigen en ook hierbuiten plaatsen met Joodse bevolkingsconcentraties moest innemen. Het plan stelt het als volgt:

"Het doel van het plan is om de macht te verkrijgen over gebieden van de Joodse staat en de grenzen te verdedigen. Tevens is het streven macht te verkrijgen over Joodse nederzettingen en bevolkingsconcentraties buiten dit gebied (dat aan de Joodse staat was toebedeeld) van reguliere, semi-reguliere en kleine troepenmachten van binnen en buiten de staat".

Sommige bronnen voeren aan dat Plan-Dalet met name het verdrijven van zo veel mogelijk inheemse Arabieren tot doel had.[7][8][9][10] Andere bronnen halen oproepen van Arabische leiders aan (die de Arabische bevolking opriepen tijdelijk te vluchten in afwachting van de verwachte Arabische overwinning) als verklaring voor het massaal vluchten van de Arabische bevolking.

Op 9 april 1948 werd in het dorp Deir Yassin door de Joodse milities Irgoen, Lehi en Hagana een bloedbad aangericht waarbij naar schatting 135 tot 145 Arabische burgers werden vermoord. De bezetting van Deir Yassin maakte deel uit van de campagne om de verbinding van Tel Aviv naar West-Jeruzalem open te houden. Hierop nam het aantal Arabische vluchtelingen verder toe. Op 12 mei 1948 werden ongeveer honderd Joodse bewoners van het Kfar Etzion-blok van kibboetsen ten zuiden Jeruzalem na overgave vermoord door Arabische milities.

Het Britse gezag werkte niet mee aan het voorbereiden van de deling van Israël: de VN Implementation Comité mag pas per 1 mei 1948 Palestina in, twee weken voor het eind van het Britse Mandaat en dus veel te laat.

Israëlische onafhankelijkheidsverklaring 14 mei 1948[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg zie ook: Israëlische onafhankelijkheidsverklaring
David Ben-Goerion roept de staat Israël uit op 14 mei 1948 in Tel Aviv. Op de achtergrond het portret van Theodor Herzl.

Op 15 mei 1948 loopt het Britse mandaat voor Palestina af. In anticipatie hierop roept het Joods Agentschap een dag eerder de staat Israël uit.[11] De Amerikaanse president Truman erkent Israël binnen een half uur de facto; formele erkenning zal tot 1949 op zich laten wachten. De Sovjet-Unie en vrijwel al haar satellietstaten alsook Zuid-Afrika en Ierland erkennen Israël vrijwel onmiddellijk volledig. De Sovjet-Unie draagt er zorg voor, dat Israël grootscheeps de wapens in Tsjecho-Slowakije kan kopen, die de komende strijd tussen Joden en Arabieren in het voormalige Mandaatgebied Palestina mede zullen beslissen.

Pan-Arabische invasie 15 mei 1948 en daaropvolgende oorlog[bewerken]

Direct na beëindiging van het Britse mandaat vallen 23.500 soldaten uit vijf Arabische landen (Egypte met onder meer Gamal Abdel Nasser als officier, Jordanië, Irak, Syrië en Libanon met vrijwilligers uit Soedan) de nieuwe staat aan.[12]

De Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 (ook wel Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog genoemd) is een feit. Israël zet hierop een vergelijkbare troepenmacht in, maar heeft een blijvend gebrek aan zware wapens. Israël heeft nog geen leger. De Israël Defence Forces worden pas na deze oorlog opgericht. Israël heeft enkel licht bewapende milities zonder tanks en vliegtuigen. De tanks die Israël weet te gebruiken zijn buitgemaakt op de Arabieren. De Arabische landen zijn goed bewapend met zwaar materieel afkomstig uit Duitsland, Frankrijk en Verenigd Koninkrijk.[13]

De oorlogsdoelen van Israël waren: 1. overleven 2. zo ruim mogelijke veilige grenzen 3. zo min mogelijk Arabieren binnen de grenzen, om politieke en militaire redenen (democratie met Joods overwicht, geen vijfde colonne binnen de grenzen). In de praktijk bleek het van lokale Israëlische commandanten af te hangen, of Palestijnse Arabieren mochten blijven (Morris, 1948). Sommige Arabieren streden aan de zijde van de Israëli's: de Druzen. De oorlogsdoelen van de Arabische legers, die niet onderling samenwerken, zijn 1. vernietiging van de staat Israël 2. verdrijving van de Israëli's en redding van de Palestijnen (Morris, 1948). Hun verlies komt voor een groot deel doordat de Arabische landen elkaar niet vertrouwden.[13]

De oorlog bestaat uit verschillende periodes van strijd, onderbroken door staakt-het-vuren bevolen door de VN:

  1. 15 mei - 11 juni 1948: Arabische legers vallen binnen, boeken successen - vooral het Jordaanse leger - maar worden tot staan gebracht door de Israëlische IDF. Alleen het Jordaanse leger is goed getraind en beschikt over Britse officieren, maar heeft het beperkte doel om de westelijke Jordaanoever en oostelijk Jeruzalem aan Jordanië toe te voegen. Het Egyptische leger verovert enkele kibboetsen en verwoest die en verjaagt de bewoners. Maar het Egyptische leger komt tot staan bij Isdud, ten zuiden van Tel Aviv. Libanon stuurt tenslotte geen soldaten, Syrië boekt enkele kleine successen in Galilea, terwijl de Irakezen rond Jenin met moeite standhouden.
  2. 11 juni - 9 juli 1948: Eerste wapenstilstand. De VN kondigt een wapenembargo af voor alle partijen. Alleen Israël weet dit te ontduiken. Zodoende gaat zij versterkt de volgende periode in, terwijl ook de organisatie en omvang van de IDF verbeterd is. De andere strijdende partijen krijgen tekort aan munitie.
  3. 8 juli - 18 juli 1948: de Tien Dagen: Egypte schendt het bestand op 8 juli en valt aan, een dag voor het einde. Israël verovert onder meer Nazareth, Lydda en Ramla, maar slaagt er niet in de Syriërs uit het noorden te verdrijven.
  4. 18 juli - 15 oktober 1948: Tweede wapenstilstand, waarin Israël toch gebieden ten zuiden van Haifa en Tel Aviv weet te bezetten. De VN-bemiddelaar Folke Bernadotte wordt vermoord door Israëlische dissidenten. Israël verbiedt Palestijnse vluchtelingen terug te keren.
  5. 15 oktober - 4 november 1948: Israël verovert Beersheba en daarmee de Negev-woestijn op het Egyptische leger, dat terug wordt gedreven in de Gaza-strook. In het noorden wordt de rest van Galilea veroverd op de Syriërs en de Arab Liberation Army. Vele burgers kwamen om tijdens de strijd. (zie Morris, 1948).
  6. november - december 1948: in een laatste ronde gevechten rondt Israël het grondgebied af. Zij bezet een strook van Zuid-Libanon en heeft tijdelijk Egyptisch gebied bezet, tot Groot-Brittannië en de VS protesteren. Israël zendt twee expedities naar de Golf van Aqaba die geen weerstand ontmoeten. Zo bemachtigt Israël een uitgang naar de Rode Zee.

Israël heeft gewonnen, ongeveer 4500 soldaten en 1500 burgers verloren (1% van haar bevolking). De Arabische legers zijn vooral teruggeslagen en Israël veroverde ongeveer 400 van de 800 Palestijnse dorpen en steden. De verloren oorlog wordt door de Arabieren omschreven als de Al-Nakba (de Ramp). De meeste Arabische vluchtelingen zijn vertrokken als gevolg van oproepen van de Arabische landen. Deze vonden het handiger als deze tijdelijk zouden vertrekken zodat er minder kans was op vriendelijk vuur. De vluchtelingen werd beloofd dat ze terug zouden keren nadat de Joden waren verdreven. Ook Arabische propaganda over joden welke de Arabische bevolking angstig maakte over Joden speelde mee.[13]

In 1949 worden wapenstilstanden (geen vredesakkoorden) afgesloten tussen enerzijds Israël en anderzijds de Arabische landen (uitgezonderd Irak, dat formeel nog steeds op voet van oorlog verkeert met Israël). Vrede sluiten wordt door de Arabieren als verraad gezien. Staatshoofden die dit later deden of probeerden - koning Abdullah van Jordanië en Anwar Sadat van Egypte - werden daarom vermoord.

Israël heeft aan het eind van de vijandelijkheden een gebied in handen dat 22% groter was dan wat oorspronkelijk aan de Joodse staat was toegekend. Zevenhonderdduizend Arabieren zijn dan al voor en tijdens de gevechten verdreven, gevlucht of vertrokken naar de Westelijke Jordaanoever, Gazastrook en Libanon, alwaar zij in vluchtelingenkampen terechtkomen. Israël biedt aan een deel van de vluchtelingen terug te nemen, maar dit aanbod wordt afgewezen door de Arabische landen. Deze houden om politieke redenen de vluchtelingenkampen met steun van de VN in stand en bemoeilijkten vaak hun integratie in de gastlanden, behalve in Jordanië. Israël staat op het standpunt dat als de Arabieren de oorlog niet begonnen waren, de Palestijnen niet hadden hoeven vluchten. Inmiddels vormen de gebleven Arabieren zo'n 20% van de Israëlische bevolking (Morris, 1948, Pappe: A history of modern Palestine). Anderzijds is de meerderheid van de burgers van Jordanië van Palestijnse afkomst.

Nuvola single chevron right.svg Zie verder het artikel Palestijnse vluchtelingenprobleem

Uit veel landen in het Midden-Oosten migreren, dan wel vluchten vijf- tot zeshonderdduizend Joden naar Israël, enerzijds door de dreigende toespraken van onder andere Egyptische en Iraakse leiders en pogroms,[14][15][16][17] anderzijds vanwege verdrijving en etnische zuiveringen op Joden in deze landen.[18][19][20]

Op 11 december 1948 werd inmiddels door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 194 aangenomen waarin bepaald wordt dat de Palestijnse vluchtelingen die in vrede met hun buren willen leven het recht hebben om terug te keren naar hun huizen. De Arabische landen wijzen de resolutie af; Israël stemt in met de resolutie, maar voert hem niet uit daar er feitelijk nog immer sprake is van een staat van oorlog tussen Israël en haar buurlanden en er dus van vrede geen sprake was. De terugkeer van driekwart miljoen verdreven Palestijnen wordt door Israël sindsdien verhinderd. Israël vreest een paard van Troje en vindt het niet handig om de vijand binnen zijn grenzen te hebben.

Op 11 mei 1949 verleende de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met resolutie 273 het lidmaatschap van de VN aan Israël. Israël werd door een groot aantal niet-moslimlanden tussen 1948 en 1950 erkend. Turkije erkende Israël in maart 1949.

In 1950 nam het Israëlische parlement de Knesset de Wet op de Terugkeer aan dat alle Joden, van waar ook ter wereld, het recht verschaft zich in Israël te vestigen.[21] Dit maakte grootschalige immigratie van Joden uit Azië en Afrika mogelijk.

Suez-crisis 1956[bewerken]

In 1956 breekt als gevolg van de Egyptische nationalisatie van het Suezkanaal de Suezcrisis uit hetgeen leidt tot een oorlog tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en Israël enerzijds en Egypte anderzijds. Israël doet vooral mee omdat het politiek geïsoleerd is en op deze manier meer politieke en militaire steun hoopt te krijgen. Het land heeft bijvoorbeeld grote moeite om aan wapens te komen.[13] Israël verovert in deze oorlog de Sinaï om zodoende de scheepvaart door het Suezkanaal naar de havenstad Eilat weer mogelijk te maken. Bij de wapenstilstand van 1957 bedingt Israël vrije doorvaart door het kanaal en de stationering van een VN-troepenmacht in de Gazastrook. Het Israëlische leger trekt zich terug uit de Sinaï en de Gazastrook. In 1964 wordt de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) opgericht. Het doel van de PLO is de vernietiging van de staat Israël en de vestiging van een Palestijnse staat in diens plaats. De internationale terreur tegen Israël en Joodse belangen buiten Israël intensiveert. Ook de internationale isolatie van de Joodse staat neemt toe, in bijvoorbeeld de VN waar Arabische landen en andere derdewereldlanden een machtsblok vormen en de Sovjet-Unie, die zich tijdens de Koude Oorlog van Israël, een Amerikaanse bondgenoot, afkeert.

Zesdaagse Oorlog 1967[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Zesdaagse Oorlog voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Blokkade en troepenopbouw[bewerken]

In 1967 zoekt, en krijgt, de Egyptische president Gamal Abdel Nasser steun in de Arabische wereld voor zijn plannen om het Suezkanaal en de Golf van Akaba (Golf van Eilat) voor Israëlische scheepvaart te blokkeren. De blokkade, een daad van oorlog volgens internationaal recht, wordt door Israël als bedreigend ervaren. Nasser dwingt tevens de VN-vredestroepen, die sinds de Suezcrisis van 1956 op Egyptisch grondgebied in de Sinaï aanwezig waren om de partijen uit elkaar te houden, te vertrekken. Tevens vindt er een grote troepenopbouw plaats aan de Israëlische grens in Egypte, Jordanië en Syrië om Israël wederom binnen te vallen.[22]

Oorlog[bewerken]

In Israël bestaat de vrees voor een nieuwe Arabische invasie. Om deze voor te zijn gaat Israël op 5 juni 1967 over tot wat het beschouwt als een preventieve aanval ("pre-emptive strike") op Egypte en Syrië. Wat meespeelt bij deze beslissing is dat Israël zeer klein is en weinig ruimte heeft om terug te trekken alsmede de vrees dat een succesvolle Arabische invasie het einde van het land en de Joodse inwoners zou kunnen betekenen.[23][24][25]. De Zesdaagse Oorlog is een feit. Onder leiding van opperbevelhebber Yitzchak Rabin verovert het Israëlische leger in zes dagen de Sinaï, de Gazastrook en de Hoogten van Golan.

In een verrassingsaanval vroeg in de ochtend van 5 juni 1967 vernietigen Israëlische gevechtsvliegtuigen vrijwel de gehele Egyptische luchtmacht op de grond. Ook de luchtmacht van Syrië en Jordanië wordt grotendeels uitgeschakeld. Duizenden tanks worden buitgemaakt en hun bemanningen gevangengenomen. Israël doet een beroep op Jordanië om zich niet in de strijd te mengen, maar Jordanië heeft op 30 mei een defensieverdrag met Egypte gesloten en gaat aan de zijde van Egypte en Syrië aan de oorlog deelnemen. Israël neemt vervolgens de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem in. Na een felle strijd wordt de Oude Stad van Jeruzalem door Israël veroverd en ingelijfd. Aan het slot van de oorlog worden de strategisch belangrijke Golanhoogten onder grote verliezen maar gesteund door de inlichtingen van de Israëlische spion Eli Cohen ingenomen.

Na zes dagen van vijandelijkheden komt het tot een staakt-het-vuren. De Veiligheidsraad van de VN neemt in november resolutie 242 aan die oproept tot Israëlische terugtrekking uit bezette gebieden in ruil voor Arabische erkenning van Israël achter veilige grenzen.

Afloop[bewerken]

Op 1 september 1967 komen de leiders der Arabische landen samen in de Conferentie van Khartoum om hun militaire nederlaag en de nieuwe situatie te bespreken en besluiten tot een driewerf 'nee': géén erkenning van Israël, géén onderhandelingen met Israël, géén vrede met Israël. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vaardigt op 22 november 1967 resolutie 242[26] uit, waarin hij van Israël eist dat het zich terugtrekt uit 'de' in de Zesdaagse Oorlog bezette gebieden in de Franse versie, en uit in de Zesdaagse Oorlog bezette gebieden (zonder 'de') in de Engelse versie; en van alle partijen eist dat zij elkaar zullen erkennen en elkaars soevereiniteit zullen respecteren.

In 1968 worden 6000 Egyptische krijgsgevangenen in het geheim uitwisseld tegen één Duits-Israëlische spion, Wolfgang Lotz.

Sociale gevolgen[bewerken]

Door de inname van de Westelijke Jordaanoever kwamen ca. een miljoen Palestijnen onder Israëlische controle te wonen, hetgeen spanningen in de Israëlische samenleving veroorzaakte. In het publieke debat betoogden Moshe Dayan, Israël Galili en anderen dat de Palestijnen geïntegreerd moesten worden; Pinhas Sapir en anderen pleitten juist voor totale segregatie. Uiteindelijk won het kamp-Dayan de steun van de regering-Meir.[27]

De Palestijnen werden in Israël ingezet als goedkope arbeidskrachten. Hun lonen stegen vergeleken met de eerdere situatie, maar bleven achter die bij van Israëlische arbeiders. De arbeid van Palestijnen in Israël stuitte op weerstand bij de radicalere zionisten, die Israël als een "exclusief Joods werk" zagen.[28]

Uitputtingsoorlog en Jom Kipoer 1973[bewerken]

Na de Zesdaagse Oorlog polariseert de situatie in het Midden-Oosten verder. Israël begint met de bouw van Joodse nederzettingen in de bezette gebieden en Palestijnen intensiveren de terreuraanvallen op Joodse doelen binnen en buiten Israël. Regelmatig komt het tot schermutselingen tussen Israël en haar buurlanden, met name Syrië.

Op de Grote Verzoendag (Jom Kipoer) in 1973, één van de belangrijkste godsdienstige dagen in de Joodse kalender, openen Egypte en Syrië een grootschalige aanval op Israël. De Joodse staat is aanvankelijk volledig verrast door de aanval maar het weet toch na aanvankelijke nederlagen de status quo van voor de oorlog te herstellen.

Vrede met Egypte 1979[bewerken]

Van links naar rechts; Premier Menachem Begin van Israël, de Amerikaanse president James Carter en de Egyptische president Anwar Sadat op het buitenverblijf van Carter te Camp David, 1978.

Anwar Sadat, de Egyptische president, verbaast vriend en vijand in 1977 door een bezoek te brengen aan Israël en in Jeruzalem het parlement de Knesset toe te spreken. Door bemiddeling van de Verenigde Staten komen in 1978 onder leiding van president Jimmy Carter de Camp Davidakkoorden tot stand. Een vredesverdrag tussen Egypte en Israël volgt waarna Israël zich uit de Sinaï terugtrekt. Op 26 maart 1979 wordt de vrede getekend en is Egypte het eerste Arabische land dat Israël erkent. De vrede met Egypte heeft de uitstoting van het Arabische land uit de Arabische Liga tot gevolg en indirect leidt het tot de moordaanslag op Sadat.

De jaren 1980 tot de Golfoorlog 1991[bewerken]

In 1981 annexeert Israël de Golanhoogvlakte nadat het eerder al Jeruzalem tot de ondeelbare en eeuwige hoofdstad van het land had gemaakt. Beide worden internationaal slechts zelden erkend hoewel enkele landen wel hun ambassades in Jeruzalem vestigen.

Een jaar later trekt Israël Libanon binnen als reactie op terreuraanvallen van de PLO en verjaagt het de PLO uit Beiroet. Twee dagen na de moord op de pas gekozen Libanese president Bashir Gemayel, trekken leden van Gemayels partij, de Falangisten met Israëlisch goedkeuren de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila binnen om naar militanten te zoeken. Ze richten daar echter een massamoord aan. Binnen- en buitenlandse verontwaardiging leidt tot een juridische onderzoekscommissie, die minister van Defensie Ariel Sharon dwingt tot aftreden. In 1983 trekt Israël zich terug uit Beiroet maar blijft aanwezig in het zuiden van Libanon samen met hun Libanese bondgenoten (SLA).[29]

De wereldwijde Joodse immigratie naar Israël krijgt in 1984-85 een extra impuls wanneer onder de noemer Operatie Mozes veel Falasha's naar Israël komen. In 1987 breekt in de Gazastrook de intifada uit, een opstand van de Palestijnen tegen het Israëlisch gezag. De PLO en Hamas winnen veel steun in de bezette gebieden en ondanks pogingen van het Israëlisch leger lukt het niet de opstand geheel neer te slaan. Bij de Golfoorlog van 1991 wordt Israël het doelwit van aanvallen met SS-1 Scud ballastische raketten van het Irak van Saddam Hoessein die de Joodse staat in de oorlog tracht te betrekken om zodoende de Arabische wereld voor zich te winnen. Israël ziet onder Amerikaanse druk af van vergelding van de raketaanvallen, en MIM-104 PATRIOT luchtdoelraket-systemen uit onder meer de VS en Nederland wordt opgesteld om Israëlische steden te beschermen tegen het Iraakse vuur.

Oslo-akkoorden 1993-1995 en vredesproces[bewerken]

Voormalig PLO-leider en Nobelprijswinnaar Yasser Arafat.
Ariel Sharon, premier van Israël van 2001 tot 2006. In het Pentagon, Washington D.C., 2002.

Na de Golfoorlog, waarbij de Palestijnen openlijk de zijde van Irak hadden gekozen, werden in 1993-95 in Oslo de Oslo-akkoorden gesloten waarbij de PLO door Israël werd erkend als behartiger van de Palestijnen en de PLO op hun beurt beloofde het terrorisme tegen Israël te staken. Onder de bepalingen van het akkoord werd de Palestijnse Autoriteit opgericht. Deze kreeg gefaseerd het beheer toegekend over de Palestijnse gebieden die Israël bezet hield. PLO-leider Yasser Arafat, de Israëlische premier Yitzchak Rabin en de Israëlische minister van buitenlandse zaken Shimon Peres ontvingen hiervoor in 1994 de Nobelprijs voor de Vrede. Met Jordanië werd op 26 oktober 1994 een vredesverdrag gesloten, waarbij Israël door Jordanië werd erkend. Premier Rabin werd in 1995 vermoord door een Joodse extremist.

Vanaf 1996 verliep het vredesproces moeizaam. Benjamin Netanyahu werd de nieuwe minister-president en het aantal aanslagen door Hamas nam toe. In Zuid-Libanon voerde de Hezbollah aanvallen uit op de Israëlische bezettingsmacht. In 1998 sloten Benjamin Netanyahu en Yasser Arafat het Wye River Memorandum, een akkoord dat onder meer behelsde dat de PLO haar Handvest zou wijzigen, dat nog steeds de vernietiging van de Joodse staat voorstond.[30] Verder werden er ook afspraken gemaakt over samenwerking tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit op het gebied van terrorismebestrijding. Israël moest volgens dit akkoord 13% van het door haar bezette gebied overdragen aan de Palestijnen.

In 2000 trok het Israëlische leger zich terug uit Zuid-Libanon. Volgens critici liet Israël hiermee hun Libanese bondgenoten (SLA) in de steek, die hierna werden overrompeld door Hezbollah. Vele SLA-leden vluchten naar Israël of kregen asiel in Europa.[29] Het vertrek werd door de VN bevestigd. Hiermee voldeed Israël aan de wens van de VN. De betwiste Shebaa-boerderijen, die de Arabische wereld beschouwt als Libanees grondgebied,[31][32] maar die door de VN als Syrisch worden gezien, werden wel bezet gehouden. Tijdens de Camp David-topontmoeting van 2000 kwamen de Israëlische regering van Ehud Barak en de Palestijnen bijna tot overeenstemming: Israël bood de Palestijnse Autoriteit (PA), uitgesmeerd over een periode van 25 jaar[33] 91% aan van het grondgebied dat de Palestijnen opeisen, waaronder delen van Oost-Jeruzalem. Daarnaast werd Palestijnse vluchtelingen weliswaar financiële compensatie aangeboden, maar geen recht op terugkeer naar plaatsen binnen Israël. Op het laatste moment wees Yasser Arafat van de PA het akkoord af en mislukte de ontmoeting. De Amerikaanse president Bill Clinton legt de schuld van de mislukking geheel bij Arafat.[34][35]

Onder de Palestijnen en andere Arabieren leefde het gevoel op dat Israël verjaagd en verslagen was. Oppositieleider Ariel Sharon bracht een bezoek aan de Tempelberg in Jeruzalem op 28 september 2000 en een dag later braken onlusten uit die leidden tot de Tweede Intifada, de Al-Aqsa Intifada genoemd. In 2002 zegde de Amerikaanse president George W. Bush voor de eerste maal directe steun toe bij de vorming van een onafhankelijke Palestijnse staat "die in vrede naast een veilig Israël" moet bestaan. Onder Bush' leiding werd het zogenaamde Road Map for Peace uiteengezet, een plan dat tot definitieve vrede moet leiden.[36] De eerste fase van dit plan, een beëindiging van het geweld in de regio, bleek echter onhaalbaar en het plan bloedde dood.

In 2002 begon Israël met de bouw van een barrière, meest hek en voor een tiende muur, langs de grens met de Westoever en Gaza. Op enkele plaatsen wordt de barrière tot diep in Palestijns grondgebied aangelegd. Sharon werd tot premier gekozen en zijn regering stelde dat de barrière de veiligheid van Israël zou vergroten. Cijfers over scherpe daling van het aantal terreuraanslagen die vanuit de Palestijnse gebieden op Israël worden gepleegd gaven aan deze stelling kracht.[37]

Ontruiming van de Gazastrook 2004[bewerken]

Van links naar rechts; premier Olmert van Israël, president Bush van de VS en Mahmoud Abbas, leider van de Palestijnse Autoriteit tijdens de conferentie van Annapolis in 2007

In 2004 stemde de Knesset in met het plan van de regering-Sharon tot terugtrekking uit de Gazastrook en ontmanteling van de joodse nederzettingen aldaar. Vooral vanuit joods-orthodoxe hoek bestond grote weerstand tegen het plan maar een jaar later werd het plan uitgevoerd. De regering van Sharon viel echter en Sharon richtte zijn eigen politieke partij op, Kadima geheten. In 2006 raakte Sharon in een diepe coma en na een overgangsperiode werd Ehud Olmert de nieuwe premier.

Hamas en Libanese oorlog 2006[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Israëlisch-Libanese Oorlog (2006) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Vermeend gebombardeerde locaties in Libanon tussen 12 Juli en 30 Augustus 2006

De verkiezingen in de Palestijnse gebieden in 2006 werden gewonnen door de fundamentalistisch-islamistische Hamas. Dit leidde tot een economische en politieke boycot van de Palestijnse Autoriteit door Israël, de VS en de EU die Hamas als een terroristische organisatie aanmerken. Na een aanval (een van de vele) door de Libanese beweging Hezbollah op een Israëlische grenspost waarbij drie Israëlische soldaten werden gedood en twee werden ontvoerd en raketbeschietingen op Israëlische doelen, begon het Israëlische leger met een massale vergeldingsaanval op Hezbollah waarbij ruim 1100 Libanese doden vallen. De gevechten waren enkel met Hezbollah. Het Libanese leger hield zich afzijdig.[38] In Noord-Israël komen 1500 katjoesjaraketten neer; Israël zag echter geen kans deze raketbeschietingen te stoppen. De Israëlisch-Libanese oorlog van 2006 leidde tot grote binnenlandse problemen voor Olmert.

Ingeslagen Hezbollah raketten in noord-Israël

Ook in het zuiden van Israël wordt de bevolking geconfronteerd met voortdurende raketbeschietingen, ditmaal vanuit de Gazastrook dat door Hamas wordt gecontroleerd. Sderot heeft het hierbij het zwaarst te verduren.

In november 2007 werd in de Amerikaanse stad Annapolis een conferentie gehouden tussen Israël, de Palestijnse Autoriteit en diverse Arabische landen die ook vertegenwoordigers sturen. President Bush riep deze conferentie bijeen met het doel om voor het einde van 2008 een onafhankelijke Palestijnse staat te scheppen.

Literatuur[bewerken]

  • Kimmerling, Baruch en Migdal, Joel S.: The Palestinian people. A history, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 2003
  • Morris, Benny: 1948. A history of the first Arab-Israeli war, Yale University Press, New Haven and London, 2008 (revisionistisch kritisch Israëlisch perspectief)
  • Pappé, Ilan: A history of modern Palestine, Cambridge University Press, 2006 tweede druk (kiest Palestijns perspectief)

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.jewishvirtuallibrary.org/jsource/Judaism/jewpop.html, Statistical Abstract of Israel No. 51, Central Bureau of Statistics 2000
  2. UNSCOP, "A survey of Palestine", 1946, p. 24
  3. AD HOC COMMITTEE ON THE PALESTINIAN QUESTION COMMUNICATION FROM THE UNITED KINGDOM DELEGATION TO THE UNITED NATIONS, 2 oktober 1947
  4. The Fall & Rise of Israël p. 137, door Hull, Zondervan Pub.
  5. Zie voor deze cijfers het Survey of Palestine, 1946 van de Britse gezaghebber in het Mandaatgebied
  6. Domino
  7. Walid Khalidi, 1988, 'Plan Dalet: Master Plan for the Conquest of Palestine', J. Palestine Studies 18(1), p. 4-33, earlier published in 1961
  8. De Israëlische historicus Simha Flapan schrijft dat het zionistische leger onder leiding van Ben-Goerion de exodus gepland en uitgevoerd. Simha Flapan , 1987, The Palestinian Exodus of 1948, J. Palestine Studies 16 (4), p. 3-26.
  9. De Israëlische historicus Ilan Pappé noemt de exodus een bewuste "etnische zuivering". I. Pappé, 2006, The ethnic cleansing of Palestine
  10. De Israëlische historicus Benny Morris stelt dat er sprake was van "etnische zuivering" en hij beschrijft deze als "noodzakelijk" voor de vestiging van een Joodse staat:
    "Er zijn omstandigheden in de geschiedenis die etnische zuivering rechtvaardigen. Ik weet dat deze term in de 21e eeuw volkomen negatief gebruikt wordt, maar als de keuze is tussen etnische zuivering en genocide - de vernietiging van je volk - geef ik de voorkeur aan etnische zuivering. Dat was de situatie. Dat is wat het zionisme voor zich zag. Een Joodse staat zou er niet gekomen zijn zonder het verdrijven van 700.000 Palestijnen. Daarom was het noodzakelijk hen te verdrijven. Het was nodig het binnenland te zuiveren en de grensgebieden te zuiveren en de belangrijkste wegen te zuiveren. Het was nodig de dorpen te zuiveren van waaruit onze konvooien en onze nederzettingen beschoten werden." (Morris in vraaggesprek met Israëlisch dagblad Haaretz, 8 januari 2004) [1]
  11. Bregman, Ahron: "Israel's Wars: A History Since 1947", Routledge, 2002, blz. 22
  12. Bregman, Ahron: "Israel's Wars: A History Since 1947", Routledge, 2002, p.24. Zie ook het boek 1948 van Benny Morris
  13. a b c d Concord Publications Tank Battles of the Mid. East wars part 1
  14. George Gruen: The Other Refugees: Jews Of The Arab World 1 juni 1988 [2]
  15. Why Jews Fled the Arab Countries, Middle East Quarterly September 1995 [3]
  16. Jewish Refugees from Arab Countries
  17. Jewish Refugees
  18. Weinstock, Nathan: "Le sionisme contre Israël", Parijs, 1969
  19. Marmorstein, Emile: "Hakham Sasson in 1949" in Middle Eastern Studies, mei 1988, p. 367
  20. Isn't it a fair 'population exchange' between Palestinian refugees and Jewish refugees from many Arab countries?
  21. Wet op de Terugkeer
  22. Concord Publications Tank Battles of the Mid-East wars part 1
  23. BBC On this day; 1967: Israel launches attack on Egypt Op 27 mei verklaarde president Nasser: "Our basic objective will be the destruction of Israel". Ook andere Arabische leiders doen soortgelijke uitspraken die in Israël zo opgevat worden dat een eventuele Arabische overwinning het einde van het land zou betekenen
  24. Voor uitspraken van Arabische leiders zie onder andere Six Days of War - Michael Oren p. 163-164
  25. Voor Israelische gedachten hierover zie onder andere The Rabin Memoirs - Yitzhak Rabin, 1996 p. 68
  26. VN-Veiligheidsraad Resolutie 242 uit 1967
  27. Noam Chomsky (1969/1974). Peace in the Middle East? Reflections on Justice and Nationhood. New York: Pantheon Books.
  28. Ibid., p. xxii.
  29. a b Concord Publications Tank Battles of the Mid. East wars part 2
  30. 10/23/98: Wye River Memorandum: Interim Agreement
  31. A/55/892-S/2001/342 of 10 April 2001
  32. Stop the Band-Aid Treatment
  33. http://en.wikipedia.org/wiki/Camp_David_2000_Summit
  34. 7/25/00: President Clinton: Statement on the Middle East Summit at Camp David
  35. My Life, Bill Clinton
  36. A Performance-Based Roadmap to a Permanent Two-State Solution to the Israeli-Palestinian Conflict
  37. terrorism-info.org.il: Palestinian Islamic Jihad
  38. "Human Rights Watch - Civilian Casualties in Lebanon during the 2006 War"
Wikisource Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Israeli Declaration of Independence op de Engelstalige versie van Wikisource