Jimmy Carter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jimmy Carter Nobelprijs voor de Vrede
James Earl Carter
James Earl Carter
Geboren 1 oktober 1924
Plains (Georgia)
Politieke partij Democratische Partij
Partner Rosalynn Carter (sinds 1946)
Beroep Politicus
Agrariër
Marineofficier
Activist
Auteur
Religie Baptisme
Handtekening Handtekening
39e president van de Verenigde Staten
Aangetreden 20 januari 1977
Einde termijn 20 januari 1981
Vicepresident(en) Walter Mondale
Voorganger Gerald Ford
Opvolger Ronald Reagan
76e gouverneur van Georgia
Aangetreden 12 januari 1971
Einde termijn 14 januari 1975
Voorganger Lester Maddox
Opvolger George Busbee
Portaal  Portaalicoon   Politiek

James Earl (Jimmy) Carter jr. (Plains (Georgia), 1 oktober 1924) is een Amerikaans oud-politicus van de Democratische Partij. Hij diende als de 39e president van de Verenigde Staten van 1977 tot 1981.

Carter was eigenaar van een pindaplantage in Georgia en gouverneur van die staat toen hij zich kandidaat stelde voor het federaal presidentschap. Voor de meeste Amerikanen was hij een onbekend gezicht. De baptist Carter maakte een betrouwbare indruk op veel Amerikanen, die na het Watergateschandaal genoeg hadden van de politici uit Washington. Maar door zijn halsstarrige houding ten opzichte van het Amerikaanse congres en het feit dat hij de problemen van het land niet onder controle kreeg, verloor hij in 1980 de verkiezingen van Ronald Reagan.

In 2002 werd Carter onderscheiden met de Nobelprijs voor de Vrede.

Biografie[bewerken]

Presidentschap[bewerken]

Menachem Begin, Jimmy Carter en Anwar Sadat in Camp David, 1978

Carter erfde gigantische economische en financiële problemen van zijn voorgangers. De Unie zat door de Vietnamoorlog diep in de rode cijfers, terwijl het zelfvertrouwen van de bevolking zwaar was aangetast. De rentelasten in combinatie met de oliecrisis en de onwil van het bedrijfsleven om te investeren leidde tot een nieuw verschijnsel in de economie: stagflatie. Tijdens het mandaat van Carter werd het antwoord op dit probleem niet gevonden.

Meer succes had Carter in zijn buitenlands beleid. Binnen zijn ambtsperiode wist hij tussen de Egyptische president Anwar Sadat en de Israëlische premier Menachem Begin te bemiddelen tot een vredesverdrag. Dit resulteerde in de Camp David-akkoorden. Echter snel na dit succes, in Carters laatste ambtsjaar, werden in Iran 52 Amerikaanse burgers en militairen gegijzeld in de Amerikaanse ambassade in Teheran. Deze gijzeling duurde 444 dagen.

In zijn buitenlandse politiek zag Carter het belang in van mensenrechten. Dit ging in tegen het beleid van de regering van Richard Nixon, die vaak een oogje dichtkneep bij bevriende regimes. De regering-Carter beëindigde de steun aan de lange tijd door de VS gesteunde dictator Somoza uit Nicaragua en gaf de nieuwe regering miljoenen aan steun.

De belangrijkste botsing tussen het belang van de mensenrechten en het eigenbelang van de VS ontstond door Carters banden met de Sjah van Iran. De Sjah was, sinds de Tweede Wereldoorlog, een sterke medestander van Amerika uit het Midden-Oosten. Zijn regime was echter bruut en onderdrukkend. Hoewel Carter de Sjah prees als een wijs en waardevol leider, heeft de VS niet ingegrepen toen er een volksopstand uitbrak tegen de monarchie van de Sjah.

De Sjah werd van de troon gestoten en verbannen. Velen hebben de afnemende Amerikaanse steun voor de Sjah sindsdien gezien als de voornaamste oorzaak van zijn snelle revolutie. Carter was in het begin bereid om de revolutionaire beweging te erkennen, maar zijn pogingen bleken tevergeefs.

In 1979 kreeg de Sjah politiek asiel en medische behandeling in de VS. Als reactie hierop belegerden Iraanse militanten de Amerikaanse ambassade in Teheran om vervolgens 52 Amerikanen te gijzelen en de uitlevering van de Sjah aan Iran te eisen, voor een rechtszaak en een executie. Ondanks het feit dat de Sjah later dat jaar de VS zou verlaten om in Egypte te sterven, duurde de gijzelingscrisis voort. Een mislukte bevrijdingsoperatie op 25 april 1980 maakte de Revolutionaire Gardes nog koppiger, en de kwestie domineerde zo het laatste jaar van Carters presidentschap. Volgens Carters Nationale Veiligheidsadviseur Zbigniew Brzeziński was de Sovjetinvasie van Afghanistan in december 1979 een antwoord op de Amerikaanse militaire aanwezigheid aldaar. Na de invasie kondigde Carter de Carter Doctrine aan, die inhield dat de VS geen andere mogendheid toe zouden laten controle te krijgen over de Perzische Golf. Andere reacties van Carter waren het verbod van de deelname van Amerikanen aan de Olympische Spelen van 1980 in Moskou en de herinvoering van de registratie voor dienstplicht.

Om de Sovjetbezetting van Afghanistan tegen te gaan startten Carter en Zbigniew Brzeziński een 40 miljard dollar kostend trainingsprogramma voor islamitische fundamentalisten in Pakistan en Afghanistan. Terugblikkend was dit een van de oorzaken van het ineenstorten van de Sovjet-Unie, maar, ironisch genoeg, wordt het ook gezien als oorzaak van de instabiliteit van post-Sovjet Afghaanse regeringen, die leidden tot de opkomst van de islamitische theocratie in de regio. In 1980 verloor Jimmy Carter de presidentsverkiezingen van Ronald Reagan. Hij verdween, gezien de achterblijvende internationale spanningen zoals de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Iran, roemloos van het toneel. Ironisch was dat op de dag dat Carter vertrok als president de gijzelaars in Iran werden vrijgelaten. Later is wel beweerd dat de late vrijlating van de gijzelaars het gevolg was van een deal tussen de campagne van Reagan en de regering van Iran, maar deze theorie is nooit bewezen.

Na zijn presidentschap[bewerken]

Carter werd na zijn presidentscarrière algemeen gewaardeerd voor zijn humanitaire werk. In 1982 richtte hij het Carter Center op dat zich inzet voor de mensenrechten, de verbreiding van de democratie, het oplossen van internationale conflicten, en de bestrijding van ziektes zoals dracunculiasis en rivierblindheid.[1]

In 2002 kreeg Carter de Nobelprijs voor de Vrede "voor de tientallen jaren van onverflauwde inzet in het vinden van vreedzame oplossingen voor internationale conflicten en het bevorderen van democratie, mensenrechten en economische en sociale ontwikkeling." Hij speelde een bemiddelende rol in onder andere het Ogaden-geschil tussen Somalië en Ethiopië, in Bosnië en Herzegovina en hield toezicht in vele verkiezingen.

In maart 2004 veroordeelde hij George W. Bush en Tony Blair voor het voeren van een onnodige oorlog "gebaseerd op leugens en misinterpretaties" teneinde Saddam Hoessein te verwijderen. Hij beweerde dat Blair zijn oordeelsvermogen had laten vertroebelen door Bush' verlangen om een oorlog te eindigen die zijn vader was begonnen.

In april 2006 nam Carter samen met Bill Clinton en de Bill Underwood, directeur van Mercer University, het initiatief voor het New Baptist Covenant. Doel van de beweging is om te laten zien dat het baptisme niet identiek is met de maatschappelijk en cultureel conservatieve Southern Baptist Convention, met 16 miljoen leden de grootste protestantse kerk in de Verenigde Staten. De New Baptist Covenant vraagt vooral aandacht voor de armoedebestrijding, milieuzaken en conflicten wereldwijd. Daarnaast zet zij zich in voor de integratie van de baptistische kerken, die vaak nog naar ras gescheiden zijn. Het initiatief wordt gesteund door ca. 20 miljoen Amerikaanse baptisten. Carter is zelf afkomstig uit de Southern Baptist Convention, maar heeft moeite met de conservatieve koers hiervan. Hij is vrijwel zijn hele leven zondagsschoolleraar geweest en dient als diaken in de Maranatha Baptist Church in zijn woonplaats Plains.

In november 2006 verscheen het boek "Palestine: Peace not Apartheid" (Palestina: Vrede, geen apartheid). Volgens Carter was "het uiteindelijke doel van mijn boek het presenteren van feiten over het Midden-Oosten die grotendeels onbekend zijn in [de V.S. van] Amerika, de discussie te initiëren en te helpen vredesgesprekken te heropenen (...)."

Carter stelt in zijn boek dat "Israëls voortdurende beheersing en kolonisatie van Palestijns land de eerste obstakels zijn voor een samenhangend vredesakkoord in het Heilige Land". Carter is degene die in 1978 de vredesovereenkomst tussen Egypte en Israël mogelijk maakte, de Camp-David-akkoorden, de enige duurzaam gebleken vrede in de streek. Hij kreeg de nodige kritiek op zijn boek te verduren, omdat hij volgens critici selectief met historische gegevens zou zijn omgesprongen en deze slechts in het nadeel van Israël zou hebben uitgelegd.

Portret

Kabinetsleden onder Carter[bewerken]

Kabinetsleden Ministerie Periode Bijzonderheden
Cyrus Vance Buitenlandse Zaken 1977 - 1980
Cecil Andrus Binnenlandse Zaken 1977 - 1981
Harold Brown Defensie 1977 - 1981
Juanita Kreps Economische Zaken 1977 - 1979
Michael Blumenthal Financiën 1977 - 1979
Joseph Califano G.O+W * 1977 - 1979 Vanaf 1980 Onderwijs eigen departement
Patricia Harris H+S.O * 1977 - 1979
G.O+W * 1979 - 1980
G+S.Z * 1980 - 1981
Griffin Bell Justitie 1977 - 1979
Robert Bergland Landbouw 1977 - 1981
Ray Marshall Arbeid 1977 - 1981
Brock Adams Transport 1977 - 1979
James Schlesinger Energie 1977 - 1979 Minister van Defensie onder Nixon en Ford
Philip Klutznick Economische Zaken 1979 - 1981
William Miller Financiën 1979 - 1981
Moon Landrieu H+S.O * 1979 - 1981
Benjamin Civiletti Justitie 1979 - 1981
Neil Goldschmidt Transport 1979 - 1981
Charles Duncan Energie 1979 - 1981
Shirley Hufstedler Onderwijs 1980 - 1981
Edmund Muskie Buitenlandse Zaken 1980 - 1981
  • * G.O+W = Gezondheidszorg, Onderwijs + Welzijn
  • * H+S.O = Huisvesting + Stedelijke Ontwikkeling
  • * G+S.Z = Gezondheidszorg + Sociale Zaken

Onderscheidingen[bewerken]

In 1994 ontving hij samen met Juan Carlos I van Spanje de Félix Houphouët-Boigny-Vredesprijs van de UNESCO.

In 2002 werd hij onderscheiden met de Nobelprijs voor de Vrede.

In 2011 ontving hij in het Egmontpaleis te Brussel, België, het Grootkruis in de Kroonorde (België).


Winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede

1901: Dunant, Passy · 1902: Ducommun, Gobat · 1903: Cremer · 1904: Institut de Droit International · 1905: Von Suttner · 1906: Roosevelt · 1907: Moneta, Renault · 1908: Arnoldson, Bajer · 1909: Beernaert, Balluet d'Estournelles de Constant · 1910: IPB · 1911: Asser, Fried · 1912: Root · 1913: La Fontaine · 1917: ICRC · 1919: Wilson · 1920: Bourgeois · 1921: Branting, Lange · 1922: Nansen · 1925: Chamberlain, Dawes · 1926: Briand, Stresemann · 1927: Buisson, Quidde · 1929: Kellogg · 1930: Söderblom · 1931: Addams, Butler · 1933: Angell · 1934: Henderson · 1935: Von Ossietzky · 1936: Lamas · 1937: Cecil · 1938: Office international Nansen pour les réfugiés · 1944: ICRC · 1945: Hull · 1946: Balch, Mott · 1947: Friends Service Council, American Friends Service Committee · 1949: Orr · 1950: Bunche · 1951: Jouhaux · 1952: Schweitzer · 1953: Marshall · 1954: Bureau van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen · 1957: Pearson · 1958: Pire · 1959: Noel-Baker · 1960: Luthuli · 1961: Hammarskjöld · 1962: Pauling · 1963: ICRC, IFRC · 1964: King · 1965: UNICEF · 1968: Cassin · 1969: Internationale Arbeidsorganisatie · 1970: Borlaug · 1971: Brandt · 1973: Kissinger, Lê Đức Thọ · 1974: MacBride, Satō · 1975: Sacharov · 1976: Williams, Corrigan · 1977: Amnesty International · 1978: Sadat, Begin · 1979: Moeder Teresa · 1980: Esquivel · 1981: Bureau van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen · 1982: Myrdal, Robles · 1983: Wałęsa · 1984: Tutu · 1985: IPPNW · 1986: Wiesel · 1987: Arias · 1988: VN-vredesmacht · 1989: Gyatso · 1990: Gorbatsjov · 1991: Suu Kyi · 1992: Menchú · 1993: Mandela, De Klerk · 1994: Arafat, Peres, Rabin · 1995: Rotblat, Pugwash Conferences on Science and World Affairs · 1996: Ximenes Belo, Ramos-Horta · 1997: ICBL, Williams · 1998: Hume, Trimble · 1999: AzG · 2000: Dae-jung · 2001: VN, Annan · 2002: Carter · 2003: Ebadi · 2004: Maathai · 2005: IAEA, El-Baradei · 2006: Grameen Bank, Yunus · 2007: Gore, IPCC · 2008: Ahtisaari · 2009: Obama · 2010: Liu · 2011: Johnson Sirleaf, Gbowee, Karman · 2012: Europese Unie · 2013: Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens

Bronnen, noten en/of referenties
  1. The Carter Center. Advancing Human Rights and Alleviating Suffering. The Carter Center Geraadpleegd op 9 augustus 2012