Iraanse Revolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Iraanse Revolutie was de revolutie in Iran die begon in november 1978, waarbij de dictatoriale, prowesterse sjah Mohammad Reza Pahlavi werd afgezet ten gunste van, uiteindelijk, een islamitische republiek onder leiding van ayatollah Ruhollah Khomeini. De revolutie vond plaats in twee fasen. In de eerste fase verdreef een alliantie van liberale, linkse en religieuze groeperingen de sjah. In de tweede fase, vaak de Islamitische Revolutie genoemd, greep Khomeini de macht.

De revolutie begon in november 1978, al waren er daarvoor ook diverse protesten geweest. Op 16 januari 1979 vluchtte de sjah, al wendde hij het voor als een lange vakantie. Op 1 februari keerde Khomeini terug uit zijn ballingschap en hij begon vrij snel de pluralistische revolutie om te vormen naar een streven naar absolute macht voor de geestelijkheid.

Oorzaken[bewerken]

De exacte reden waarom de sjah uit werd gezet en daarbij het land om werd gevormd tot een Islamitische republiek, is discutabel.

Een aantal punten van het regime van de sjah waar ontevredenheid over was en die onder meer aanleiding waren tot de revolutie:

  • Het strikte beleid van verwestering van het land.
  • De verbanning van de communistische Tudeh Partij.[1]
  • De afschaffing van het meerpartijenstelsel ten gunste van een eenpartijstelsel, waarbij de partij van de sjah, de Rastakhiz (De Herlevingspartij), de enige regerende politieke partij van het land werd waar iedereen lid van diende te worden.[2]
  • De geheime politie van de sjah, de SAVAK, die tegenstanders van het regime gevangen hielden, en deze door martelingen onderdrukten en soms ook executeerden.[3]
  • De groeiende economische ongelijkheid tussen de elite en de massa.[4]

Begin van de revolutie[bewerken]

De sjah met onder anderen president Carter

In 1977 kwamen studenten in opstand tegen het regime en riepen om een staat waarin het Perzische en het islamitische karakter van het land meer naar voren kwam. Tot dan toe was Iran een dictatuur geweest die sterk gesteund werd door het Westen, de Verenigde Staten voorop. Spoedig sloten meer ontevreden mensen zich bij hen aan, waaronder intellectuelen, middenstanders, de communistische Tudeh-partij en geestelijken.

In 1978 voerde de sjah haastig enkele maatregelen door zoals de aanpassing aan het jaartal van de Iraanse kalender ongedaan maken en de afschaffing van het eenpartijstelsel. Dit laatste gaf het Nationaal Front de kans zich opnieuw te organiseren. Islamitische revolutionairen richtten daarop de Islamitische Revolutionaire Partij (IRP) op, die zich verwant voelde met de ideeën van Khomeini. Maar de maatregelen van de sjah kwamen te laat.

In september 1978 destabiliseerde het land. Grootschalige protesten vonden regelmatig plaats. Op vrijdag 8 september vond een enorme demonstratie plaats in Teheran. De demonstratie werd hardhandig neergeslagen waarbij honderden doden vielen. Dit had tot gevolg dat de weerstand tegen het regime alleen maar sterker werd, zowel onder de eigen bevolking als bij andere landen. De sjah kondigde daarop de staat van beleg af.

In oktober 1978 vond een algemene staking plaats, waarbij de meeste industrieën gesloten werden.

In december, gedurende de islamitische maand muharram, bereikten de protesten hun hoogtepunt. Tijdens muharram, en dan specifiek tijdens Asjoera, wordt herdacht dat Imam Hoessein, de kleinzoon van de profeet Mohammed, als martelaar gedood werd door het leger van de tirannieke Omajjadische kalief Yazid I in de Slag bij Karbala. Tijdens de herdenkingen werd de sjah neergezet als een hedendaagse tiran en onrechtvaardig heerser. Moslims hebben de plicht in opstand te komen tegen tirannie en in die maand vonden dagelijks protesten plaats. Het leger raakte verdeeld over het bevel tegen de demonstranten op te treden.

Op 4 januari 1979 benoemde de sjah Shahpur Bakhtiar, voorzitter van het Nationaal Front, tot premier. Op 16 januari vluchtte de sjah - met een zakje Iraanse aarde op zak - naar het buitenland. Hijzelf verklaarde dat hij op vakantie ging. Bij zijn vertrek wist hij al dat hij aan kanker leed. Samen met zijn familie vertrok hij naar Egypte, het enige land dat hen wilde toelaten. De sjah werd zieker en keerde uit angst voor vervolging niet meer naar zijn land terug. Hij overleed twee jaar later aan kanker in Egypte.

Islamitische Revolutie[bewerken]

De terugkeer van Khomeini

Op 1 februari 1979 keerde ayatollah Ruhollah Khomeini na vijftien jaar ballingschap naar Iran terug. Khomeini associeerde zichzelf met de verschillende imams van het twaalver sjiisme. Hij beschouwde zichzelf als de opvolger van de imams en bij gebrek aan een imam - de twaalfde imam of mahdi zou pas aan het einde der tijden terugkeren - wilde hij de gelovigen leiden.

Khomeini liet in die tijd nog niet het achterste van zijn tong zien. Khomeini sprak de mensen aan met een anti-Amerikaanse, een antidictatoriale houding en een beroep op vrijheid. Moslims hadden de plicht op te komen tegen tirannie.

Op 11 februari 1979 stortte het regime van de sjah in waardoor de zege van de coupplegers van de Iraanse Revolutie volledig werd.

Khomeini benoemde de geestelijke Mehdo Bazargan tot minister-president van een voorlopige regering. Shahpur Bakhtiar wist met hulp van Bazargan het land uit te vluchten.

In april 1979 werd er een referendum gehouden waarin de bevolking zich kon uitspreken voor het behoud van de monarchie of de instelling van een islamitische republiek. Omdat de meeste mensen tegen de sjah waren, werd er met overweldigende meerderheid gekozen voor de instelling van een islamitische republiek en in april 1979 werd de Islamitische Republiek Iran uitgeroepen.

In augustus 1979 werden verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering gehouden en de Islamitische Revolutionaire Partij won de verkiezingen. De IRP was een zeer Khomeini-getrouwe partij. Met een meerderheid in de grondwetgevende vergadering konden de moslimfundamentalisten een radicaal-islamitische grondwet doordrukken.

De revolutie kende ook een sterk anti-Amerikaans en anti-imperialistisch karakter. De Verenigde Staten hadden jarenlang de dictatuur van de sjah gesteund en de revolutie van 1953 de kop ingedrukt. Demonstranten verbrandden Amerikaanse vlaggen en riepen leuzen als "Dood aan Amerika!". In november 1979 bezetten islamitische militanten de Amerikaanse ambassade in Teheran en namen 63 Amerikaanse diplomaten en burgers in gijzeling. De gijzelnemers eisten onder andere de uitlevering van de op dat moment in de Verenigde Staten verblijvende sjah. In april 1980 probeerden Amerikaanse commando's de gegijzelden te bevrijden tijdens Operatie Eagle Claw, maar een helikopter en vliegtuig botsten tegen elkaar waardoor de actie mislukte. Na 444 dagen kwamen de gegijzelden op 21 januari 1981 vrij.

Einde van de revolutie[bewerken]

In december 1979 was de opstelling van de nieuwe, op islamitische leest geschoeide grondwet klaar en verkreeg Khomeini de titels Leider van de Revolutie en Hoogste Leider van Iran. In die hoedanigheid verkreeg hij een zeer grote macht.

De naam van de staat werd veranderd in Islamitische Republiek Iran [5]. Onder de nieuwe constitutie werd deze republiek in feite van twee regeringen voorzien. De eerste, die de soevereiniteit van het volk vertegenwoordigde, werd geleid door een parlement en een premier. De tweede, die de soevereiniteit van God vertegenwoordigde, werd geleid door Khomeini.

Deze directe inmenging van de geestelijkheid in de politiek was nieuw. Sinds begin 16e eeuw het sjiisme staatsgodsdienst werd in Iran, had de geestelijkheid zich afzijdig gehouden van directe staatsbemoeienis. Onder de door Khomeini ingevoerde politiek van 'valajat-e fakih' of 'de voogdij van de jurist' verkreeg één man de absolute heerschappij. Ook dat was nieuw, want daarvoor stonden de verschillende ayatollahs min of meer op gelijke voet. Dissidente ayatollahs werd de mond gesnoerd.

Op 4 februari 1980 werd de Khomeini-aanhanger Abolhassan Bani Sadr president van de islamitische republiek en in augustus van dat jaar werd Mohammad Ali Raja'i premier. President Bani-Sadr raakte echter al gauw met Khomeini in conflict over diens fundamentalistische koers. Bani-Sadr, jarenlang een vertrouweling van Khomeini, werd aan de kant geschoven en tot volksvijand verklaard. Bani-Sadr wist Iran te ontvluchten en vestigde zich in Frankrijk. President Ali Rajaj, de opvolger van Bani-Sadr, en diens premier Mohammad Bahonar kwamen bij een bomaanslag om het leven in augustus 1981. Vanwege de ontstane crisis, werd er een Voorlopige Presidentiële Raad ingesteld. Op 13 oktober 1981 werd Ali Khamenei president.

In de loop van 1981 verbood Khomeini de linkse partijen en groeperingen die tot dan toe Khomeini altijd hadden gesteund. De groepen die verboden werden waren onder andere de Mujaheddin e-Khalq, die weliswaar islamitisch was maar ook marxistisch, en de Fedayan ("Strijders"), een guerrillagroep die al sinds het begin van de jaren zeventig tegen de sjah vocht. Daarnaast werd in die periode ook de Koerdische Democratische Partij (KDP) verboden. Deze partij onderhield sinds 1975 nauwe banden met Khomeini, maar was soennitisch. Een partij die het verbod op deze partijen steunde en trouw bleef aan Khomeini was de communistische Tudeh-partij, niet wetende dat zij het volgende slachtoffer werd. In februari 1982 werd zij ten slotte verboden.

Rol van de Verenigde Staten[bewerken]

Sinds 1977 was Jimmy Carter president en deze had na de recente Vietnamoorlog de CIA flink beknot in haar mogelijkheden. Voor de idealistische Carter vormden tegengaan van wapenhandel en het verbreiden van de mensenrechten de belangrijkste doelen in de buitenlandse politiek. De sjah werd zodoende niet meer gezien in de Koude Oorlogsoptiek van machtsevenwicht. Het Bureau voor de Mensenrechten van het ministerie van Buitenlandse Zaken voerde conform de nieuwe prioriteiten obstructie tegen Iraanse verzoeken om traangas en andere menigte-bestrijdingsmiddelen ten tijde van de uitbreidende onlusten. In Iran ontstond een toenemend besef dat de VS het regime van de sjah niet meer tot iedere prijs zou steunen, wat de stakingen, de demonstraties en onlusten aanmoedigde.

De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Cyrus Vance, een jurist internationaal recht, en de bureaucratie van zijn ministerie geloofden dat het stimuleren van democratie in Iran en politieke compromissen eerder het juiste doel waren dan het redden van hun oude bondgenoot. De Amerikaanse ambassadeur in Teheran voorspelde optimistisch dat de val de sjah zou leiden tot een welwillende prowesterse regering waarbij Khomeini een 'Gandhi-achtige' rol zou spelen.[6]

Alleen Carters nationale veiligheidsadviseur, Zbigniew Brzeziński, was fel tegen deze appeasementpolitiek. Zijn recept was eerder een coup door het prowesterse en door de VS opgeleide leger en stuurde daarom een Amerikaanse generaal als liason. Maar Cyrus Vance en vicepresident Walter Mondale waren faliekant tegen iedere stimulering van projecten om de islamitische revolutie de kop in drukken en uiteindelijk besloot Carter om zijn handen van Iran af te trekken. Hij bleef systematisch herhalen: "Wij zijn niet van plan om ons in Iraanse aangelegenheden te mengen."

Na de islamitische revolutie begrepen zelfs haviken als Brzezinski niet dat deze gebeurtenis de wereldwijde botsing van het Westen met de politieke islam inluidde en meldde: "We moeten ons ervoor hoeden om de kwestie Iran niet al te zeer te generaliseren" en adviseerde Carter dat "Islamitisch revolutionaire bewegingen waarschijnlijk niet de golf van de toekomst zullen zijn."

Andere regeringsfunctionarissen gingen zelfs zo ver om de ayatollah toe te juichen. Andrew Young, de ambassadeur van de VS bij de Verenigde Naties, prees ten tijde van de omwenteling de "sterke culturele kracht" van de islam en voorspelde dat Khomeini een "soort heilige zal zijn als we de paniek te boven zijn".[7]

Impact op andere landen[bewerken]

De nieuwe machthebbers wilden hun boodschap verspreiden naar andere landen.

Iraanse televisie-uitzendingen in het Arabisch riepen de sjiieten in Irak op in opstand te komen tegen Saddam Hoessein. Hoessein - een seculier heerser - was verbolgen over oude grensconflicten met Iran en dacht Iran, dat nu niet langer van wapens werd voorzien en intern nog lang niet stabiel was, makkelijk te kunnen verslaan. Op 23 september 1980 brak de Iran-Irak-oorlog uit, die voor beide landen desastreus zou verlopen. Hoewel Khomeini niet alleen de sjiitische minderheid maar alle moslims aan wilde spreken, zorgde de Perzische-Arabische en de soennitische-sjiitische rivaliteit ervoor dat slechts weinig moslims Khomeini's oproep tot revolutie steunden. Irak werd tijdens de oorlog gesteund door de Golfstaten en door westerse landen. De gehoopte opstand van de sjiieten in Irak bleef uit. Anderzijds bracht de oorlog niet de makkelijke overwinning die Saddam Hoessein had gehoopt. De oorlog duurde acht jaar en er was geen winnaar of verliezer aan te wijzen, maar verspreiding van de Islamitische Revolutie werd gestopt.

Weliswaar steunde Syrië Iran, maar een religieuze revolutie daar in februari 1982 werd in de kiem gesmoord.

Iran steunde de sjiitische Hezbollah-beweging, die toen in conflict was met andere partijen tijdens de Libanese Burgeroorlog.

Daarnaast steunde Iran de PLO-leider Yasser Arafat, die als held onthaald werd in Teheran. De steun voor de Palestijnen leverde Iran veel sympathie onder andere moslims op.

Het feit dat de toenmalige Amerikaanse president Jimmy Carter niet bij machte was de gijzeling van de Amerikaanse ambassade op te lossen, heeft bijgedragen aan zijn verlies in de presidentsverkiezingen van 1980 tegen Ronald Reagan.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties