Imperialisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Imperialisme is het proces waarbij landen hun macht in andere delen van de wereld uit willen breiden door gebieden te veroveren en te beheersen. Het overnemen gebeurt niet, zoals bij kolonialisme, alleen om de economische redenen. Het gaat ook vooral om de eigen cultuur en politiek over te brengen of te forceren op de bevolking.

Inleiding[bewerken]

Sinds het eind van de 15e eeuw was men in Europa al bezig met expansie. Voor die tijd was er nog sprake geweest van een aantal ongeveer gelijkwaardige grote wereldbeschavingen. Daarna nam Europa als gevolg van haar technische, militaire en economische overwicht steeds duidelijker de leiding. Gedreven door wisselende combinaties van economische, wetenschappelijke en religieuze motieven begon de Europese macht overal op aarde voelbaar te worden. Vanaf ongeveer 1500 werd wat nu Latijns-Amerika heet, door de Portugezen en de Spanjaarden onderworpen, vanaf circa 1600 deden ook de Engelsen, Hollanders en Zeeuwen zich gelden op het Westelijk halfrond. Na 1812 was er van al die koloniën echter weinig meer over. Het waren meestal niet de oorspronkelijke bewoners die hun onafhankelijkheid herwonnen, maar de Europese kolonisten die zich afzetten tegen hun respectievelijke moederlanden. Tot 1870 was de Europese invloed in het Nabije Oosten, Oost-Azië en de binnenlanden van Afrika nog vrij gering. Europeanen beperkten zich tot het stichten van handelskoloniën in kustgebieden. Ze grepen niet in in de bestaande productiewijzen, ze dreven handel in producten die de bestaande inheemse economie voortbracht. Ook de politieke structuren lieten ze intact. In de eerste helft van de 19e eeuw breidden de Europese koloniën zich nog relatief langzaam uit maar werden wel de nog laatste onbekende binnenlanden door westerse avonturiers, wetenschappers en missionarissen verkend en in kaart gebracht.

Tussen 1870 en 1914 veranderde die relatieve terughoudendheid radicaal. Het tempo van de Europese expansie versnelde dramatisch. Vrijwel geheel Afrika, Oceanië en grote delen van Azië werden nu voortvarend onder Europees bestuur gebracht. Op de Koloniale Conferentie van Berlijn kwamen de Verenigde Staten en vijftien Europese landen een verdeling van vrijwel heel het Afrikaanse continent overeen. De Europeanen begonnen hun koloniën systematisch te exploiteren. Ze begonnen het vervaardigen van producten op een moderne economische manier aan te pakken. Zo investeerden ze in de mijnbouw en plantageculturen als tabak, rubber, suiker, thee en koffie en verbeterden ze de infrastructuur om de producten gemakkelijker te verhandelen door de aanleg van spoorwegen en havens. Er werden banken en verzekeringsmaatschappijen opgezet en de horeca ontwikkelde zich om Europeanen volgens hun eigen eetgewoontes te bedienen.

Met het steeds groter groeiende Europese koloniale gebied werden Europese ideeën ook steeds verder verspreid, als eerste het Christendom en Europese rechtssystemen en later ook het humanisme, communisme en vooral nationalisme.

Oorzaken van het moderne imperialisme[bewerken]

Er zijn verschillende theorieën ontwikkeld om het modern imperialisme te verklaren.

  • Economische theorie. Volgens John A. Hobson vond het imperialisme zijn oorsprong in een overproductie in de Europese landen die niet afgezet kon worden.[1] Vladimir Lenin combineerde Hobsons werk met de marxistische analyse van Rudolf Hilferding, die een toenemende monopolievorming waarnam in het Europese kapitalisme. Het gevolg daarvan was het ineenstorten van de binnenlandse markt, overproductie en economische stagnatie. Dan was het niet goed meer mogelijk om kapitaal zo te investeren dat het winst opbracht. Het overtollige kapitaal zocht een uitweg, en vond die in overzees kapitaalexport: daar waren nog genoeg mogelijkheden om kapitaal winstgevend te investeren, hier lagen nog ongeëxploiteerde markten open. Om nu hun afzet- en investeringsgebieden tegen de concurrentie van buurlanden te beschermen, besloten de Europeanen tot annexatie van koloniën. Lenin verwachtte een ineenstorting van het kapitalisme zodra het ook op wereldschaal de grenzen van haar kunnen had bereikt, en zag die zich voltrekken in de Eerste Wereldoorlog.[2][3]
  • Ideologische theorie. Tegen het einde van de 19e eeuw kwamen er allerlei theorieën op welke de superioriteit van het blanke ras en van de eigen natie benadrukken. De kern van deze theorieën lag bij het sociaal darwinisme met zijn 'Survival of the fittest,' de best aangepasten overleven. Velen gingen op zoek naar superieure en inferieure rassen en volkeren, naties in opkomst en naties in verval. De meeste Europeanen kwamen tot hun conclusie dat hun eigen volk en blanke ras superieur waren; de uitbreiding van de heerschappij over andere gebieden en volkeren noemt men het nationalistisch imperialisme. Dit bracht hen weer op het idee van the white man's burden, een term die in 1899 door de Engelse schrijver Rudyard Kipling geïntroduceerd werd, al voorzag hij die wel van bedenkingen en waarschuwingen. Europeanen dachten dat zij een beschavingsopdracht hadden gekregen, een missie om de wereld beschaving bij te brengen Het was hun taak om de 'arme onontwikkelde' volkeren te 'redden' van hun 'bijgeloof', hun 'armoede' en 'wrede gebruiken'. Daarom ook ging kolonisatie sterk gepaard met christelijke missie.
  • Politieke theorie. Na 1870 nam de spanning binnen Europa toe als gevolg van de veranderende machtsverhoudingen. De toegenomen internationale concurrentie leidde ertoe dat de Europese mogendheden ten aanzien van de koloniën het zekere voor het onzekere namen en dat zij waar mogelijk hun koloniale bezit uitbreidden. Uiteindelijk gingen de Europese staatslieden koloniaal bezit als een essentiële voorwaarde voor de grootmachtstatus zien.
  • Industrialisatie-theorie: Sinds de Industriële revolutie was er een enorm toegenomen machtsongelijkheid tussen Europa en de rest van de wereld. Industrialisatie gaf de Europeanen betere wapens, snellere schepen en grotere economische macht. De transportrevolutie leidde ertoe dat de bereikbaarheid van de overzeese wereld veel groter werd. Het aantal contacten tussen de Europeanen en de rest van de wereld nam sterk toe. Er kwamen meer handelaren, meer ontdekkingsreizigers en missionarissen naar de binnenlanden van de tot dan toe schaars bezochte gebieden.

Gevolgen van het moderne imperialisme[bewerken]

Gevolgen in Europa[bewerken]

  • Economisch: Economisch gezien waren de nieuw verworven koloniën erg winstgevend voor Europa en betekenden ook een uitbreiding van de Europese economie op wereldniveau. Doordat er nieuwe grondstoffen en nieuwe markten beschikbaar kwamen heeft dit het economische leven sterk gestimuleerd.
  • Psychologisch: Psychologisch gezien betekende het modern imperialisme dat de superioriteitsgevoelens en het zelfvertrouwen van de Europeanen sterk werden gestimuleerd.
  • Politiek: Het imperialisme vergrootte de spanningen in Europa. Het machtsevenwicht in Europa veranderde. De rusteloosheid van de Duitse politiek, veroorzaakt door het idee te zijn achtergebleven in de race om koloniën, heeft een destabiliserend effect op de internationale relaties gehad.

Gevolgen voor de kolonies[bewerken]

  • De economie van de koloniën werd afhankelijk van Europa.
  • De Europeanen schakelden bepaalde bevolkingsgroepen in bij het bestuur of leger. Dit bevoordelen gaf veel onrust en sommige groepen voelden zich benadeeld.
  • Een politiek gevolg was dat het eigen bestuur verdween.

Gevolgen op korte termijn[bewerken]

De Europese penetratie heeft de traditionele economie, de politieke structuren en de cultuur ernstig aangetast. Traditionele economieën waren in de eerste plaats gericht op autarkie (zelfvoorziening), productie voor de markt betekende in veel gevallen uitputting van de grond wat vaak weer hongersnoden veroorzaakte.

Het politieke gezag van de traditionele leiders werd aangetast door de komst van de Europeanen, zij konden de dorpsgemeenschappen niet beschermen tegen gedwongen arbeid en belastingen. Bovendien bleken veel leiders zich bij samenwerking met de Europeanen persoonlijk aanzienlijk te verrijken, waardoor er vaak weer een opkomst van verzet tegen de traditionele leiders kwam.

Aan de andere kant bouwden de Europeanen ook veel op, infrastructuur, 'introductie van de moderne kapitalistische economie', dit waren vaak voorbeelden voor een kolonie. Bovendien zetten de Europeanen een over het algemeen redelijk functionerend bestuursapparaat op dat gedurende de kolonisatieperiode interne rust garandeerde.

Europeanen creëerden een nieuwe elite, zij gaven de jonge autochtone intellectuelen een Europese opleiding, met als doel met deze toekomstige elite samen te werken bij het besturen en het ontwikkelen van de koloniën. Ze introduceerden Europese ideeën aan deze nieuwe elite, liberalisme, socialisme en ook nationalisme.

Gevolgen op lange termijn[bewerken]

De koloniale economie werd verbonden met de wereldeconomie waardoor ze afhankelijk werden van dezelfde crises die Europa troffen. Zij waren daar meestal nog veel gevoeliger voor omdat de Europeanen veel monoculturen hadden geïntroduceerd, waarbij de hele kolonie afhankelijk was van het lot van een of twee producten.

Het opzetten van het koloniale bestuurssysteem dat na de dekolonisatie werd overgenomen leidde tot grote politieke problemen. Het bleek bijzonder moeilijk een overkoepelend nationaal bewustzijn te creëren. De stammentegenstellingen bleven het voornaamste politieke probleem dat burgeroorlogen onvermijdelijk maakte. Daarnaast was er een groot verschil tussen de Europese staat en de koloniale staat. Europa was democratisch en de koloniale besturen sterk autoritair en bureaucratisch dat noch verkiezingen noch serieuze oppositie toeliet.

Er kwam een nationalistisch verzet op tegen de Europeanen. Dit verzet werd gedragen door de nieuwe elite die de Europeanen zelf gecreëerd hadden. Het contact met de Europese cultuur betekende een geweldige cultuurschok voor de jonge autochtone intellectuelen. Ze leerden hun eigen samenleving met Europese ogen te zien. Eerst wilden ze de Europese cultuur omhelzen en graag samenwerken. Nu ze hun samenleving met Europese ogen zagen vonden ze haar achterlijk en wilden haar hervormen met hulp van Europa, maar ze bemerkten al snel dat ze ondanks hun Europese opleiding door de Europeanen geminacht en gediscrimineerd werden. De nieuwe elite zou zich nu ontwikkelen tot grote bron van onrust, van waaruit de nationalistische beweging ontstond.

Imperialisme in praktijk: Nederlandse imperialisme in Nederlands-Indië[bewerken]

In 1907 gaf een koloniaal bestuursambtenaar een lezing voor het Indisch Genootschap waarin hij uiteen zette dat het onbewuste doel van het Nederlands imperialisme het voltooien van de Indische staat was, door de verschillende delen van Nederlands-Indië onder de macht en invloed van het centrale gezag te brengen. Het Nederlandse imperialisme was volgens hem dus niet een opzichzelfstaand proces maar, een middel om een doel, de koloniale staat, te bereiken.

Tijdens het cultuurstelsel (1830-1860/70) bemoeide de Indische overheid zich, om het 'batig slot' zeker te stellen, met de productie op Java, maar hield het zich, om onnodige kosten te vermijden, zo veel mogelijk afzijdig van expansie in de Buitengewesten. Dit waren de hoogtijdagen van de 'onthoudingspolitiek'. Nederlands-Indië was in die tijd een oningevuld imperium. De buitengrenzen waren bij traktaat getrokken, daarbinnen was nog veel niet ingekleurd.

Na 1870 trok de koloniale overheid zich geleidelijk terug uit haar bemoeienis met de productie en werd Indië opengesteld voor particulier kapitaal. Het bestuur kon zich vanaf dat moment toeleggen op een nieuwe taak, het scheppen van voorwaarden voor 'de ontwikkeling van land en volk' in het algemeen en het westerse bedrijfsleven in het bijzonder. Hierdoor werd het koloniale bestuur omvangrijker, rechtstreekser en ingrijpender. Naast ambtenaren van het Binnenlands Bestuur kwamen er, onder invloed van de 'ethische richting', die er onder andere op gericht was de welvaart van de Indonesiërs te bevorderen, steeds meer gespecialiseerde diensten. Voor onderwijs, landbouw, veeteelt, gezondheidszorg, volkskredietwezen en verbetering van de infrastructuur werden steeds grotere bedragen uitgetrokken.

Dat vergde een modernisering van zowel het westerse als het inheemse bestuur in al zijn facetten, als ook van leger, politie, belastingen staatsinrichting en het recht. Dit proces viel samen met de periode van het 'moderne imperialisme', waarin de westerse koloniale machten onderling de wereld verdeelden. De Buitengewesten van Nederlands-Indië waren in de tijd van de onthoudingspolitiek erg verwaarloosd. Grote gebieden waren onbestuurde 'terra incognita'. Die witte vlekken op de landkaart konden nieuwkomers in de wedloop om koloniën, de Verenigde Staten, Italië, Duitsland en Japan, gemakkelijk op slechte gedachten brengen. Het was nu de taak van de Indische regering deze gebieden veilig te stellen.

Daarnaast dienden de Buitengewesten te worden opengelegd voor het westerse kapitaal en moest het inheemse productievermogen worden ingeschakeld in het wereldverkeer. Fiscaal waren de Buitengewesten ook aantrekkelijk. Van de belastingen die daar geheven konden worden zou, voor een deel, de uitbreiding van de bestuurstaken kunnen worden bekostigd.

Om dit alles te kunnen bereiken moest het gouvernement wel daadwerkelijk gezag over alle delen van de Indische archipel hebben. J. à Campo omschrijft het koloniale staatsvormings proces dan ook als volgt: het vestigen en versterken van feitelijke soevereiniteit en daadwerkelijk bestuur over een duidelijk omgrensd grondgebied door een uitheemse mogendheid; het streven naar uiteindelijke verzelfstandiging, maar zeker voorlopig met behoud van een staatkundige band met het moederland; het streven op lange termijn naar een grotere mate van juridische en politieke gelijkheid, zonder nochtans de bestaande voorrechten van de uitheemse bovenlagen de feitelijke maatschappelijke tweedeling op afzienbare termijn aan te willen tasten.

Het Nederlands imperialisme was dus een middel om de koloniale staat te bereiken. De ethische politiek kan volgens à Campo gezien worden als de ideologische uitdrukking van deze koloniale staatsvorming. De uitbreiding van het gezag en de staatsvorming kunnen dus niet los van elkaar worden gezien.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. John A. Hobson (1902). Imperialism, A Study: Chapter I.VI
  2. Vladimir I. Lenin (1917). Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme. Uitgeverij Pegasus.
  3. Paul R. Viotti en Mark V. Kauppi (1999). International Relations Theory. Realism, Pluralism, Globalism, and Beyond. Allyn & Bacon.