Latijns-Amerika

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Amerika
Kaart van Latijns-Amerikaanse landen die Portugees/Spaans/Frans spreken (groen)
Latijns-Amerika, geografisch

Latijns-Amerika is een regio op het Amerikaanse continent waar Romaanse talen worden gesproken. Het omvat ruwweg Midden- en Zuid-Amerika. Latijns-Amerika wordt normaliter onderscheiden van Anglo-Amerika, een regio op het Amerikaanse continent waar Engels wordt gesproken.

Etymologie[bewerken]

De term Latijns-Amerika werd voor het eerst gebruikt door Napoleon III, keizer van Frankrijk van 1852 tot 1870. Napoleon wilde in Mexico een marionettenkeizerrijk vestigen, en daarna de Franse invloed verder uitbreiden. Om dit te rechtvaardigen wees Napoleon op de 'Latijnse' cultuur van zowel Latijns-Amerika als Frankrijk. Hoewel de Mexicaanse republikeinen Napoleons soldaten wisten te verdrijven en hij zijn verdere plannen op moest geven, is de term Latijns-Amerika blijven hangen.

Definitie[bewerken]

Als Latijns-Amerika taalkundig wordt gedefinieerd wordt doorgaans het deel van Amerika bedoeld dat een Romaanse taal (Spaans, Portugees en Frans) als voertaal heeft. Overigens worden naast deze Romaanse talen ook vaak Indiaanse talen gesproken. Latijns-Amerika omvat in ieder geval de volgende landen en gebieden:


Vaak worden hier nog Belize, dat weliswaar een Engelse kolonie was maar een grote Spaanstalige bevolking heeft, en de Franse territoria in het Caribisch Gebied tot Latijns-Amerika gerekend. De overige landen en territoria in het Caribisch gebied worden ook wel eens, vooral in de Verenigde Staten, tot Latijns-Amerika gerekend, vooral om praktische redenen. Veel universiteiten combineren bijvoorbeeld hun instituten voor Latijns-Amerikaanse en Caraïbische studies:

De volgende gebieden worden, hoewel ze een "Latijnse" cultuur hebben, slechts zelden tot Latijns-Amerika gerekend.

Het gebied in Amerika dat volgens deze definitie buiten Latijns-Amerika valt, wordt ook wel eens Anglo-Amerika gebruikt, al slaat dat vaak alleen op Canada en de Verenigde Staten, of (zelden) Germaans-Amerika. Ook Noord-Amerika wordt wel eens (onterecht) gebruikt als naamgeving voor het niet Latijns-Amerikaanse gedeelte van de Amerika's.

In de praktijk wordt Latijns-Amerika vaak eenvoudiger gedefinieerd, namelijk als alles ten zuiden van de Rio Grande (Río Bravo), de grensrivier tussen Mexico en de Verenigde Staten, dus ook de gebieden (Belize, Suriname) waar geen Romaanse taal wordt gesproken. Volgens deze definitie wordt het Caribisch gebied soms wel en soms niet tot Latijns-Amerika gerekend.

Ibero-Amerika en Spaans-Amerika[bewerken]

De term Ibero-Amerika wordt gebruikt om de landen in Amerika aan te duiden waar Spaans en Portugees wordt gesproken. Deze naam wordt vooral gebruikt in Ibero-Amerika zelf. De term Spaans-Amerika of Hispano-Amerika wordt gebruikt voor alle landen in Amerika waar Spaans wordt gebruikt. Ook deze naam wordt vooral gebruikt in het gebied zelf.

Geschiedenis[bewerken]

Simón Bolívar, "de bevrijder"

Latijns-Amerika is al zeker sinds 12.000 v.Chr. bewoond, en mogelijk langer. Rond 6000 v.Chr. ontstond in Mexico en Peru voor het eerst landbouw. In de millennia daarna ontstonden er vele hoogontwikkelde indianenculturen, waaronder de Olmeken, de Chavin-cultuur, de Zapoteken, de Maya's, de Nazca-cultuur, de Tolteken, de Chimu-cultuur, de Chibcha-cultuur, de Azteken en de Inca's. Twee jaar na Christoffel Columbus' ontdekking van Amerika (1492) werd de wereld in het Verdrag van Tordesillas in een Portugees en Spaans deel verdeeld. Later bleek dat de grens dwars over het Amerikaanse continent liep, waardoor Brazilië Portugees werd. In de honderd jaar na de 1492 werd Latijns-Amerika grotendeels veroverd door de Spaanse conquistadores en kwam een groot deel van de indianen door ziekten om het leven.

Nadat de Verenigde Staten zich in 1776 onafhankelijk verklaarden, werd ook in Latijns-Amerika de roep om onafhankelijkheid sterker. De bezetting van Spanje door de troepen van Napoleon Bonaparte in 1808 zou de katalysator worden voor de onafhankelijkheidsbeweging; in vijftien jaar tijd wisten leiders als Simón Bolívar, José de San Martin, Bernardo O'Higgins en José María Morelos de Spaanse overheersers van zich af te schudden. Ook Brazilië werd in deze tijd onafhankelijk van Portugal. De decennia die volgden werden gekenmerkt door grote politieke instabiliteit: vrijwel overal braken burgeroorlogen uit en de verenigde republieken vielen uiteen in een lappendeken van staten. Bij grensconflicten pakten de landen voortdurend grond van elkaar af, en vele landen werden verscheurd door de strijd tussen liberalen en conservatieven. Pas in de laatste decennia van de 19e eeuw stabiliseerde Latijns-Amerika; in vele landen kwamen oligarchische regimes aan de macht, die onder het motto van Orden y Progreso ('orde en vooruitgang') economische voorspoed maar ook brute onderdrukking brachten.

Rond de jaren '30 werden de oligarchische regimes in de meeste landen afgelost door populistische regeringen, waarvan die van de Argentijn Juan Perón wellicht het bekendste is; hij liet zich duidelijk door de Italiaanse dictator Benito Mussolini inspireren en pretendeerde een derde weg te kunnen wijzen tussen kapitalisme en socialisme. De populistische leiders probeerde hun land op corporatistische leest te schoeien, poogden samenwerking tussen de verschillende bevolkingsgroepen te bewerkstelligen en cultiveerden een persoonlijkheidscultus. Na de Tweede Wereldoorlog werden de meeste van deze regimes vervangen door regeringen die meer democratisch waren, maar ook instabieler. Door het uitbreken van de Koude Oorlog waren de Verenigde Staten echter bang geworden voor communistische invloeden in Latijns-Amerika, en ze begonnen zich nog meer met hun 'achtertuin' te bemoeien dan voorheen, te beginnen met de omverwerping van de socialist Jacobo Arbenz in Guatemala in 1954. In de meeste landen grepen militairen de macht, vaak met impliciete of expliciete steun van de Verenigde Staten. Nadat Fidel Castro in 1959 in Cuba de macht greep werd de angst voor het communisme nog veel sterker. In verschillende landen kwamen guerrillabewegingen op die het Cubaanse voorbeeld wilden volgen, wat menig land in een bloedige burgeroorlog stortte. In Nicaragua wisten in 1979 de marxistische sandinisten de dictatuur van de Familie Somoza omver te werpen en een socialistische regering te vestigen, wat een elf jaar durende bloedige burgeroorlog in gang zette tussen de sandinisten en de door de Verenigde Staten gesteunde contra's.

In de jaren '80 raakten de meeste landen in een diepe economische crisis. Landen konden hun schulden niet meer afbetalen, en de inflatie liep in de honderden of soms wel duizenden procenten. De militaire regimes konden zich niet langer handhaven en stortten in, waarmee in het grootste deel van Latijns-Amerika de weg vrij kwam voor wat democratischer regimes. In Argentinië speelde de nederlaag in de Falklandoorlog een beslissende rol bij de val van de militaire junta.

Recente ontwikkelingen[bewerken]

Tegen het eind van de 20e eeuw en het begin van de 21e eeuw raakten veel Latijns-Amerikanen gedesillusioneerd met het neoliberale economische systeem, en werden er in veel landen linkse kandidaten tot president gekozen. Hiervan is de Venezuela het bekendste en (mede dankzij heel veel oliedollars) ook wel succesvolste voorbeeld, waar president Hugo Chávez zich profileert als een nieuwe Simon Bolivar en grote Latijns-Amerikaanse leider, die opstaat tegen het 'Yankee-imperialisme' en nauwe banden onderhoudt met de oude Cubaanse leider Fidel Castro. Er is wel waardering voor sociale projecten die onder zijn bewind van de grond zijn gekomen, maar er is ook veel kritiek, in binnen- en buitenland, op de afbraak van democratische rechten en van de onafhankelijkheid van de media. President Lula van Brazilië en Evo Morales van Bolivia zijn andere voorbeelden van links georiënteerde leiders. Ook in onder andere Chili en Uruguay hebben gematigd progressief georiënteerden verkiezingssuccessen geboekt.

Bevolking[bewerken]

De bevolking van Latijns-Amerika is een mix van vele verschillende bevolkingsgroepen. De inheemse inwoners worden wel Indianen genoemd, en vormen in landen als Guatemala en Bolivia nog een meerderheid van de bevolking. In Cuba en de Dominicaanse Republiek daarentegen zijn nog nauwelijks personen die zich (puur) indiaans kunnen noemen. Na de verovering werd Latijns-Amerika gekoloniseerd door Spanjaarden en Portugezen, van wie de afstammelingen bekendstaan als criollos. Vanaf de 16e eeuw werden er bovendien zwarte slaven uit Afrika overgebracht, die ook hun bijdrage hebben geleverd aan de bevolkingsopbouw. Verreweg het grootste deel van de Latijns-Amerikaanse bevolking is echter mesties, dat wil zeggen indiaans en Europees, of een andere mengvorm. Vanaf de 19e eeuw zijn nieuwe groepen emigranten naar Latijns-Amerika gekomen; Aziaten hebben zich gevestigd in de landen aan de Pacifische kust, Italianen zijn gemigreerd naar Zuidelijk Zuid-Amerika, personen uit het Midden-Oosten over het hele continent en Duitsers naar de binnenlanden.

90% van de Latijns-Amerikanen is rooms-katholiek, en het Latijns-Amerikaanse katholicisme kent op sommige punten duidelijk indiaanse invloeden. Een paar procent van de bevolking is protestants, maar dit aantal neemt snel toe, voornamelijk in Centraal-Amerika. Verder belijden indianen over het hele gebied nog hun oorspronkelijke natuurgodsdiensten, terwijl Afrikaanse slaven ook traditionele Afrikaanse religies hebben meegebracht.

Spaans wordt door 300 miljoen Latijns-Amerikanen gesproken en is daarmee de grootste taal in Latijns-Amerika. De 200 miljoen inwoners van Brazilië spreken Portugees en in de (voormalige) Franse koloniën wordt door ongeveer 7 miljoen mensen Frans gesproken. Verder spreken een paar miljoen mensen Engels. Indiaanse talen worden nog over heel Latijns-Amerika gesproken, en door een groter deel van de bevolking dan in Noord-Amerika. Veel gesproken indiaanse talen zijn Quechua (13 miljoen), Guaraní (6 miljoen), Aymara (1,6 miljoen) en Nahuatl (1,5 miljoen).