Muisca

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Precolumbiaanse culturen

De Muisca is een Colombiaanse Chibcha-sprekende indianenstam.

Oorsprong[bewerken]

300 tot 400 jaar voor onze jaartelling trokken Chibcha-sprekende indianen vanuit Midden-Amerika naar Colombia, Venezuela en Ecuador. De Chibcha vestigden zich oorspronkelijk aan de Atlantische kust en later in het binnenland. Rond 1000 n.Chr. migreerden oorlogszuchtige Carib-indianen van de Braziliaanse kuststreek en de Caraïbische eilanden naar de Colombiaanse kusten en de rivierdalen van de Rio Magdalena en Rio Cauca en verdreven de Chibcha naar hoger gelegen Andes-gebieden. De Chibcha-indianen bereikten een hoge graad van economische en politieke ontwikkeling. Toen de Europeanen rond 1500 Zuid-Amerika begonnen te ontdekken was de Chibcha de prominentste etnische groep in Colombia. Zij waren onderverdeeld in de Muisca en de Tairona, en nog enkele kleinere groepen.

Op het hoogtepunt van de Muisca-cultuur leefden er zo’n 56 verschillende stammen met ongeveer 1.000.000 inwoners verspreid in nederzettingen over het gebied van het huidige Cundinamarca en Boyacá, ca. 50.000 km². In een volkstelling van 1993 werden er nog 500 geregistreerd.

De Spaanse overheerser gaf deze groep indianen de naam Muisca omdat ze het woord veelvuldig gebruikt hoorden worden. De indianen duidden zichzelf echter niet aan met deze naam, het woord Muisca betekent in dit Chibcha-dialect 'persoon'. Door de klankovereenkomst en het feit dat de Spanjaarden veel Muiscas aantroffen werden ze ook wel Mosca genoemd, het Spaanse woord voor vlieg.

Het dagelijkse leven[bewerken]

Voorbeeld van Muiscahuizen in het Parque Arqueológico de Sogamoso
De Muisca-cijfers 1 t/m 20 zoals ze door resp. Acosta, Humboldt en Zerda werden geregistreerd.

Een typische Muisca-nederzetting bestond uit een aantal huizen rondom dat van de hoofdman. Een huis bestond uit een houten geraamte, muren van stro en gedroogde modder en een met bladeren bedekt dak. De nederzetting was met een palissade afgezet. Muiscas construeerden ten tijde van de Spaanse veroveringen nog geen stenen bouwwerken, hoewel men op heilige plaatsen wel stenen pilaren oprichtte.

Hoewel Muisca-petroglyfen zijn gevonden hadden deze waarschijnlijk geen verhalende functie. De Muiscas beheersten het schrift niet en hun geschiedenis is gebaseerd op overlevering en vertellingen, waardoor hun geschiedenis voornamelijk uit legendes en parabels bestaat. Muiscas waren wel in staat berekeningen te doen. Ze gebruikten daarvoor een 20-tallig stelsel, waarschijnlijk gebaseerd op de vingers en tenen.

Muiscas waren landbouwers. Ze bouwden irrigatiekanalen en terrassen om te voorkomen dat de aarde van de hellingen wegspoelde. De belangrijkste landbouwproducten waren maïs, aardappelen, pompoenen, yucca, bonen en fruit. De mannen bewerkten de aarde en de vrouwen zaaiden en oogsten.

Jacht en visserij waren voor iedereen toegestaan, maar jacht op groot wild, veelal herten die in groten getale de savanne bevolkten, was alleen voorbehouden aan de opperhoofden, de caciques en uzaques.

Weven en mandenmaken was een typische familiebezigheid. Manden werden van riet vervaardigd. Textiel werd geweven van katoen. De vezels van yucca of agave werden gebruikt om touw, netten en riemen te maken. Families maakten zelf aardewerk maar er waren ook nederzettingen waar pottenbakkerij een specialisatie was.

Goudbewerking was binnen de Muisca-cultuur een belangrijk ambacht en de beste goudsmeden woonden rond Guatavita. Goud was echter schaars en moest geïmporteerd worden. Koper werd wel in de regio gevonden en de meeste gouden voorwerpen bestonden dan ook uit een legering van koper en goud, genaamd tumbaga. De Muiscas gebruikten de verloren-wasmethode om unieke objecten te gieten en in stenen gekerfde figuren als gietvorm voor identieke stukken en kettingschakels. Gouden voorwerpen dienden in het algemeen als offergaven, tunjos, aan goden en heilige plaatsen, niet als sieraden voor de opperhoofden.

Op enkele plaatsen in het Muisca-gebied werd mijnbouw bedreven. Smaragd, koper, steenkool en zout werd gewonnen. Zout uit de bronnen van Nemocón, Zipaquira en Tausa werd gewonnen door het zoute water in te koken. Zout was een gewild product en gaf de Muiscas een zekere handelspositie t.o.v. de omliggende gebieden.

Handel werd over grote afstanden bedreven - sommige bronnen spreken van 800 km. Over smalle paden trokken handelaren over de bergen met handelswaar op hun rug, zoals zoutbroden, keramiek, kleden en voedsel. Aan de grenzen van het Muisca-gebied troffen ze buurstammen, en daar ruilden ze hun producten voor goud, katoen, veren, coca en voedsel.

Ook onderling was handel in het Muisca-gebied georganiseerd. In de nederzettingen waren er om de vier dagen markten en de marktdag was verschillend voor iedere nederzetting. Dit maakte het mogelijk om iedere dag een plaats in de buurt te bereiken waar producten konden worden gekocht of verkocht.

Politieke en maatschappelijke organisatie[bewerken]

Er bestonden ten tijde van de Spaanse veroveringen naast een aantal kleinere gemeenschappen twee grote Muisca bondgenootschappen: Bacatá (Bogota) en Hunza (Tunja) die samen ongeveer 400.000 inwoners hadden. De federatie van Bacata was de grootste en nam ongeveer 40% van het totale Muisca-gebied in beslag, gevolgd door de federatie van Hunza. Aan het hoofd van de Bacatá stond een zipa - bij de Hunza heette het opperhoofd zaque. De zipa en zaque hadden slaven en meerdere vrouwen.

De maatschappelijke organisatie draaide om het cacicazgo, het stamhoofd, en een overerfbaar leiderschap via de vrouwelijke lijn. In het bijzonder: de opvolger van het stamhoofd was de oudste neef, de zoon van zijn zus. Bij erfenissen had de familie van de vrouw recht op het land.

De machtsstructuur van de Muiscas begon op het laagste niveau bij de hoofden van de families, gevolgd door de uzaque – het hoofd van het dorp. Daarboven volgde de bijeenkomsten van de lokale opperhoofden en de federatie van uzaques, om te eindigen bij de zipa of de zaque, de hoogste federale autoriteit, wiens aanzien onder de Muiscas niet veel onderdeed voor de autoriteit van de Spanjaarden. Om belangrijke beslissingen te nemen riep het opperhoofd van de federatie – zipa of zaque – een raad van de uzaques bijeen. Dit vormde een belangrijke bindende factor in de federatie van de Muiscadorpen.

De bevolking betaalde belasting aan de zipa of zaque in de vorm van oogst of arbeid. Daartegenover zorgden de zipa en zaque voor voorraden levensmiddelen en wapens ten tijde van droogte of oorlog.

De opperhoofden stelden wetten op en voerden hun legers aan. De Muiscas droegen ter inspiratie in hun gevechten mummies van overleden strijders mee. Guechas, getrainde strijders, bewaakten de grens. De communicatie binnen het Muisca-rijk werd verzorgd door boodschappers, tiuquines, snelle sterke mannen die het nieuws rennend van dorp naar dorp rondbrachten. De twee belangrijkste vijanden van de Muiscas waren de Muzos en de Panches, stammen aan de grenzen van het Muisca-gebied. Muiscas waren regelmatig in staat van oorlog met deze stammen.

Recent onderzoek toont aan dat lichamen die begraven waren met versieringen en ornamenten, de elite, genetisch meestal geen verwantschap met elkaar hadden. Leiderschap zou dus geen overerfbare eigenschap zijn.

Mythologie en religie[bewerken]

Reconstructie van de Zonnetempel in het Archeologische Museum van Sogamoso
Astronomisch bouwwerk nabij Villa de Leyva. Het bouwwerk is in de loop van de eeuwen steeds verder afgebroken. In 1894 stonden er nog twee rijen met resp. 34 en 12 zuilen. Nu staan er nog 25 zuilen op een rij.
Een uitbeelding van het inwijdingsritueel van het nieuwe opperhoofd in goud. Weergegeven is een vlot met de nieuwe Zipa omringd door zijn priesters en roeiers.

Elementen van de Muisca-mythologie komen overeen met die van andere Chibcha-culturen en met die van de Inca's. Muiscas geloofden dat Chiminigagua de wereld creëerde. In het begin was alles donker en Chiminigagua zond zwarte vogels uit over de wereld die uit hun snavels schitterende lucht ademden en op die manier licht over de aarde brachten. De zon en de maan, die ook als goden werden vereerd, kwamen daarvoor later in de plaats.

De eerste mens die de aarde bewoonde was een vrouw. Volgens de legende kwam deze vrouw, Bachué, uit het meer van Iguaque, waarboven de zonnewende plaats vindt. Aan haar hand had ze een jongetje van 3 jaar. Toen de jongen groot genoeg was, trouwden ze en kregen vele kinderen die de aarde bevolkten. Bachué en haar man keerden na vele jaren terug naar het meer Iguaque. Daar veranderden ze in twee slangen en verdwenen weer in het water. Meren waren daarom in de Muisca-religie van groot belang. Bachué was ook de godin van vruchtbaarheid. Zij werd ook wel Furachoque genoemd, wat “Goede Vrouw” betekent.

Een andere legende gaat over Bochica, een man met lange haren en een baard die op een dag uit het Oosten het Muiscagebied betrad. Hij leerde de Muisca-voorouders zich te kleden, zich te beschilderen, oprechtheid, de wetten te respecteren en hij leerde hen over het zielenleven. Op een dag verdween hij in het westen, in de rotsen een voetspoor achterlatend. Jaren later vond er een grote overstroming plaats die dorpen vernielde en waarbij veel mensen omkwamen. De Muiscas smeekten om Bochica en hij verscheen opnieuw op de regenboog. Met zijn gouden staf, sloeg hij de rotsen doormidden. Het water, dat al een meer had gevormd in de savanne, verdween in een grote waterval, de huidige Salto del Tequendama. De schuld van de overstroming lag bij Huitaca, een losbandige duivel, en bij de god Chibchacum, beschermgod van de landbouwers. Bochica strafte hen allebei. Huitaca werd veranderd in een nachtuil en Chibchacum werd gedwongen om voortaan de aarde op zijn schouders te nemen. Muiscas dachten dat aardbevingen ontstonden als hij moe werd en de aarde op zijn andere schouder legde.

Muiscas geloofden in een leven na de dood. De ziel was onsterfelijk en reisde na de dood naar het centrum van de aarde, verder levend in een wereld die leek op de aardse wereld, etend en drinkend met hun vrouwen. Daarom werden bij de begrafenis van een hoofdman een aantal van zijn favoriete vrouwen, slaven, eten en drinken, kleding, wapens en sieraden mee begraven.

Priesters stonden in hoog aanzien in de Muisca-gemeenschap. Zij werden daartoe van kinds af aan opgeleid. Zij onderhielden de tempels en begeleidden religieuze ceremonies. Ze begroeven de doden, de leiders werden eerst gemummificeerd. Offergaven werden via de priesters aan de goden aangeboden. Het aanbidden van de zon en de maan stond centraal in de religie van de Muiscas. De priesters voedden moxas op, kinderen die op 15-jarige leeftijd werden geofferd aan de Zonnegod.

Priesters voorspelden aan de hand van de sterren, maan en wolken het weer en berekenden de tijdstippen waarop gezaaid, bemest en gesnoeid moest worden. Nabij Villa de Leyva zijn nog 25 grote cilindrische kolommen te vinden die in oost-westrichting zijn geplaatst. Deze kolommen werden gebruikt bij astronomische observaties en religieuze ceremonies, en waarschijnlijk fungeerden ze als een grote zonnewijzer. In een straal van een kilometer rondom de zonnewijzer vindt men nog een veelheid aan stenen kolommen, en ook in andere Muisca-gebieden komt men rijen van stenen kolommen tegen. Priesters hadden bovendien kennis van de genezende krachten van kruiden. Hun religieuze ervaringen werden mogelijk beïnvloed door het gebruik van yopo en coca.

Een van de belangrijkste ceremonies binnen de Muisca-gemeenschap was de inwijding van het nieuwe opperhoofd. Mogelijk is het ontstaan van de legende van El Dorado het gevolg van deze ceremonie. Na jaren van voorbereidingen werd de opvolger van het opperhoofd, de zoon van de oudste zus van het vorige opperhoofd, naar het heilige meer van Guatavita geleid. Voor de dageraad werd hij door de priesters ingesmeerd met hars, en bestrooid met goudstof. Als een gouden standbeeld met de scepter van het opperhoofd besteeg hij een vlot met zijn uzaques en zijn priesters. Uit respect keek niemand hem in zijn gezicht. Het volk maakte vuren op de oevers en keerde hem respectvol de rug toe. Bij de eerste zonnestralen wierp het nieuwe opperhoofd goud en smaragden als offergaven aan de goden in het water. Na zich ondergedompeld te hebben besteeg hij opnieuw het vlot om naar de oever terug te keren. Met muziek van trommels, fluiten en bellen en het drinken van chicha (een alcoholische drank van maïs) werd het nieuwe opperhoofd moed, gezag en geluk gewenst.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties