Honing

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Honing en brood

Honing (verouderd: Honig) is een natuurlijke zoetstof die door honingbijen wordt gemaakt, met de door hen verzamelde nectar als hoofdingrediënt. Nectar is afkomstig van bloemen en bevat diverse suikers, mineralen en sporenelementen. De bijen veranderen de nectar in honing door er enzymen (diastase, invertase, katalase) aan toe te voegen en door het overtollige vocht van de nectar te laten verdampen.

Smaak, geur en kleur van honing variëren al naargelang de soort bloemen waar de nectar uit is gewonnen: zo bestaan er bijvoorbeeld lindehoning, lavendelhoning, rozenhoning, klaverhoning en heidehoning.

Baby's onder een jaar kunnen uit voorzorg het beste nog geen honing eten. Het maag- en darmstelsel van zuigelingen tot 12 maanden is nog niet volledig ontwikkeld en daardoor nog instabiel. Het kan niet uitgesloten worden dat sporen van Clostridium botulinum, die overal voorkomen, ook in honing aanwezig zijn en in een enkel geval zuigelingenbotulisme zouden kunnen veroorzaken.

Sommige honingsoorten bevatten sporen van maltose, dextrine, melizitose, turanose en sporadisch pentose (ribose, arabinose, xylose, lyxose)

[bewerken] Culturele betekenis

Honing heeft in veel culturen een zuiverende betekenis vanwege zijn zoetheid. In het oude China was honing al bekend als zoetmiddel in de brede zin van het woord; het was dan ook een symbool voor seksueel genot. Ook in Indiase mythen speelt honing een belangrijke rol.

[bewerken] Houdbaarheid

Pure honing bederft nauwelijks. Er is honing gevonden in Egyptische koningsgraven die nog geschikt was voor consumptie.[bron?]

Persoonlijke instellingen