Koolzaad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koolzaad
Bloemen
Bloemen
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Malviden
Orde: Brassicales
Familie: Brassicaceae (Kruisbloemenfamilie)
Geslacht: Brassica (Kool)
Soort
Brassica napus
L. (1753)
Rapeseed field (Brassica napus) in Germany.JPG
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Koolzaad (Brassica napus) is een een- of tweejarige plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). De plant lijkt veel op raapzaad (Brassica rapa subsp. oleifera). Het koolzaad bloeit echter iets later, en is hiervan ook te onderscheiden doordat bij het koolzaad de knoppen van de ongeopende bloemen hoger zitten dan de bloemen, terwijl bij het raapzaad de bloemen de knoppen bedekken. Koolzaad kan zowel zichzelf bestuiven als door bijen of hommels bestoven worden.

Honingbij

Koolzaad is een alloploïde, die ontstaan is uit een kruising van Brassica rapa en Brassica oleracea. Het aantal chromosomen is 2n = 38, waarvan 20 afkomstig zijn van Brassica rapa en 18 van Brassica oleracea[1].

Koolzaad is wereldwijd een belangrijk akkerbouwgewas.

Geschiedenis[bewerken]

Koolzaad komt oorspronkelijk uit het oostelijke deel van de Middellandse Zee waar de olie werd gebruikt voor consumptie en als lampolie. In India komt koolzaad rond 2000 v. Chr. al voor. De Romeinen kende de plant. In Midden-Europa komt de plant sinds de veertiende eeuw voor[2] Vanaf de zeventiende eeuw wordt er een grotere oppervlakte koolzaad verbouwd en is koolzaad het belangrijkste oliegewas in Nederland en Noord Duitsland[3]. In het begin werd de olie echter vooral in olielampen gebruikt. Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd de olie ook meer en meer voor voedingsdoeleinden gebruikt. De olie smaakte echter bitter vanwege het hoge gehalte aan erucazuur, waardoor het gebruik voornamelijk beperkt bleef tot lampolie, smeermiddel in stoommachines en voor de produktie van zeep. Door het hoge gehalte aan erucazuur was koolzaad ook ongeschikt als veevoer. In de beide wereldoorlogen werd de teelt in Duitsland sterk uitgebreid, vooral voor de produktie van margarine.

In het midden van de zeventiger jaren van de twintigste eeuw kwamen de enkelnul- en een tiental jaren later de dubbelnulrassen op de markt. Door de dubbelnulrassen werd de olie geschikt voor consumptie en het restproduct, de perskoeken, voor veevoer. Hierdoor breidde de teelt in Europa zich uit. In 1976 werd het eerste erucazuur-arme ras, Primor, op de Nederlandse Beschrijvende Rassenlijst voor Landbouwgewassen geplaatst. Dit ras werd eerder in 1973 opgenomen op de Franse rassenlijst. In 1982 wordt vrijwel alleen nog het erucazuur-arme ras, Jet Neuf, die in 1979 op de rassenlijst kwam in Nederland op 11.000 ha geteeld. In 1989 werd 6300 ha koolzaad in Nederland verbouwd. In 1989 werd het eerste erucazuur- en glucosinolaat-arme ras, Arabella, op de Nederlandse Beschrijvende Rassenlijst voor Landbouwgewassen geplaatst. In Duitsland kwam dit ras in 1986 op de rassenlijst.

Ook wordt koolzaad nu gebruikt voor de productie van biobrandstof.

Beschrijving[bewerken]

De plant wordt 30 - 150 cm hoog en kan een vlezige penwortel vormen. De rechtopgaande, holle stengel is naar boven toe vertakt.

Alle bladeren ook de onderste zijn blauwgroen en ten minste aan de onderzijde op de middennerf met borstelharen. Bij raapzaad zijn de onderste bladeren grasgroen en borstelig behaard. De bovenste bladeren zijn stengelomvattende met een ondiep-hartvormige voet. Bij raapzaad hebben de bovenste bladeren een stengelomvattende, diep-hartvormige voet. De onderste, langronde tot lancetvormige bladeren hebben een tot 15 cm lange bladsteel en een 5 - 25 cm lange en 2 - 7 cm brede bladschijf. De bladschijf is vaak ongedeeld of heeft tot 6 veerdelige lobben. De eindlob is eivormig en heeft een getande rand. De andere lobben hebben een getande of ongetande bladrand.

In het wild bloeit koolzaad van april tot augustus. De tweeslachtige, gele bloemen hebben vier kroon- en vier kelkbladen en staan met 20 -40 bloemen in een tros. De bloemen aan de tros bloeien van beneden naar boven. De verkeerd-eivormige kroonbladen zijn 10 - 16 mm lang en 6 - 9 mm breed. Ze hebben een 5 - 9 mm lange nagel. De 5 - 10 mm lange en 1,5 - 2,5 mm brede kelkbladen zijn schuin afstaand. De bloem heeft zes, 7 - 10 mm lange, viermachtige meeldraden. De twee korte meeldraden staan aan de voet naar buiten gekromd in de buitenste krans en de vier lange staan rechtop in de binnenste krans. De langwerpige helmknoppen zijn 1,5 - 2,5 mm lang. Aan de voet van de 2 korte meeldraden zitten op de bloembodem een paar honingklieren. De stamper heeft een bovenstandig vruchtbeginsel.

De cilindrische tot iets vierkante hauw is 5 - 10 cm lang en 3,5 - 5 mm dik en heeft een 8 - 15 mm lange snavel. Bij raapzaad is de snavel 15 - 20 mm lang. De hauw bevat 12 - 20, donkerbruine tot zwartachtige, ronde zaden. De zaden zijn 1,5 - 2,5 mm groot en hebben een fijn netvormige zaadhuid.

Bloemdiagram

Bloemdiagram[bewerken]

Koolzaad heeft het nevenstaande bloemdiagram:

Teelt[bewerken]

Koolzaad wordt in een wisselteelt toegepast met om de 3-4 jaar koolzaad. Het levert per hectare 16-17 ton droge stof op. Ongeveer 9 ton van het gewas blijft als stoppel en wortelgestel achter in de bodem en wordt omgezet in humus.

Winter- en zomerkoolzaad[bewerken]

Winterkoolzaad[bewerken]

Winterkoolzaad wordt tussen half augustus en begin september gezaaid en geoogst in de eerste helft van juli van het daarop volgende jaar. Per hectare wordt 5 - 9 kg zaaizaad gebruikt. Hiermee wordt een standdichtheid van 50 - 80 planten per m2 verkregen. De afstand tussen de plantenrijen bedraagt 12,5 of 25 cm.

Van winterkoolzaad zijn er zogenaamde dubbelnulrassen en enkelnulrassen. Bij de dubbelnulrassen is zowel het erucazuur- als het glucosinolaatgehalte in het geoogste zaad laag. Enkelnulrassen hebben een laag erucazuurgehalte maar een hoog glucosinolaatgehalte en worden niet meer gezaaid.

Zomerkoolzaad[bewerken]

In nederland wordt nauwelijks zomerkoolzaad geteeld. Zomerkoolzaad wordt tussen half maart en 10 april gezaaid. De oogst van zomerkoolzaad vindt plaats tussen half augustus en eind augustus. Zomerkoolzaad heeft een kort groeiseizoen en brengt daardoor minder op.

Ziekten en aantastingen[bewerken]

Knolvoet
Melige koolluis
Koolzaadglanskever (tot 2 mm lang)
Mineervlieg schade

De insecten geven in Nederland meer schade dan de schimmels. Bij winterkoolzaad kunnen gevlekte akkerslakken veel schade veroorzaken aan de jonge planten.

Schimmels en virussen[bewerken]

Insecten en aaltjes[bewerken]

De aardvlooien kunnen in een jong gewas soms veel schade veroorzaken.

Oogst[bewerken]

Maaidorser die hier geen zwad maar direct het gewas dorst.

Het oogsten gebeurt op het moment dat de middelste hauwen geel tot grijsbeige van kleur zijn. Doordat de hauwen van beneden naar boven afrijpen, de bloemen bloeien aan de bloeiwijze namelijk van beneden naar boven, geven de middelste hauwen het beste oogssttijdstip weer. Wordt gewacht totdat alle hauwen rijp zijn dan treedt door het openspringen van de hauwen veel zaadverlies op. Voor het oogsten wordt het gewas in Nederland eerst in het zwad gemaaid en 1 -2 weken later gevolgd door het opraapdorsen. Ook kan direct van stam gemaaidorst worden. Daarna moet het zaad vaak nagedroogd worden. Van belang bij het zwadmaaien is dat de hauwen zo min mogelijk op de grond komen te liggen. Daarom wordt op een hoogte van 20-25 cm gemaaid, waardoor een lange stoppel achterblijft en moeten de rassen voldoende lang stro hebben. Ook moet de vertakking en de hauwen op een ongelijke hoogte zitten. Tevens mogen de hauwen niet gauw openspringen om zaaduitval te voorkomen.

Bij te vroeg oogsten is het chlorofylgehalte van het zaad te hoog en heeft het ook een hoog gehalte aan ongewenste vrije vetzuren. Het chlorofyl is afkomstig van het kiempje in het zaad.

Na de oogst moet er door enkele keren een lichte grondbewerking uit te voeren er voor gezorgd worden dat het uitgevallen zaad gaat kiemen, omdat anders nog jaren later opslag kan plaatsvinden in de volggewassen.

Koolzaadolie[bewerken]

Uit het zaad wordt koolzaadolie getrokken die vele toepassingen heeft. Van koolzaadolie kan ook biodiesel gemaakt worden. Daarnaast kan het ook in pure vorm of vermengd met dieselolie in (aangepaste) dieselmotoren gebruikt worden. De vezels die na persing overblijven zijn rijk aan onverzadigde vetzuren, eiwitten, vitaminen en mineralen en zijn gewild als krachtvoer voor het vee. In de maanden april en mei zijn de helgele velden van verre zichtbaar en trekken veel dagjesmensen. Een hectare winterkoolzaad brengt ongeveer 4500 kilo zaad op en zomerkoolzaad een derde minder. Het koolzaad bevat 40 tot 45% olie. Per hectare kan ongeveer 1600 liter biodiesel geproduceerd worden of ongeveer 1300 liter PPO.

Canola is is een speciaal versie van koolzaad, verkregen via kruising, maar deze is niet genetisch gemodificeerd. Dit koolzaad is gekweekt op de Universiteit van Manitoba, Canada, door Keith Downey en Baldur R. Stefansson in het begin van de jaren 1970, en heeft met name veel minder erucazuur.

EEG-steun[bewerken]

De voormalige EEG verleende steun om de verbouw van koolzaad te stimuleren. Met de komst van enkelnulrassen, die arm zijn aan erucazuur of aan glucosinolaat, werd de steun ingetrokken voor rassen die rijk zijn aan beide stoffen. Ter bevordering van de overgang van enkelnul- naar dubbelnulrassen werd door de EEG in 1990 en 1991 ook nog een toeslag verleend. In 1991 mocht koolzaad nog tot 35 micromol glucosinolaat per gram zaad bevatten om voor deze toeslag in aanmerking te komen. Vanaf 1992 werd alleen nog steun verleend aan de teelt van dubbelnulrassen met een glucosinolaatgehalte van maximaal 20 micromol per gram zaad.

Producenten[bewerken]

In 2012 werd wereldwijd 65 miljoen ton koolzaad geoogst[4]. De grootste koolzaadproducenten zijn (cijfers 2005[5] India (7,3 miljoen ha), China (7,2 miljoen ha) en Canada (5,5 miljoen ha), tezamen goed voor bijna driekwart van de wereldproductie. De productie in de EU was anno 2007 6,7 miljoen ha, een stijging van 2 miljoen hectare in twee jaar, en de productie in 2005 lag zo'n 2,6 miljoen hoger dan die 20 jaar eerder. De grootste producenten binnen de EU zijn Frankrijk, Duitsland, Polen en het Verenigd Koninkrijk. De productie in België besloeg in 2007 ruim 10.000 ha. In Nederland werd op dat moment 4000 ha koolzaad verbouwd.

De grootste koolzaadproducenten in 2012 waren [4]
Rang Land Hoeveelheid 
in tonnen
1 Vlag van Canada CAN 15.409.500
2 Vlag van China CHN 14.000.000
3 Vlag van India IND 6.776.000
4 Vlag van Frankrijk FRA 5.463.063
5 Vlag van Duitsland GER 4.821.100
6 Vlag van Australië AUS 3.427.294
7 Vlag van Verenigd Koninkrijk GBR 2.557.000
8 Vlag van Polen POL 1.865.598
9 Vlag van Oekraïne UKR 1.204.400
10 Vlag van Verenigde Staten USA 1.112.230
11 Vlag van Tsjechië CZE 1.109.137
12 Vlag van Rusland RUS 1.035.459
13 Vlag van Wit-Rusland Wit-Rusland 704.456
14 Vlag van Litouwen Litouwen 632.900
15 Vlag van Pakistan PAK 575.000
Wereld 65.058.240

In Nederland[bewerken]

In Nederland werd het gewas met name in de provincie Groningen en de Flevopolder enkele decennia geleden relatief veel geteeld. In de Flevopolder was het zeer geschikt om de bodem bewerkbaar te maken voor verdere landbouw na de inpoldering. In het midden van de twintigste eeuw werd maar liefst 30.000 hectare bebouwd. Toen petroleum de prijs deed dalen liep de verbouw terug tot 6000 hectare omstreeks 1985. In 2000 bedroeg het areaal in Nederland 2.907 ha, in 2007 3400 ha, waarvan 252 ha zomerkoolzaad en in 2013 3.477 ha. In Nederland wordt overwegend winterkoolzaad verbouwd.

In 2003 besloeg het areaal in de provincie Groningen zo'n 600 ha. In 2004 was dit gegroeid naar 1.200 ha. Verreweg het merendeel van de velden ligt in het Oldambt (Oost-Groningen) met enkele percelen in Noord-Groningen. In 2007 werd ongeveer 650 hectare koolzaad geteeld in Oost-Nederland en in 2011 501 hectare.

Genetisch gemodificeerde rassen[bewerken]

De volgende genetisch gemodificeerde rassen zijn in de EU toegelaten, in onderzoek of is de toelating verlopen.

Transgene koolzaadrassen in de EU (stand oktober 2011)[6]
Ras Firma Eigenschap Doel Aangevraagd Toegelaten Details
GS40 / 90pHoe6 / Ac Bayer CropScience Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Verbouw 1995 aangevraagd Details
GT73 Monsanto Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer 1998 toegelaten Details
GT73 Monsanto Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer 2010 aangevraagd Details
Liberator pHoe6/Ac Bayer CropScience Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Verbouw 1998 aangevraagd Details
MS1 × RF2 Bayer CropScience mannl. steriliteit, herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer, Verbouw 1995 verlopen Details
MS1 × RS1 Bayer CropScience mannl. steriliteit, herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer, Verbouw 1997 verlopen Details
MS8 × RF3 Bayer CropScience mannl. steriliteit, herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer 1996 toegelaten Details
MS8 × RF3 Bayer CropScience mannl. steriliteit, herbicideresistentie Levens- en voedermiddel 2010 aangevraagd Details
MS8 × RF3 × GT73 Monsanto / Bayer CropScience Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer 2009 aangevraagd Details
T45 Bayer CropScience Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer 2005 toegelaten Details
TOPAS 19/2 Bayer CropScience Herbicideresistentie Levens- en voedermiddel, Invoer 1998 verlopen Details

Zie ook[bewerken]

Fotogalerij[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Fachagentur Nachwachsende Rohstoffe (Hrsg.): Pflanzen für die Industrie (PDF; 1,6 MB). Gülzow, 2005. S. 7.
  2. Frank Kempken, Renate Kempken: Gentechnik bei Pflanzen, S. 2, 3. Auflage, 2006, ISBN 3-540-33661-3
  3. Klaus-Ulrich Heyland, Herbert Hanus, Ernst Robert Keller: Ölfrüchte, Faserpflanzen, Arzneipflanzen und Sonderkulturen, In: Handbuch des Pflanzenbaues, Bd. 4, S. 43-44, ISBN 3-8001-3203-6
  4. a b Offizielle FAO-Statistik, geraadpleegd op 12 juni 2014
  5. FAOSTAT database
  6. Suche nach „Raps“ in der transGEN-Datenbank. (geraadpleegd op 26 oktober 2011)