Chromosoom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Chromosoom Dutch text.png
46 chromosomen van een meisje
Chromosoom tijdens celdeling

██ 1. Chromatide

██ 2. Centromeer

██ 3. Korte arm

██ 4. Lange arm

Chromosomenpreparaat
Chromosomen van de mens

Een chromosoom [Grieks: χρώμα (chroma) = kleur; σώμα (soma) = lichaam] is een drager van een deel van het erfelijk materiaal (DNA) van een organisme. Het is een met kleurstoffen goed zichtbaar te maken eiwitstructuur in de celkern van eukaryoten. Prokaryoten (bacteriën en archaea) bezitten geen echte chromosomen maar ringvormig DNA, evenals plastiden en mitochondriën. Tijdens de celdeling worden de chromosomen goed zichtbaar door samentrekking (condensatie) van het chromatine. Aan het eind van een chromosoom zit een telomeer. Er zijn autosomen, X-chromosomen en Y-chromosomen.

Bij diploïde organismen, ook bij de mens, komen chromosomen voor in paren van homologe chromosomen, waarbij één exemplaar van de moeder komt en het andere van de vader. Homologe chromosomen hebben een gelijke opbouw, maar zijn niet identiek.

Gewoonlijk heeft een mens 46 chromosomen (23 paar). Bij de celdeling verdubbelt ieder chromosoom zich en bestaat dan tijdelijk uit twee identieke chromatiden. De celkern bevat dan 92 chromatiden. Als de chromatiden van elkaar gescheiden zijn blijven er 92 dochterchromosomen over, die later verdeeld worden over twee dochtercellen, zodat elke cel weer 46 chromosomen heeft.

Algemeen[bewerken]

Vaak hoor je dat het chromosoom drager is van de erfelijke eigenschappen (genen). In strikte zin is dit echter het DNA, waaruit een chromosoom is opgebouwd. Chromatine bestaat uit DNA dat rondom chromatine-eiwitten (histonen) is gedraaid. In de periode tussen twee celdelingen is chromatine een lange streng en als een korrelige structuur zichtbaar in de celkern. Tijdens de celdeling verdubbelt het chromatine zich door replicatie, maar beide helften (de chromatiden) blijven ergens in het midden verbonden op een plaats die centromeer wordt genoemd. Hierdoor ontstaat de bekende X-vorm. Nadat de chromatiden van elkaar zijn gescheiden, is de X-vorm verdwenen en heeft het chromosoom weer zijn langwerpige staafjesvorm.

Verdeling van de chromosomen[bewerken]

Een cel bevat over het algemeen meerdere stellen chromosomen. Een cel met één enkel stel chromosomen heet haploïd, met een dubbel stel diploïd. Meerdere stellen zijn ook mogelijk: triploïd, tetraploïd, enzovoort. Een dierlijke cel is meestal diploïd, behalve de geslachtscellen (gameten), die haploïd zijn.

Ook bij diploïde planten zijn de gameten haploïd, maar bij een tetraploïde plant zijn ze diploïd. Gekweekte planten zijn vaak polyploïd, wat resulteert in grotere bloemen of een grotere oogst.

Het aantal chromosomen is per soort verschillend. Enkele voorbeelden:

Soort aantal chromosomen
Mens 46 (vóór 1950 dacht men 48)
Fruitvliegje 8
Chimpansee 48
Hond 78
Paard 64
Muis 40
Kikker 26
Aardappel 48 (tetraploïd)
Tarwe 42 (hexaploïd)
Tulp 24
Maïs 20
Ui 16
Erwt 14
Zwarte moerbei 308
Huisvlieg 12
Konijn 44
Cavia 64

Chromosomen van een diploïde cel vormen paren, waarbij het ene chromosoom van zo'n paar afkomstig is van de ene ouder (vader) en het andere chromosoom van de ander ouder (moeder). Bij een man zijn de twee geslachtschromosomen niet identiek, maar ze worden samen ook als paar beschouwd. De 46 menselijke chromosomen bestaan dus uit 23 paren: te weten 22 paren autosomen en 1 paar geslachtschromosomen. Bij de mens zijn de paren autosomen van groot naar klein genummerd van 1 tot 22.

Bij fouten in de celdeling van geslachtscellen (meiose) kunnen afwijkende aantallen chromosomen in cellen terechtkomen. Daardoor ontstaan nakomelingen die niet levensvatbaar zijn, afwijkingen vertonen en haast altijd onvruchtbaar zijn. Een extra chromosoom in de cel wordt trisomie genoemd, een chromosoom te weinig monosomie. Het meest bekende voorbeeld van een chromosoomafwijking is trisomie-21 ofwel het Syndroom van Down (mongolisme). Het komt ook voor dat een deel van een chromosoom te veel of te weinig aanwezig is: het 18q-syndroom is een chromosomale afwijking waarbij aan de langste arm van het 18e chromosoom een stukje ontbreekt.

Geslachtschromosomen[bewerken]

Op het Y-chromosoom zit maar weinig erfelijke informatie. Het speelt echter wel een cruciale rol in de ontwikkeling van het embryo. Het Y-chromosoom zet aan tot de productie van mannelijke hormonen en zodoende tot de ontwikkeling van mannelijke geslachtskenmerken. In de lichaamscellen van een man bevinden zich altijd een X- en een Y-chromosoom en in de lichaamscellen van een vrouw altijd twee X-chromosomen.

Erfelijke afwijkingen die gekoppeld zijn aan het X-chromosoom komen bij mannen altijd tot uiting, aangezien voor het defecte gen geen goede tegenhanger in de cel aanwezig is. In welke mate de afwijking bij vrouwen tot uiting komt, hangt af van het type afwijking: indien de afwijking een dominant kenmerk is, dan komt het kenmerk of de ziekte altijd tot uiting. Is het kenmerk daarentegen een recessief kenmerk dan komt de afwijking alleen tot uiting indien de vrouw draagster is op beide X-chromosomen. Een bekend voorbeeld is rood-groenkleurenblindheid.

Niet bij alle diersoorten geschiedt de geslachtsbepaling op dezelfde manier als bij de mens, met een groot X- en een klein Y-chromosoom. Soms bestaat er bijvoorbeeld alleen maar een X-chromosoom.

Isochromosoom[bewerken]

Van een isochromosoom is sprake wanneer een chromosoom een van zijn armen is verloren en dit heeft vervangen door een exacte kopie van de andere arm. Deze afwijking in chromosomale structuur komt soms voor bij meisjes met het syndroom van Turner of in Tumorcellen.

Externe link[bewerken]

Portal.svg Portaal Genetica


Zoek dit woord op in WikiWoordenboek