Celkern

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schema van een dierlijke cel

1. Nucleolus, 2. Celkern, 3. Ribosoom, 4. Vesikel, 5. Ruw endoplasmatisch reticulum, 6. Golgiapparaat, 7. Cytoskelet, 8. Glad endoplasmatisch reticulum, 9. Mitochondrion, 10. Vacuole, 11. Cytoplasma, 12. Lysosoom, 13. Centriool
1. Kernmembraan, 2. Ribosomen, 3. Kernporiën, 4. Nucleolus, 5. Chromatine, 6. Kern, 7. Endoplasmatisch reticulum, 8. Kernplasma

De celkern is een organel waarin bij eukaryote cellen het DNA opgeslagen wordt. De celkern wordt door een kernmembraan gescheiden van het cytoplasma.

Een celkern is gewoonlijk in enkelvoud aanwezig, maar bij sommige organismen in tweevoud (zoals dikaryon bij schimmels, of een micro- en een macronucleus bij protisten) of zelfs in meervoud.

Opbouw[bewerken]

De celkern is omgeven door een dubbele kernmembraan. De twee membranen worden van elkaar gescheiden door een ruimte van ongeveer 10 tot 40 nm, de perinucleaire ruimte. Hierin bevinden zich vele openingen met een diameter van ongeveer 100 nm, die kernporiën genoemd worden. Het buiten- en binnenmembraan lopen in elkaar over. Door de aanwezigheid van een kernenvelop rond de kern ontstaat een eigen milieu binnen de celkern.

De membranen zijn semipermeabel (ze laten selectief stoffen door). Vaak is het maar eenrichtingsverkeer tussen celkern en cytoplasma. Macromoleculen (grote moleculen) kunnen door de kernporiën gaan. Deze macromoleculen zijn vaak stoffen die de kernactiviteiten helpen regelen. De kernenvelop draagt vaak ribosomen op het cytoplasmatische oppervlak en gaat op bepaalde plaatsen over in het endoplasmatisch reticulum.


Functie[bewerken]

Het kopiëren van DNA vindt plaats in de celkern. De kopie wordt RNA genoemd. RNA is een informatiedrager. Er zijn verschillende soorten RNA, elk met een eigen functie.

  • mRNA wordt gespliced (de introns worden verwijderd en exons blijven over) door het spliceosoom of op chemische wijze door zichzelf, waarna het van een kapje ((en) cap) en een poly(A)staart wordt voorzien. Daarna verlaat het de celkern en wordt het door een ribosoom getransleerd.
  • tRNA vormt basenparen met zichzelf en vormt een klaverblad, waarna het buiten de kern een aminozuur opneemt en het richting een ribosoom vervoert.
  • De verschillende typen rRNA verlaten de kern, waarna ze met elkaar binden om zo het ribosoom te vormen.

Bij de celdeling vindt als eerste een verdubbeling van het DNA en daarna een deling van de celkern plaats. Pas daarna wordt de rest van de cel over de twee nieuw te vormen cellen verdeeld.

De celkern is naast het mitochondrium, endoplasmatisch reticulum en de plastiden het enige organel met zijn eigen ribosomen.

Prokaryoten hebben geen celkern; het DNA wordt daar onbeschermd in het cytoplasma bewaard.