Long (orgaan)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Long
Pulmo
De longen bij de mens 1. luchtpijp (trachea) 2. rechter bronchus 3. linker bronchus 4. rechterlong (pulmo dexter): bovenste (4a), middelste (4b) en onderste (4c) longlob 5. linkerlong (pulmo sinister): bovenste (5a) en onderste (5b) longlob 6. fissura obliqua 7. fissura horizontalis 8. arteria pulmonalis
De longen bij de mens

1. luchtpijp (trachea)
2. rechter bronchus
3. linker bronchus
4. rechterlong (pulmo dexter): bovenste (4a), middelste (4b) en onderste (4c) longlob
5. linkerlong (pulmo sinister): bovenste (5a) en onderste (5b) longlob
6. fissura obliqua
7. fissura horizontalis
8. arteria pulmonalis

Gegevens
Systeem Luchtwegstelsel
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Gaswisseling in de longblaasjes

Longen zijn gepaarde ademhalingsorganen van gewervelde dieren, met uitzondering van de meeste vissen en sommige amfibieën.

In de longen vindt gaswisseling plaats tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme. De longen van zoogdieren zijn geen 'holle' ruimtes die gevuld worden met lucht, maar hebben een sponsachtige structuur zodat het oppervlak waar gasuitwisseling mogelijk is veel groter wordt. De longen van amfibieën zijn wel te vergelijken met een lege zak, die weinig efficiënt is. Ze ademen daarom door keelademhaling en door de huid.

Gaswisseling[bewerken]

Door te ademen kan gaswisseling plaatsvinden: zuurstof diffundeert dan het bloed in en koolstofdioxide eruit. Er is zuurstof nodig voor de verbranding van voedsel, waarbij energie vrijkomt voor een groot aantal processen. Voorts wordt met de ademhaling koolzuur verwijderd, dat wordt geproduceerd bij de verbranding van voedingsstoffen. De concentratie van koolzuur in het bloed wordt geregeld door het ademcentrum in de hersenen. (Zie onder)

De mens[bewerken]

Bouw van de longen[bewerken]

Bij de mens is de rechterlong wat groter en heeft drie longkwabben, de linker bijna altijd (op ± 5% na) twee (dit omdat het hart vanwege zijn schuine ligging met de onderzijde in de linkerhelft van de borstkas steekt). De ingeademde lucht stroomt door de luchtpijp of trachea die zich bij de carina splitst in twee bronchiën, die haar verder voeren in een systeem van steeds meer, maar steeds fijner vertakte pijpjes, tot ze uiteindelijk terechtkomt in de zeer kleine longtrechtertjes. De wanden daarvan zijn uitgestulpt tot kleine zakjes, de alveolenzakjes, met elk een tiental blaasvormige uitstulpingen, de alveolen of longblaasjes.Deze worden omgeven door een netwerk van uiterst fijne bloedvaatjes, veel dunner dan een haar. De zuurstof in de blaasjes passeert onder invloed van de concentratiegradiënt een heel dun vlies (membraan) en komt zo in het bloed. Daar wordt de zuurstof voor het grootste deel aan hemoglobine gebonden. Om de long ligt het longvlies, de pleura. De pleura bestaat uit twee bladen, de pleura visceralis die aan de long vast zit en de pleura parietalis die aan de binnenkant van de borstwand vast zit. Tussen deze twee vliezen zit wat vocht waardoor ze ten opzichte van elkaar kunnen verschuiven (vergelijk met 2 glazen platen met water ertussen). De long is elastisch en wil van zichzelf inklappen, maar door de onderdruk tussen de longvliezen aan de binnenkant van de borstwand gebeurt dat niet. De long volgt normaliter de bewegingen van de borstwand. Als er lucht tussen de twee pleurabladen komt, bv. door een messteek in de borstkas, valt de onderdruk tussen de 2 pleurabladen weg en kan de long samenvallen: er ontstaat een klaplong, ofwel een pneumothorax. Ditzelfde gebeurt bij een ruptuur van een of meer alveoli: er stroomt dan lucht vanuit de long de pleuraholte in.

De adembeweging[bewerken]

Bij rustige ademhaling wordt de borstholte vergroot: de ribben worden naar voren en omhoog getrokken, en het middenrif wordt minder bol. Door die verruimende beweging wordt ongeveer een halve liter lucht naar binnen gezogen. Ademhalen door een onderdruk te creëren, wordt negatieve drukademhaling genoemd. Bij grote inspanning, zoals bij het hardlopen, gaat de ademhaling sneller en dieper. De hoeveelheid lucht die dan met één diepe teug naar binnen komt, kan wel tot vier liter stijgen. Als de spieren dan weer verslappen, veert de borstkas weer terug in haar oorspronkelijke stand en krimpt de long in elkaar: de lucht wordt uitgeademd. Inademing is een actief proces, uitademing volgt (bij rustige ademhaling) door de terugverende kracht van de thorax en de long zelf. Niet àlle lucht kan worden uitgeademd: zelfs na een diepe uitademing blijft er altijd lucht in de longen achter, ongeveer 1,5 liter (het eind-expiratoir volume). Per minuut haalt een volwassen mens in rust ongeveer twaalf tot zestien keer adem. Per dag passeert zo'n 10.000 liter lucht onze luchtwegen, op weg naar de longen. In een gemiddeld mensenleven vullen de longen zich zo'n 500 miljoen keer.

Ademhalingscentrum[bewerken]

Ademhalen is meestal onbewust, we hoeven nooit te denken: ik moet ademhalen. Ook 's nachts gaat het proces gewoon door. (Er bestaat een aandoening waarbij dit niet het geval is: Ondines vloek.) Anders dan bij de hartslag, kunnen we de ademhaling echter wel bewust een poos onderdrukken of extra ademhalen. In de hersenstam bevindt zich het ademhalingscentrum. Dit centrum reguleert op basis van de koolzuurconcentratie in het bloed de ademhaling en houdt zo het koolzuurgehalte in het bloed vrijwel constant. Daarmee wordt tegelijkertijd de zuurstofconcentratie in het bloed op peil gehouden. Als de ademhaling door ziekte bemoeilijkt is, ontstaat een benauwdheidsgevoel dat door artsen dyspneu wordt genoemd, dit benauwdheidsgevoel is het gevolg van een verhoogde koolzuurconcentratie en/of een verlaagde zuurstofconcentratie in het bloed, de longen kunnen de koolzuurconcentratie niet meer op het juiste peil houden. Er komt dan een extra aantal hulpspieren in actie. Om de werking van die spieren te vergemakkelijken, ziet men benauwde mensen dikwijls rechtop in bed zitten, steunend op de armen.

Buiten adem raakt men als het tempo van in- en uitademing niet is aangepast aan de inspanning, waarbij veel koolzuur wordt geproduceerd, dat door de longen niet snel genoeg kan worden afgevoerd. In de meeste gevallen passen onze ademhalingsorganen zich vanzelf aan, maar voor sommige activiteiten (zingen bijvoorbeeld) is een aparte ademhalingstechniek nodig.

De noodzaak van een rustige ademhaling[bewerken]

De Russische longarts prof. dr. Konstantin Buteyko onderstreepte het belang van een rustige ademhaling. In medische tekstboeken (Guyton) wordt 6 liter per minuut als normale waarde gehanteerd. Christiaan Bohr beschreef in 1904 het naar hem genoemde Bohr-effect: hoe meer koolzuur er in het bloed aanwezig is, hoe groter de zuurstofafgifte aan het celweefsel. Meer of dieper ademen heeft dus een contraproductief effect: omdat er meer koolzuur in de uitademing verloren gaat, zal er minder zuurstof door het lichaam worden opgenomen. Dit heet chronische hyperventilatie en het kan talloze gezondheidsklachten opleveren (Da Costa 1871, Weimann 1968). Koolzuur heeft ook een gunstig effect op de vuurdrempel van zenuwen, die wordt verhoogd, zodat de zenuwen rustiger worden.

Luchtconditionering[bewerken]

De longen zijn goed beschermd. In de luchtwegen (neus en keelholte, strottenhoofd en luchtpijp) wordt de ingeademde lucht gezuiverd van grotere stofdeeltjes, voorverwarmd en vochtig gemaakt. Koude winterlucht is dus al op temperatuur (30 graden Celsius) voor zij de longen bereikt. Voor het schoonhouden van de luchtwegen dient een uitgebreid slijmtransportsysteem van (trilharen) op het slijmvlies van de luchtpijp en de bronchiën. Deze transporteren neergeslagen deeltjes weer naar het strottenhoofd, waar slijm met stofdeeltjes onder normale omstandigheden ongemerkt worden ingeslikt. Als daarbij moet worden gehoest is er sprake van een abnormale situatie, mogelijk een symptoom van ziekte, meestal een meer of minder ernstige luchtweginfectie.

Ziekten[bewerken]

Speciale cellen produceren slijm. Dat slijm wordt dan opgehoest en verdwijnt daardoor uit de gevoelige luchtwegen. Een chronische hoest duidt er soms op dat dit beveiligingssysteem te zwaar wordt belast. Dat geldt niet alleen bij een stevige verkoudheid.

In langdurig geprikkeld en beschadigd longweefsel kunnen verschillende ernstige ziekten zich ontwikkelen: longkanker, COPD (chronische bronchitis en longemfyseem).

In het algemeen wordt door de wetenschap aangenomen dat het (herhaaldelijk) inhaleren van (verbrande) stofdeeltjes, slecht is voor de gezondheid.

Zie ook[bewerken]

Zoek dit woord op in WikiWoordenboek