Schildklier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schildklier
Glandula thyreoidica
Thyroid.png
1: schildklier2: bijschildklier
1: schildklier
2: bijschildklier
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De schildklier, de glandula thyreoidica,[1] glandula thyreoidea[2] of verkort het thyroïd is een klier die bij alle gewervelde dieren voorkomt. De schildklier vertoont bij alle gewervelde dieren dezelfde structuur en scheidt bij alle dezelfde hormonen af; namelijk tri-joodthyronine (T3), thyroxine (T4) en calcitonine.

Bij de mens[bewerken]

Bij de mens is de schildklier een vlindervormige (endocriene) klier gelegen aan de voorzijde van de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aan. Hij bestaat uit twee kwabben, opgebouwd uit follikels (blaasjes). Tussen de follikels van de schildklier liggen de parafolliculaire cellen, de zogenaamde C-cellen. De schildklier wordt van bloed voorzien door vier slagaders en is hiermee het meest doorbloede orgaan van het menselijk lichaam.

Hormonen[bewerken]

De schildklier produceert schildklierhormonen uit jodium en tyrosine. Hieruit wordt thyroxine of T4, geproduceerd. Als een joodatoom met behulp van een dejodase in de periferie van T4 wordt afgehaald, ontstaat er T3 (tri-joodthyronine). T3 is actiever dan T4, maar komt in mindere mate voor. Beide hormonen beïnvloeden stofwisselingsprocessen.

Het schildklierhormoon stimuleert de stofwisseling en de groei.

De aanmaak van T4 wordt geregeld door de hypothalamus en de hypofyse: TRH (TSH-releasing hormone) wordt afgescheiden door de hypothalamus. De hypofyse wordt door TRH gestimuleerd om thyreoïdstimulerend hormoon (TSH) af te geven. De schildklier wordt door TSH gestimuleerd om T4 te maken. De hypothalamus registreert tevens de concentratie T4 in het bloed. Hoe hoger deze concentratie, des te minder TRH de hypothalamus afscheidt. Hierdoor wordt er dus ook minder TSH en T4 afgescheiden. (Zie ook terugkoppeling.)

De C-cellen tussen de follikels produceren het hormoon calcitonine.

Aandoeningen[bewerken]

De meest voorkomende aandoeningen zijn de te snel werkende schildklier (hyperthyreoïdie, bijvoorbeeld veroorzaakt door de ziekte van Graves) en de te langzaam werkende schildklier (hypothyreoïdie), waardoor een teveel respectievelijk een tekort aan schildklierhormoon ontstaat.

Gewervelde dieren[bewerken]

De schildklier ontstaat embryonaal als een uitstulping van de onderwand van de kieuwdarm. De schildklier bevindt zich in het algemeen in de halsstreek, aan de borstzijde van de luchtpijp; bij vissen ligt dit orgaan onder de kieuwkorf, dicht bij de ventrale aorta. Bij vele visgroepen, reptielen en zoogdieren is er één schildklier; bij de meeste amfibieën, hagedisachtigen en vogels is de schildklier gepaard. Bij beenvissen kan de klier gescheiden zijn in een linker- en rechterhelft, die vaak elk 'uiteengevallen' zijn in kleine stukjes.

De grootte van de schildklier staat in een zekere verhouding tot de grootte van de grondstofwisseling, die vooral door het schildklierhormoon thyroxine wordt geregeld. Walvissen en dolfijnen, die aan grote afkoeling blootstaan en veel bewegen, hebben een relatief hoog schildkliergewicht, evenals de mens, bij wie het, afhankelijk van het lichaamsgewicht, varieert van 25 tot 40 g.

Behalve de bij schildklierhormoon beschreven functie (activering van de celstofwisselingsprocessen) worden bij dieren ook andere werkingen aan het schildklierhormoon toegeschreven, zoals die op de gedaanteverwisseling (bij amfibieën), het vervellen (reptielen) en de rui bij vogels. Verder zorgt schildklierhormoon voor de 'rijping' of transformatie van verschillende enzymsystemen van foetaal stadium in volwassen stadium.

Etymologie[bewerken]

De Nederlandse naam schildklier is een vertaling van het medische Latijn glandula thyreoidea.[3] De Engelse anatoom Thomas Wharton gebruikte dit Latijnse begrip voor het eerst.[4] Hij gebruikte daarbij de incorrecte schrijfwijze glandula thyroidaea[5] (Latijn: glandula = klier;[6] Oudgrieks: θυρεοειδής thureoeidés = schildvormig[7]). Wharton had het Oudgriekse woord voor schildvormig verkeerd verlatijnst tot thyroidaea[8] door de e na de r weg te laten. De schildklier draagt deze naam omdat zij in de nabijheid ligt van het schildkraakbeen (Oudgrieks:χόνδρος θυρεοειδής, chóndros thureoeidés[7]), dat een schildvormig uiterlijk heeft.[4] De schildklier zelf heeft minder duidelijk deze vorm.[4]

De officiële Latijnse naam voor de schildklier luidt sinds 1955 glandula thyroidea.[9] Bij deze schrijfwijze, net zoals bij de schrijfwijze van Wharton, ontbreekt er een e in thyroidea. Deze naamgeving zoals vastgesteld door de nomenclatuurcommissie FICAT (voorheen FCAT en IANC) en vastgelegd in de publicatie Terminologia Anatomica (voorheen Nomina Anatomica), is een bewuste keuze om tegemoet te komen aan de Engelstaligen die moeite hebben met de uitspraak van de 'e' in thyreoidea.[10] Voorgaande uitgaven van de Nomina Anatomica uit 1895[2] en 1935[11] schrijven wel glandula thyreoidea. Het Oudgrieks kent naast θυρεοειδής thureoeidés, waar thyreoidea vanaf is geleid, ook de vorm θυροειδής, thuroeidés (zonder e na de r). Het laatste woord heeft de betekenis van deurachtig.[7] De huidige officiële naam glandula thyroidea betekent letterlijk deurachtige klier of deurklier in plaats van de bedoelde schildklier.

Daarnaast komt men de verkorte vorm het thyroïd tegen. Dit kan zowel de schildklier als het schildkraakbeen[12] aanduiden. De thyroïde is een gallicisme, gebaseerd op Frans la thyroïde.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Triepel, H. (1910). Nomina Anatomica. Mit Unterstützung von Fachphilologen. Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  2. a b His, W. (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag Veit & Comp.
  3. Vries, M. de, e.a. (1882-1998) Woordenboek der Nederlandsche Taal.
  4. a b c Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  5. Wharton, T. (1659). Adenographia: sive glandularum totius corporis descriptio. Amsterdam: Johannes Ravenstein.
  6. Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary. founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary.Oxford: Clarendon Press.
  7. a b c Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  8. Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (3de uitgave. Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  9. Federative Committee on Anatomical Terminology. (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  10. Drukker, J, & Walvoort, H.C. (2000). Terminologia anatomica: een nieuw anatomisch referentiewerk. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 144, 890-891.
  11. Kopsch, F. (1941). Die Nomina anatomica des Jahres 1895 (B.N.A.) nach der Buchstabenreihe geordnet und gegenübergestellt den Nomina anatomica des Jahres 1935 (I.N.A.) (3de uitgave). Leipzig: Georg Thieme Verlag.
  12. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum/Springer Media.
Zoek dit woord op in WikiWoordenboek